Energieregeling Laatste controle 14-05-2026, laatste wijziging 05-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Energiemarkten
Afdeling 2.1 Contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier of actieve afnemer en marktdeelnemer die aggregeert
Afdeling 2.2 Vergunning leveranciers
Paragraaf 2.2.1 Vergunningplicht
Paragraaf 2.2.2 Eisen vergunning: organisatorische, financiële en technische kwaliteiten en deskundigheid
Paragraaf 2.2.3 Aanvraag vergunning
Paragraaf 2.2.4 Verplichtingen vergunninghouder
Afdeling 2.3 Leveranciersmodel
Afdeling 2.4 Voorkomen beëindiging levering en maatregelen leveringszekerheid
Afdeling 2.5 Erkenning meetverantwoordelijke partij
Hoofdstuk 3 Beheer van elektriciteits- en gassystemen
Afdeling 3.1 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder en transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee inzake beheer en ontwikkeling
Afdeling 3.2 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake aansluiten en transporteren
Afdeling 3.3 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake balanceren
Afdeling 3.5 Bijzondere taken transmissiesysteembeheerder voor gas
Afdeling 3.6 Verplichtingen transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen
Afdeling 3.7 Procedures tarieven en methoden of voorwaarden transmissie- en distributiesysteembeheerders
Afdeling 3.8 Procedures tarieven en methoden of voorwaarden bijzondere systeembeheerders
Afdeling 3.9 Kredietwaardigheid en boekhoudverplichting systeembeheerders
Afdeling 3.10 Overige taken en verplichtingen systeembeheerders
Afdeling 3.11 Ontheffingen nieuwe systemen
Afdeling 3.12 Schadevergoeding transmissiesysteem voor elektriciteit op zee
Hoofdstuk 4 Uitvoering, toezicht en handhaving
Hoofdstuk 5 Slotbepalingen
Bijlage 1 bedoeld in artikel 3.16, eerste lid
Bijlage 2 bedoeld in de artikelen 2.15, tweede lid, onderdeel b, en 2.16, tweede lid, onderdelen b en c
Bijlage 3 bedoeld in artikel 4.4, tweede lid

Hoofdstuk 3

Beheer van elektriciteits- en gassystemen

Artikel 3.1

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee kan knelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van zijn systeem, investeringen en inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten ter voorkoming van verzwaring van het systeem op een geaggregeerd niveau in het investeringsplan opnemen, met uitzondering van:

    1. investeringen als bedoeld in artikel 3.67, tweede lid, van de wet;

    2. investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee licht in het investeringsplan het toegepaste aggregatieniveau toe.

Artikel 3.2

De aanduiding van en verklaring voor de wijzigingen ten opzichte van het voorgaande investeringsplan, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van het besluit, omvat op het voor die investeringen gehanteerde aggregatieniveau:

  1. de afwijkingen van de planning in tijd en kostenraming per jaar;

  2. nadelige gevolgen van de afwijkingen, bedoeld in onderdeel a, voor de uitvoering van de taken van de transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, en

  3. de maatregelen om afwijkingen als bedoeld in onderdeel a in de toekomst te minimaliseren.

Artikel 3.3

  1. De scenario’s, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het besluit, bevatten in ieder geval:

    1. voor elk scenario een raming ten aanzien van de verwachte volumes van productie, import, export en levering van elektriciteit of gas;

    2. een toelichting op de wijze waarop de scenario’s tot stand zijn gekomen en de uitgangspunten en kenmerken die per scenario zijn gehanteerd, waaronder in ieder geval:

      1. een toelichting op de wijze waarop de ramingen binnen elk scenario tot stand zijn gekomen;

      2. een beschrijving van de omstandigheden waaronder een scenario zich naar verwachting voordoet;

      3. een toelichting op de wijze waarop in de scenario’s rekening is gehouden met vastgesteld overheidsbeleid dat van invloed is op de inrichting van het transmissie- of distributiesysteem;

      4. een onderbouwing van de keuze voor de betreffende scenario’s;

      5. een beschrijving van de procedure van de totstandkoming van de scenario’s.

  2. Bij de totstandkoming van de scenario's, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het besluit, worden, op verschillende momenten in de procedure van totstandkoming, tenminste relevante overheidsinstanties en organisaties van betrokken marktdeelnemers, netgebruikers, balanceringsverantwoordelijken en aangeslotenen betrokken in een transparant en participatief proces.

  3. De scenario’s, bedoeld in artikel 3.24, derde lid van het besluit, worden na afronding van het totstandkomingsproces, bedoeld in het tweede lid, en voorafgaand aan de consultatie van het ontwerpinvesteringsplan openbaar gemaakt, inclusief de belangrijkste bronnen en aannames waarop de scenario’s zijn gebaseerd.

Artikel 3.4

  1. Een investeringsplan van een transmissie- of distributiesysteembeheerder bevat een analyse van de knelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van zijn systeem, die mede aan de hand van het kwaliteitsplan, bedoeld in artikel 3.32 van het besluit, en de scenario’s wordt opgesteld.

