Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen, voorstellingen en dergelijke op een openbare plaats
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
Afdeling Veiligheid van/op de openbare plaats
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling Toezicht Kansspelautomaten
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Afdeling

Toezicht op openbare inrichtingen en terrassen

Artikel 2:26

Begripsbepalingen

  1. Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan:

    1. Een voor het publiek toegankelijke openbare inrichting, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, eetcafé, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, sportkantine, clubhuis, de combinatie horecabedrijf met detailhandel en de bij het horecabedrijf behorende terrassen.

    2. Detailhandel ondersteunende horeca binnen een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening van detailhandel en waarin als ondergeschikte nevenactiviteit consumpties waaronder alcoholvrije drank kan worden verstrekt binnen de openingstijden van de detailhandel. Het college kan beleidsregels detailhandel ondersteunende horeca opstellen.

  2. Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:27 of 2:34 van deze Verordening.

  3. Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een horecabedrijf.

  4. Onder paracommerciële rechtspersoon wordt in deze afdeling verstaan: het begrip paracommerciële instelling zoals gedefinieerd in de Alcoholwet.

  5. Onder een terras wordt verstaan: een ruimte, veelal op de openbare weg, buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel behorende bij een horeca-inrichting, waar sta- of zitgelegenheden zijn ingericht voor de directe consumptie ter plaatse van etenswaren en dranken die bedrijfsmatig worden verstrekt vanuit de inrichting.

  6. We onderscheiden de volgende soorten terrassen:

    1. gevelterras: terras dat direct tegen de buitengevel van het horecabedrijf is geplaatst. Een gevelterras, die rechtstreeks aan de inrichting grenst en andere aanhorigheden;

    2. terrasboot: een terras gesitueerd op het water, als in ieder geval een terras op een ponton, op een dekschuit of andersoortig vaartuig.

    3. eilandterras: een los van de gevel gelegen terras, voor of in de directe nabijheid van het horecabedrijf, met een afstand van meer dan 3,5 meter tussen de gevel van het horecabedrijf en het terras.

  7. Combinatie horecabedrijf met detailhandel: een levensmiddelenwinkel en een apart horecadeel met één ingang, waarbij bezoekers enkel via de winkel het horecadeel kunnen betreden.

  8. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    1. de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. meereizende echtgenoten, minderjarige kinderen of aan reisgezelschappen die gebruik maken van nachtverblijf bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in het horecabedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:27

(Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf

  1. Het is niet toegestaan een horecabedrijf te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2:33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:7 en 2.33, tweede lid van deze Verordening zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  5. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

Artikel 2:28

Vereisten terrasvergunning

  1. Het is niet toegestaan een terras te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  2. Het college stelt nadere regels omtrent terrassen op.

  3. De aanvragen voor een terrasvergunning worden getoetst aan de geldende wetgeving, bestemmingsplannen en de nadere regels terrassen.

  4. Het gevelterras en andere aanhorigheden die rechtstreeks aan de horecagelegenheid grenst kunnen door de burgemeester worden verleend in de exploitatievergunning.

  5. Een terrasvergunning bij een openbare inrichting anders dan een gevelterras zoals bedoeld in het voorgaand lid kan worden verleend door de burgemeester.

  6. Bij detailhandel ondersteunende horeca is een terras niet toegestaan.

  7. Voor een combinatie van een horecabedrijf met detailhandel kan een terrasvergunning worden aangevraagd.

  8. Een terrasvergunning voor een eilandterras wordt voor 10 jaar verleend met een mogelijke jaarlijkse herverdeling indien er aan, in aanmerking komende nieuwe horecaondernemers, vergunningen worden vergund.

  9. Een terrasvergunning voor een terrasboot wordt voor 10 jaar verleend.

  10. Terrasvergunningen zijn gebonden aan een persoon en pand, en zijn niet overdraagbaar.

  11. Elke aanvraag voor een terrasboot wordt individueel getoetst op mate waarin de terrasboot passend wordt geacht binnen het beschermd stadsgezicht. De burgemeester kan desgewenst gemotiveerd afwijken van het maximaal aantal terrasboten.

  12. Het college kan plaatsen aanwijzen die niet of alleen voor een bepaalde periode kunnen worden geëxploiteerd als terras.

Artikel 2:29

Voorbehoud verlening en (gedeeltelijk) vervallen van terrasvergunning

  1. Een terrasvergunning wordt verleend onder het voorbehoud dat het terras, indien noodzakelijk, niet mag worden geplaatst dan wel moet worden verwijderd in geval van de volgende werkzaamheden:

    1. werkzaamheden van gemeentewege of ten behoeve van aanleg of onderhoud van kabels en leidingen van nutsvoorzieningen;

    2. een evenement als bedoeld in artikel 2:21 van deze Verordening op of in de directe nabijheid van de terraslocatie.

  2. Een evenement zoals bedoeld in het eerste lid onder b wordt zo spoedig mogelijk van tevoren gecommuniceerd aan horecazaken waarop dit betrekking heeft. Het niet mogen plaatsen of verwijderen van de terrassen geldt voor de duur die is vermeld in de evenementenvergunning.

  3. Een terrasvergunning kan worden ingetrokken als het terras in de periode van 1 april tot en met 1 november minder dan 3 aaneengesloten maanden in gebruik is.

Artikel 2:30

Vrijstelling vergunningplicht

  1. Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;

  2. Voorts is geen vergunning vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf, die zich bevindt in een:

    1. schoolkantine;

    2. bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is;

    3. horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid onder a van deze Verordening, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven).

    4. horecabedrijven in musea, crematoria en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt.

    5. horecabedrijven in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

      • het horecagedeelte bevat maximaal 12 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt;

      • er vinden geen paracommerciële activiteiten plaats.

