1. Een door het bevoegd bestuursorgaan verleende vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van deze Verordening, heeft een geldigheidsduur van vijf jaren.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van seksinrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.