  2. De knelpuntenanalyse bevat voor de eerstvolgende vijftien jaren:

    1. een overzicht van de kwaliteitsknelpunten en capaciteitsknelpunten met vermelding van de benaming en locatieaanduiding van de niet geaggregeerde knelpunten en het kenmerk van de geaggregeerde knelpunten;

    2. per capaciteitsknelpunt een raming van de benodigde transportcapaciteit;

    3. een toelichting op de toegepaste methodiek en uitgangspunten van de analyse van kwaliteitsknelpunten en capaciteitsknelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van het systeem, waaronder in ieder geval:

      1. een beschrijving van de wijze waarop de belangrijkste risico’s van de knelpunten op hun relevantie zijn beoordeeld en zijn geprioriteerd;

      2. per capaciteitsknelpunt een toelichting op de wijze waarop een verband is gelegd tussen het knelpunt en een scenario;

      3. per kwaliteitsknelpunt een toelichting op de wijze waarop een verband is gelegd tussen het knelpunt en het kwaliteitsborgingssysteem;

      4. per knelpunt de termijn waarbinnen en de omstandigheden waaronder het knelpunt zich naar verwachting voordoet en de termijn waarbinnen het knelpunt naar verwachting is opgelost.

Artikel 3.5

  1. Een investeringsplan bevat een onderbouwing van de noodzaak en een raming van de kosten per jaar ten aanzien van de voor de eerstkomende vijf jaren voorgenomen:

    1. investeringen in uitbreiding en verzwaring van het systeem, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel b, van het besluit; en

    2. inkoop van congestie- en systeembeheersdiensten, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

  2. Een onderbouwing van de noodzaak van de voor de eerstkomende vijf jaren voorgenomen investeringen in uitbreiding en verzwaring van het systeem bevat, tenzij dit al in een voorgaand investeringsplan is opgenomen, in ieder geval een alternatievenanalyse voor:

    1. een investering van een transmissiesysteembeheerder voor gas waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen;

    2. een investering van een transmissiesysteembeheerder voor gas met een investeringsbedrag van € 5 miljoen of meer, met uitzondering van aansluitingen en verleggingen;

    3. een investering van een distributiesysteembeheerder voor gas van meer dan 8 bar per gasstation inclusief verbinding;

    4. een investering van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen.

  3. Een alternatievenanalyse bevat in ieder geval:

    1. een onderbouwde beschrijving van de verschillende alternatieven, waaronder een nul-alternatief;

    2. een schatting van de effecten van de verschillende alternatieven;

    3. een onderbouwing van het gekozen alternatief.

Artikel 3.6

De beschrijving en onderbouwing van de in het investeringsplan opgenomen uitbreidings- of vervangingsinvesteringen die voor de eerstkomende vijf jaren zijn gepland en in uitvoering zijn of worden gerealiseerd, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, omvat ten minste:

  1. de duiding van een investering als vervangingsinvestering of uitbreidingsinvestering;

  2. de wijze waarop de volgorde van de uitvoering van de investeringen is bepaald overeenkomstig artikel 3.25 van het besluit en artikel 3.8;

  3. voor de investeringen van een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, de verwachte capaciteit die na de investering beschikbaar komt voor grensoverschrijdende handel door middel van interconnectoren;

  4. per investering naar het aggregatieniveau van die investering een onderbouwde planning in tijd en, tenzij de investering nog moet worden aanbesteed, een kostenraming per jaar voor de voorbereiding en de realisatie.

Artikel 3.7

De beschrijving en onderbouwing van de in het investeringsplan opgenomen congestie- of systeembeheersdiensten die voor de eerstkomende vijf jaren worden ingekocht ter voorkoming of ter overbrugging van de periode tot gereedheid van uitbreidingsinvesteringen omvat ten minste per in te kopen congestie- of systeembeheersdienst:

  1. het soort dienst dat moet worden ingekocht;

  2. de hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die per relevant onderdeel van het transmissie- of distributiesysteem moet worden ingekocht;

  3. een raming van de totale kosten van de inkoop;

  4. de uitbreidingsinvestering die worden voorkomen of waarvoor de periode tot gereedheid wordt overbrugd, en een inschatting van de bijbehorende kosten.

Artikel 3.8

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder kent bij het bepalen van de volgorde van de uitvoering van noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen en rekening houdend met het maatschappelijk belang van de investering conform artikel 3.25, eerste lid, van het besluit een hogere prioriteit toe aan achtereenvolgens:

  1. de investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel c, van de wet;

  2. de investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel d, van de wet.

Artikel 3.9

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder consulteert een ontwerpinvesteringsplan, overeenkomstig artikel 3.26, eerste lid, van het besluit, voor een periode van ten minste vier weken.

  2. De Autoriteit Consument en Markt toetst het ontwerpinvesteringsplan binnen een periode van twaalf weken nadat het ontwerpinvesteringsplan overeenkomstig artikel 3.35 van de wet aan haar is voorgelegd.