    6. horecabedrijven waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden;

      • de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten;

      • er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;

      • er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;

      • de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven;

      • er vindt geen zalenverhuur plaats;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig.

    7. terrassen bij de in het eerste lid bedoelde horecabedrijven zijn niet van vergunningplicht vrijgesteld.

  3. Voor deze horecabedrijven kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie.

Artikel 2:31

Eisen exploitant en leidinggevende

  1. Het is niet toegestaan een horecabedrijf te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.

  2. De exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen

Artikel 2:32

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.

  2. De beslissing kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd.

Artikel 2:33

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:27 van deze Verordening indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het (tijdelijk)Omgevingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:31, eerste lid van deze Verordening gestelde eisen;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:27 van deze Verordening geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

  3. Bij de toepassing van een in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van het horecabedrijf;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf in deze of in andere horecabedrijven.

  4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

    1. indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

    2. indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    3. indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    4. indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in het horecabedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd;

    5. indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    6. indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    7. indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, of een wijziging in de exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    8. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    9. indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.31, eerste lid van deze Verordening gestelde eisen;

    10. indien het horecabedrijf wordt gebruikt voor andere doeleinden;

    11. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:9 van deze Verordening beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende gevelterrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. indien dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien.

  7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 2:34

Opheffing vergunningplicht

  1. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:27 van deze Verordening niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  2. De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:35

Sluitingstijden

  1. Het is de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, onder a van deze Verordening, niet toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. Voor een bij een horecabedrijf behorend terras geldt een sluitingstijd van 01:00 uur.

  3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden als bedoeld in het eerste of tweede lid vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf tot uiterlijk 04.00 uur.

  4. De burgemeester kan eenmaal per kalenderjaar een ontheffing verlenen van de in het eerste en derde lid genoemde sluitingstijden tot uiterlijk 04.00 en ten behoeve van oudejaarsnacht tot uiterlijk 05.00 uur (nacht van 31 december op 1 januari volgend daarop), waarbij het de exploitant of leidinggevende is toegestaan het horecabedrijf, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. Met deze ontheffing, het zogenaamde Verlaatje, kan maximum acht maal per jaar gebruik gemaakt worden van deze ontheffing mits de exploitant of leidinggevende uiterlijk drie werkdagen voor de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, van de festiviteit melding heeft gedaan bij de burgemeester.

  5. De burgemeester kan uitsluitend ontheffing als bedoeld in het vierde lid verlenen aan een horecabedrijf dat beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27 van deze Verordening. Er wordt geen ontheffing verleend aan een horecabedrijf dat beschikt over een kortlopende exploitatievergunning en ook niet aan een horecabedrijf van een paracommerciëel rechtspersoon als bedoeld in de Alcoholwet.

  6. Bij de ontheffing als bedoeld in het vierde lid zijn de geluidsnormen als bedoeld bij of krachtens de Omgevingswet en artikel 4:4 van deze Verordening onverminderd van toepassing.

  7. De burgemeester kan de ontheffing als bedoeld in het vierde lid weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze door de afwijking van de sluitingstijden nadelig wordt beïnvloed.

  8. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door bij of krachtens de Omgevingswet.

  9. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:36

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:35 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet, waarin wordt geregeld dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Artikel 2:37

Gesloten verklaren van een horecabedrijf

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:35 van deze Verordening kan de burgemeester een horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

    1. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties in artikel 2:33, vierde lid van deze Verordening zich voordoet waarin intrekking van de vergunning mogelijk is.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:38

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

  1. Het is bezoekers van een horecabedrijf niet toegestaan gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:35 of ingevolge een op grond van artikel 2:36 of 2:37 van deze Verordening genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

  2. Het is de exploitant of de leidinggevende van een horecabedrijf niet toegestaan na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 2:39

Glazen drinkgerei

  1. De exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, onder a van deze Verordening, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun horecabedrijf geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten het horecabedrijf brengen.

  2. Het is de exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf dat is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen openbare plaats, niet toegestaan drank in drinkgerei van glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.

  4. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd.

  5. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.

Artikel 2:40

Handel in horecabedrijf

  1. De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt in en om de directe omgeving van de horecagelegenheid.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.

Artikel 2:41

Voorkomen hinder in openbare ruimte door ordeverstoring in en om horeca

  1. Om ordeverstoring en daarmee gepaard gaande negatieve impact in en om de horeca gelegenheid waaronder de openbare ruimte rondom de horeca te voorkomen, treft de exploitant van het horecabedrijf voldoende maatregelen om ordeverstoring tegen te gaan c.q. te beperken.

  2. Het is de bezoeker niet toegestaan in en om de horecagelegenheid de orde te verstoren.

  3. Degene die naar het oordeel van de exploitant van het horecabedrijf, een daartoe aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een ambtenaar van politie in strijd handelt met het bepaalde in het tweede lid is verplicht dat horecabedrijf op aanzegging van die exploitant of op bevel van die ambtenaar terstond te verlaten.

Artikel 2:42

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de 2:27 tot en met 2:36 van deze Verordening op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:43

Geldigheidsduur vergunning

  1. Een door de burgemeester verleende exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid van deze Verordening, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde tijd met uitzondering van een tijdelijk verleende exploitatievergunning.

  2. Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën horecabedrijven, bepaalde bedrijfsvormen of omstandigheden een andere geldigheidsduur vaststellen.

  4. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid.

Artikel 2:44

Beëindiging van de exploitatie

  1. De exploitatievergunning vervalt

    1. zodra de exploitant(en) de exploitatie van het horecabedrijf heeft/hebben beëindigd;

    2. indien het horecabedrijf om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    3. bij beëindiging van de onderneming.

  2. Uiterlijk binnen één week na beëindiging van de exploitatie door de exploitant(en) geeft/geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2025