Artikel 3.10

  1. De inwonertallen, bedoeld in 3.19, eerste lid, van het besluit worden bepaald aan de hand van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakte gegevens betreffende de bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin het verzoek tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet, is ingediend.

  2. Het in het tweede lid van 3.19 van het besluit genoemde bedrag is uitgedrukt in het prijspeil van 2018 en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde inputprijsindex voor Grond-, weg- en waterbouw. Voor de berekening van het verschuldigde bedrag vindt de bijstelling van het bedrag plaats tot en met het jaar waarin het verzoek tot verplaatsing of vervanging, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet is gedaan.

Artikel 3.11

  1. De bestanddelen van de kosten, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van het besluit, zijn de kosten:

    1. voortvloeiend uit overeenkomsten van opdracht;

    2. voor personele inzet;

    3. voor andere zaken of werkzaamheden die zijn toe te rekenen aan de uitvoering van het verzoek tot het doen van onderzoek.

  2. De bestanddelen van de kosten, bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van het besluit, zijn de kosten:

    1. voor het opstellen van een ontwerp voor vervanging of verplaatsing van het betreffende deel van het transmissie- of distributiesysteem;

    2. voor materiële en personele inzet;

    3. voortvloeiend uit een voor de realisatie gesloten overeenkomst van aanneming van werk of de levering van diensten en materialen;

    4. voor de verwerving van een onroerende zaak of de vestiging van een beperkt recht op een onroerende zaak;

    5. voor het verwijderen van resterende onderdelen van het te vervangen of te verplaatsen deel van het transmissie- of distributiesysteem;

    6. voor herstel van de terreinen waar verplaatsing of vervanging heeft plaatsgevonden;

    7. voor communicatie over de uit te voeren werkzaamheden;

    8. voor andere zaken of werkzaamheden die zijn toe te rekenen aan de uitvoering van de verplaatsing of vervanging.

  3. Op de kosten voor de uitvoering van een verzoek tot verplaatsing of vervanging als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet worden in mindering gebracht:

    1. kosten voor voorgenomen investeringen in het te verplaatsen of te vervangen deel van het transmissie- of distributiesysteem, indien de investering was voorzien in een ten tijde van het verzoek laatst vastgestelde investeringsplan als bedoeld in artikel 3.31 van de wet;

    2. eventuele aan de transmissie- of distributiesysteembeheerder toekomende opbrengsten vanwege het vrijkomen van een onroerende zaak door de verplaatsing of vervanging.

  4. Als kosten voor de uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet, of voor de uitvoering van een verzoek tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet worden niet aangemerkt de kosten die door een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten worden gemaakt, waaronder kosten voor de voorbereiding van voor de verplaatsing of vervanging benodigde besluiten.

Artikel 3.12

  1. Een distributiesysteembeheerder neemt, indien hij op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet een melding ontvangt dat de levering op een aan een kleine aansluiting toegekend allocatiepunt zal worden beëindigd, de volgende maatregelen:

    1. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene zo spoedig mogelijk dat de aansluiting of een aan zijn aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt buiten werking wordt gesteld na de datum waarop de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel eindigt en vermeldt daarbij de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt;

    2. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt niet buiten werking zal worden gesteld in de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 2.46, dan wel indien de aangeslotene weer een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel heeft gesloten voor het verbruik op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.

  2. Een distributiesysteembeheerder stelt de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt niet eerder buiten werking dan nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen en de leveringsovereenkomst of de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel is geëindigd en voorts geen melding is ontvangen van hervatting van de levering of van een nieuwe leverancier voor levering op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt. De distributiesysteembeheerder spant zich maximaal in om de aangeslotene in een persoonlijk contact voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt te wijzen op mogelijkheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, om het buiten werking stellen en de daaraan verbonden kosten alsnog te voorkomen.

  3. De distributiesysteembeheerder biedt de aangeslotene aan om met hem in contact te treden om een betalingsregeling te treffen voor de kosten van het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt en, indien van toepassing, de kosten voor het weer in werking stellen daarvan, en biedt een redelijke en passende betalingsregeling aan indien de aangeslotene op dit aanbod in gaat. Indien betaling uitblijft en de aangeslotene niet zelf in contact treedt met de distributiesysteembeheerder spant de distributiesysteembeheerder zich maximaal in om in persoonlijk contact te treden met de aangeslotene, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen of zich te wenden tot een instantie voor schuldhulpverlening.

  4. De distributiesysteembeheerder draagt er zorg voor dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt zo spoedig mogelijk weer in werking wordt gesteld indien hij een melding ontvangt dat de vergunninghouder de levering hervat op grond van het bepaalde in artikel 2.47 en, tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 2.47, onderdeel c, zijn vordering voor de kosten van het buiten werking stellen en weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt wordt betrokken bij het traject van schuldhulpverlening.

Artikel 3.13

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder informeert een aangeslotene zo spoedig mogelijk na ontvangst van een melding op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet van een situatie als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van het besluit met betrekking tot diens aansluiting, met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 3.12, en vermeldt daarbij:

  1. dat de aansluiting of een aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt buiten werking wordt gesteld nadat de betreffende situatie, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de wet intreedt;

  2. hoe de aangeslotene het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt kan voorkomen;

  3. de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.

Artikel 3.14

  1. De Autoriteit Consument en Markt stelt een formulier vast voor de melding door een college van burgemeester en wethouders van een besluit als bedoeld in artikel 3.42, tweede of derde lid, van de wet.

  2. Een college van burgemeester en wethouders meldt een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, of artikel 3.42, eerste lid, van de wet aan de Autoriteit Consument en Markt binnen 10 werkdagen nadat het besluit is genomen.

  3. De Autoriteit Consument en Markt neemt het gemelde besluit binnen vijf werkdagen op in het register, bedoeld in artikel 3.42, vierde lid, van de wet.

  4. Een college van burgemeester en wethouders meldt elke wijziging, intrekking of vernietiging van een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, of 3.42, eerste lid, van de wet, aan de Autoriteit Consument en Markt. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.15

  1. Een distributiesysteembeheerder voor gas corrigeert bij de toepassing van artikel 3.27, eerste lid, van het besluit de equivalente uitbreiding van zijn systeem voor het te doorkruisen gebied door de betreffende leidinglengte te vermenigvuldigen met:

    1. 1, indien het door open terrein gaat;

    2. 2,5, indien het door gesloten terrein met tegels gaat;

    3. 7, indien het door gesloten terrein met asfalt gaat;

    4. 3, indien het een watergang kruist;

    5. 10, indien het een spoor- of snelweg kruist.

  2. Een distributiesysteembeheerder voor gas corrigeert bij de toepassing van artikel 3.27, eerste lid, van het besluit de equivalente uitbreiding van zijn systeem voor gas indien een reduceerstation benodigd is door:

    1. 130 meter bij de uitbreiding van het distributiesysteem voor gas op te tellen, indien het benodigde reduceerstation een capaciteit moet hebben van 40 m3 per uur ten behoeve van een klein aantal aangeslotenen met een kleine aansluiting;

    2. 600 meter bij de uitbreiding van het distributiesysteem voor gas op te tellen, indien het benodigde reduceerstation een capaciteit moet hebben van 2.500 m3 per uur ten behoeve van meer dan een klein aantal aangeslotenen met een kleine aansluiting.

Artikel 3.16

  1. Gas dat wordt ingevoed of afgeleverd op een aansluiting of systeemkoppeling, dan wel ingevoerd of uitgevoerd op een grenspunt, voldoet aan de in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen waarden, waarbij:

    1. H-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel A opgenomen waarden;

    2. G-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel B opgenomen waarden;

    3. H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel C opgenomen waarden;

    4. G-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel D opgenomen waarden;

    5. H-gas en L-gas dat op een grenspunt via het transmissiesysteem voor gas wordt ingevoerd of uitgevoerd, op dat grenspunt voldoet aan de in onderdeel E opgenomen waarden.

  2. Gas dat op het transmissie- of distributiesysteem voor gas wordt ingevoed of het transmissie- of distributiesysteem voor gas verlaat, is H-gas, G-gas of L-gas.

Artikel 3.17

  1. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt voor elk door hem toegekend allocatiepunt de allocatiemethode.

  2. Afhankelijk van de methode, bepaald op grond van het eerste lid, wijst de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit per balanceringsverantwoordelijke voor elektriciteit energievolumes per onbalansverrekeningsperiode toe, door:

    1. bij kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld meetgegevens te verzamelen en energievolumes te berekenen per allocatiepunt en deze gegevens te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke; of

    2. bij kleine aansluitingen energievolumes te berekenen per allocatiepunt en te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke, ingeval:

      1. de meetgegevens niet betrouwbaar of volledig zijn;

      2. een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of administratief is uitgeschakeld; of

      3. van een onbemeten aansluiting.

    3. bij grote aansluitingen en systeemkoppelingen de meetgegevens en de energievolumes per allocatiepunt te ontvangen; of

    4. bij grote aansluitingen de energievolumes te berekenen en te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke, indien de verstrekte meetgegevens en energievolumes voor een allocatiepunt niet betrouwbaar of volledig zijn.

  3. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit verstrekt de energievolumes, bedoeld in het tweede lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit.

  4. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt de energievolumes voor de definitieve verrekening van de balancering:

    1. voor allocatiepunten behorend bij kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld door meetgegevens te verzamelen dan wel te berekenen, valideren en vast te stellen en de energievolumes te bepalen bij:

      1. de overgang van een maand;

      2. een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier, een andere marktdeelnemer die invoeding aggregeert of een andere balanceringsverantwoordelijke;

      3. installatie of vervanging van de meetinrichting;

      4. een wijziging van de allocatiemethode, bedoeld in het eerste lid;

    2. voor allocatiepunten behorende bij kleine aansluitingen met een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld op basis van energievolumes die zijn berekend op basis van door een leverancier aangeleverde meetgegevens:

      1. tenminste eenmaal per 12 maanden; of

      2. bij een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke;

    3. Voor grote aansluitingen en systeemkoppelingen door de energievolumes per balanceringsverantwoordelijke partij te aggregeren op basis van de door de meetverantwoordelijke partij per allocatiepunt verstrekte meetgegevens en energievolumes.

  5. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit verstrekt de per balanceringsverantwoordelijke geaggregeerde energievolumes aan de transmissiesysteembeheerder elektriciteit.

  6. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent profielfracties voor elektriciteit met gebruikmaking van de meetgegevens, bedoeld in het tweede lid onderdeel a, en past de verkregen profielfracties toe voor het bepalen van berekende energievolumes als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 3.18

  1. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt voor elk door hem toegekend allocatiepunt de aansluitingcategorie.

  2. Afhankelijk van de aansluitingcategorie, bepaald op grond van het eerste lid, verstrekt de distributiesysteembeheerder voor gas de transmissiesysteembeheerder voor gas dagelijks gegevens uit zijn register ten behoeve van het stuursignaal voor gas.

  3. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt de calorische waarden per systeemgebied, zoals vastgesteld op grond van de methoden en voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de wet, op basis van de ontvangen meetgegevens en gebruikt de calorische waarden voor de omzetting van meetgegevens naar energetische hoeveelheden. De distributiesysteembeheerder bepaalt na afloop van een maand de calorische omrekenfactor per systeemgebied.

  4. Een distributiesysteembeheerder voor gas stelt de calorische waarden en calorische omrekenfactor per systeemgebied, bedoeld in het derde lid, voor eenieder op toegankelijke wijze beschikbaar.

  5. Een distributiesysteembeheerder voor gas wijst energetische hoeveelheden per onbalansverrekeningsperiode toe aan de balanceringsverantwoordelijken, afhankelijk van de aansluitingcategorie, zoals bepaald op grond van het eerste lid, door:

    1. voor allocatiepunten van kleine aansluitingen en grote aansluitingen als bedoeld in artikel 7.25 van de wet de energetische hoeveelheden te berekenen per balanceringsverantwoordelijke; of

    2. voor allocatiepunten van andere grote aansluitingen de meetgegevens en energievolumes te ontvangen en de energetische hoeveelheden te berekenen.

  6. Een distributiesysteembeheerder voor gas verstrekt de energetische hoeveelheden, bedoeld in het vijfde lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor gas.

  7. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt de energetische hoeveelheden voor de definitieve verrekening van de balancering:

    1. voor allocatiepunten van kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld door meetgegevens te verzamelen, valideren en vast te stellen en energetische hoeveelheden te bepalen bij:

      1. de overgang van een maand;

      2. een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke; of

      3. installatie of vervanging van de meetinrichting.

    2. voor kleine aansluitingen met een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld door energetische volumes te berekenen op basis van door een leverancier aangeleverde meetgegevens voor allocatiepunten:

      1. tenminste eenmaal per twaalf maanden; of

      2. bij een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke;

    3. voor grote aansluitingen door de energetische hoeveelheden per allocatiepunt per maand te berekenen op basis van de meetgegevens.

  8. Een distributiesysteembeheerder voor gas verstrekt de per combinatie van balanceringsverantwoordelijke en leverancier geaggregeerde energetische hoeveelheden, bedoeld in het zevende lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor gas.

Artikel 3.22

De datum, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, van de wet is 15 september.

Artikel 3.23

  1. Het overzicht, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, brengt zowel de vraagzijde als de aanbodzijde van de gasbalans in kaart. Daarbij worden tevens de verwachte import- en exportstromen betrokken.

  2. Bij de raming van de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt gebruikgemaakt van de temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, van de wet.

  3. De benodigde capaciteit, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt geraamd op basis van de omstandigheden beschreven in artikel 5, eerste lid, van verordening 2017/1938. Daarbij wordt de benodigde capaciteit bepaald op grond van de laagste gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  4. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een zeven dagen durende koude periode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  5. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een koude periode van dertig dagen die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  6. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een periode van dertig dagen die representatief is voor gemiddelde winterse omstandigheden.

  7. In het overzicht van de vraag en vraagontwikkeling van hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a en d, tweede lid, onderdeel f en derde lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt de vraag naar gas nader onderverdeeld in:

    1. de verwachte binnenlandse gasvraag en de export per land;

    2. ten aanzien van de binnenlandse vraag: onderscheid tussen de gasvraag van eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas, op een distributiesysteem voor gas en op een gesloten systeem;

    3. ten aanzien van de eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas: onderscheid tussen de vraag van gascentrales en overige eindafnemers van gas.

  8. De benodigde hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel c, van de wet, zien in ieder geval op de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas uitgedrukt in TWh die op 1 november van het volgende kalenderjaar dienen te zijn opgeslagen.

  9. De temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, onderdeel b, van de wet, omvatten ten minste een koudste, een gemiddelde en een warmste scenario op basis van temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar. De transmissiesysteembeheerder voor gas geeft aan welk gasjaar als referentie dient voor deze specifieke temperatuurscenario's.

  10. Bij de berekening van de vraag naar gas gaat de transmissiesysteembeheerder voor gas ten minste uit van:

    1. een systematiek van graaddagen, gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur en 14 °C, volgens de formule: D = Σ max[(14 – Teff),0]; en

    2. temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar op basis waarvan hij een verband legt tussen het aantal graaddagen en de vraag naar gas.

Artikel 3.24

  1. Het door een transmissie- of distributiesysteembeheerder gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem bestaat ten minste uit:

    1. de voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen, plannen en procedures om het nagestreefde kwaliteitsniveau te bereiken en de beheersing te verbeteren;

    2. de procedure voor het identificeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem en het ontwikkelen, prioriteren en implementeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem;

    3. processen voor:

      1. het beheer van de bedrijfsmiddelen;

      2. de identificatie en beheersing van risico’s die een bedreiging vormen voor de kwaliteitsniveaus, waarbij tevens de prioritering van maatregelen voor het adresseren van deze risico’s betrokken wordt;

      3. de beoordeling van de toestand van bedrijfsmiddelen;

    4. het proces en de doelstellingen van beoordelingen door de directie en beoordelingen door de leiding van het meest betrokken bedrijfsonderdeel.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder monitort doorlopend de werking van het kwaliteitsborgingssysteem en past de plannen, processen en procedures waar noodzakelijk aan.

  3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder evalueert de doeltreffendheid van het kwaliteitsborgingssysteem ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteitsaspecten ten minste eenmaal per zes jaren. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wijzigt de transmissie- of distributiesysteembeheerder de plannen, processen en procedures.

Artikel 3.25

De voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel a, zijn ten minste:

  1. het vaststellen en registreren van de benodigde gegevens voor het monitoren van de kwaliteitsniveaus;

  2. het opstellen en toepassen van procedures voor het ontvangen en verwerken van meldingen van onderbrekingen en storingen;

  3. het opstellen en toepassen van procedures voor het registreren van de gegevens die nodig zijn voor de kritische prestatie-indicatoren, waaronder:

    1. de toedeling van verantwoordelijkheden binnen dat proces;

    2. het waarborgen van de vakbekwaamheid van de bij de registratie betrokken personen;

    3. het voorkomen van verlies of wijziging van de geregistreerde gegevens;

  4. het bijhouden van een actueel en volledig bedrijfsmiddelenregister, alsmede het bijhouden van wijzigingen van het register, waarbij wijzigingen binnen twee maanden worden geregistreerd en de verwerkingstijd van deze wijzigingen wordt bijgehouden;

  5. het bijhouden van wijzigingen in de toestand van de bedrijfsmiddelen ten opzichte van het vorige kwaliteitsplan;

  6. het bijhouden van een register van actuele en toekomstige risico’s die een bedreiging vormen voor het realiseren van de nagestreefde kwaliteitsniveaus en het vaststellen van maatregelen om die risico’s te adresseren;

  7. het opstellen en toepassen van maatregelen voor het veiligstellen en beëindigen van storingen en onderbrekingen;

  8. het opstellen en toepassen van een plan voor het uit te voeren onderhoud en de daarvoor benodigde werkzaamheden.

Artikel 3.26

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas vermeldt in het bedrijfsmiddelenregister:

    1. de materiaalsoort, de functie, de diameter en de lengte van een leiding;

    2. het aanlegjaar van de leiding of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin de leiding is gelegd;

    3. de druk, gemeten in bar, waaronder een leiding gebruikt wordt;

    4. in geval van een stalen leiding, de bekleding van de leiding en de vermelding of sprake is van kathodische bescherming van de leiding;

    5. de stations en appendages, alsmede de datum van ingebruikneming of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode van ingebruikneming.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit vermeldt in het bedrijfsmiddelenregister:

    1. het materiaal van de kern, het isolatiemateriaal en de diameter van de leiding;

    2. het aanlegjaar van de leiding of, indien dat niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin de leiding is aangelegd;

    3. de vermelding van het spanningsniveau waarop een leiding functioneert;

    4. de lengte van een leiding tussen twee schakelstations en de lengte van elk leidingsdeel van die leiding;

    5. de transformatoren, spanningsruimtes, stationsvelden en schakel- en regelstations, alsmede de datum van ingebruikneming of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode van ingebruikneming.

Artikel 3.27

  1. Bij het beschrijven van de onderdelen, bedoeld in artikel 3.32, tweede lid, van het besluit, neemt de transmissie- of distributiesysteembeheerder in het kwaliteitsplan ten minste volgordelijk op:

    1. de missie, visie en strategie met betrekking tot het beheersen van de kwaliteitsaspecten;

    2. de kritische prestatie-indicatoren en streefwaardes, weergegeven per kwaliteitsaspect;

    3. de realisatie per kalenderjaar ten aanzien van de kritische prestatie-indicatoren en streefwaardes ten opzichte van de vijf voorgaande jaren, waarbij de kritische prestatie-indicatoren, genoemd in de artikelen 3.28 en 3.29, apart worden weergegeven;

    4. een weergave van de toestand van alle leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit of gas, waarbij:

      1. de toestand wordt weergegeven ten opzichte van het vorige kwaliteitsplan;

      2. onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfsmiddelen en, indien van toepassing, druk- of spanningsniveaus;

    5. een vermelding van de actualiteit en volledigheid van het bedrijfsmiddelenregister, zoals voorgeschreven in artikel 3.25, onderdeel d;

    6. de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s voor de kwaliteitsniveaus op de verschillende kwaliteitsaspecten die worden nagestreefd;

    7. de bestaande en toekomstige organisatorische knelpunten voor de realisatie van de streefwaardes bij de verschillende kwaliteitsniveaus en kritische prestatie-indicatoren, waarbij de organisatorische knelpunten worden gerapporteerd op basis van de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s;

    8. de bestaande en toekomstige fysieke knelpunten, beschreven op generieke wijze aan de hand van de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s waar vergelijkbare gebeurtenissen en situaties optreden en vergelijkbare objecten of onderdelen daarvan getroffen worden;

    9. een beschrijving van de maatregelen voor het adresseren van de knelpunten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen organisatorische en fysieke knelpunten;

    10. een beschrijving van de systematiek waarmee knelpunten worden geanalyseerd, waarbij wordt aangegeven hoe de systematiek zich verhoudt tot de gehanteerde systematiek voor de analyse van knelpunten, bedoeld in artikel 3.4;

    11. de uitkomsten van de jaarlijkse beoordeling door de directie die vermeldt:

      1. de voortgang ten aanzien van de realisatie van de gestelde streefwaarden, weergegeven per kritische prestatie-indicator;

      2. welke factoren en knelpunten de voortgang belemmeren;

      3. welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de voortgang te bespoedigen en welke strategische afwegingen hierbij zijn gemaakt;

      4. de eventuele bijgestelde streefwaarden en kritische prestatie-indicatoren en de reden waarom deze zijn bijgesteld;

      5. hoe het kwaliteitsmanagement functioneert;

    12. de resultaten van de periodieke evaluatie van het kwaliteitsborgingssysteem, waarbij wordt beschreven op welke wijze de resultaten leiden tot eventuele aanpassingen van het kwaliteitsborgingssysteem.

  2. Indien een transmissiesysteembeheerder zowel beheerder is van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee als van een ander systeem, wordt in het kwaliteitsplan informatie over het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee zelfstandig weergegeven.

  3. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder kritische prestatie-indicatoren hanteert in aanvulling op kritische prestatie-indicatoren die in de artikelen 3.28 en 3.29 zijn genoemd, beschrijft de transmissie- of distributiesysteembeheerder in het kwaliteitsplan op welke wijze de uitkomst van de belangrijkste indicatoren wordt berekend.

Artikel 3.28

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit beschrijft ten minste de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan:

    1. bij het kwaliteitsaspect veiligheid: het aantal voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, onderscheidend naar de ernst;

    2. bij het kwaliteitsaspect betrouwbaarheid van het systeem: de jaarlijkse duur, gemiddelde duur en frequentie van onderbrekingen van het transport van elektriciteit van ten minste vijf seconden;

    3. bij het kwaliteitsaspect productkwaliteit: het aantal door de transmissie- of distributiesysteembeheerder vastgestelde overschrijdingen van op grond van artikel 3.121 van de wet goedgekeurde methoden of voorwaarden voor spanningskwaliteit;

    4. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van de dienstverlening: de gemiddelde jaarlijkse duur van de periode tussen het aanvragen en het in gebruik geven van een aansluiting, onderscheidend naar systeemvlak waarop de aansluitingen zijn gerealiseerd;

    5. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan: de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit maakt bij de beschrijving van de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, steeds onderscheid tussen:

    1. onderbrekingen die de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste drie werkdagen van tevoren heeft aangekondigd; en

    2. overige onderbrekingen.

  3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de jaarlijkse duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / TA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking;

    3. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    4. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  4. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de gemiddelde duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / Σ GA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de frequentie van onderbrekingen als volgt: Σ GA / TA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  6. De transmissie- of distributiesysteembeheerder bepaalt:

    1. het aantal getroffen aansluitingen en het totale aantal aansluitingen op basis van het totale aantal aansluitingen op 1 januari van het jaar waarin de onderbreking plaatsvond op het transmissie- of distributiesysteem waar de onderbreking heeft plaatsgevonden en, indien van toepassing, een verbonden transmissie- of distributiesysteem met een gelijk of lager spanningsniveau;

    2. de aanvang van een onderbreking als het moment van ontvangst van de eerste melding van de onderbreking, of, indien dat eerder is, het moment van vaststelling van de onderbreking door de transmissie- of distributiesysteembeheerder.

Artikel 3.29

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas beschrijft ten minste de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan:

    1. bij het kwaliteitsaspect betrouwbaarheid: de jaarlijkse duur, gemiddelde duur en frequentie van onderbrekingen van het transport van gas waarbij de druk in het transmissie- of distributiesysteem dermate laag is dat een aangesloten installatie niet werkt;

    2. bij het kwaliteitsaspect veiligheid:

      1. het aantal door de transmissie- of distributiesysteembeheerder vastgestelde lekken in het transmissie- of distributiesysteem, bestaande uit:

        1. i

          lekken waardoor nadelige gevolgen ontstaan voor mens of milieu; en

        2. ii

          overige lekken;

      2. de gemiddelde jaarlijkse aanrijdtijd voor een acute systeemstoring;

      3. het aantal voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan;

      4. het aantal voorvallen dat een grootschalige ontruiming of een grootschalige onderbreking van het transport van gas veroorzaakt;

    3. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van de dienstverlening: de gemiddelde jaarlijkse duur van de periode tussen het aanvragen en het in gebruik geven van een aansluiting;

    4. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan: de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata.

  2. In aanvulling op het eerste lid beschrijft een transmissiesysteembeheerder voor gas de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan bij het kwaliteitsaspect veiligheid:

    1. het aantal lekken in de aansluitingen;

    2. het aantal onderbrekingen van het transport van gas waarbij de druk in het transmissie- of distributiesysteem zo laag is dat een aangesloten installatie niet werkt, met uitzondering van onderbrekingen die aan de afnemer kunnen worden toegerekend;

    3. de gemiddelde duur van het veiligstellen van een acute systeemstoring.

  3. Artikel 3.28, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing op de beschrijving van de kritische prestatie-indicatoren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  4. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas berekent de gemiddelde jaarlijkse aanrijdtijd als volgt: Σ (TR) / S, waarbij:

    1. TR de aanrijdtijd bij een acute systeemstoring betreft, in minuten vanaf het tijdstip van ontvangst van de melding van een acute systeemstoring tot het tijdstip van aankomst op de locatie van de acute systeemstoring;

    2. S het totale aantal acute systeemstoringen betreft; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle acute systeemstoringen in het desbetreffende jaar.

  5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas berekent de gemiddelde duur van het veiligstellen van een acute systeemstoring als volgt: Σ (TV) / S, waarbij:

    1. TV de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang van de acute systeemstoring en het moment waarop geen onmiddellijk gevaar meer bestaat voor personen of objecten;

    2. S het totale aantal acute systeemstoringen betreft; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle acute systeemstoringen in het desbetreffende jaar.

Artikel 3.30

Een ontwerpkwaliteitsplan als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, van het besluit wordt voorgelegd uiterlijk op de eerste dag na 1 januari van een oneven kalenderjaar die niet een zaterdag of een zondag is.

Artikel 3.31

Bij een melding als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, van het besluit vermeldt de transmissie- of distributiesysteembeheerder:

  1. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;

  2. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen gassen, alsmede hun eigenschappen en de hoeveelheden die zijn vrijgekomen;

  3. de aard en de ernst van de gevolgen voor de mens of het milieu van het voorval;

  4. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;

  5. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om te voorkomen dat het voorval zich nogmaals kan voordoen.

Artikel 3.32

  1. Bij een registratie als bedoeld in artikel 3.36, vijfde lid, van het besluit registreert de transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of beheerder van een gesloten systeem:

    1. een uniek nummer per registratie;

    2. de datum en het tijdstip van de melding;

    3. de locatie, de aard, de oorzaak en het aantal getroffen aansluitingen;

    4. de datum en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    5. het spannings- of drukniveau van het deel van het systeem waar de onderbreking of het voorval zich heeft voorgedaan;

    6. of de veiligheid van personen of objecten door het voorval of de onderbreking onmiddellijk in gevaar is geweest.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas of beheerder van een gesloten systeem voor gas registreert in geval van een waarneming de wijze waarop die waarneming is gedaan.

  3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee maakt onderbrekingen bekend via het internet.

  4. Bij de toepassing van het eerste, lid, onderdelen a tot en met e, en het derde lid, maakt de betreffende systeembeheerder steeds onderscheid tussen:

    1. onderbrekingen die de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste drie werkdagen van tevoren heeft aangekondigd; en

    2. overige onderbrekingen.

Artikel 3.33

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder beschikt over een calamiteitenplan waarin de volgende onderdelen in ieder geval aan bod komen:

    1. de visie, uitgangspunten en strategie met betrekking tot crisismanagement;

    2. de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van crisismanagers;

    3. de crisisorganisatie;

    4. de besluitvormingsstructuur;

    5. de wijze van alarmering en opschaling van activiteiten;

    6. interne en externe communicatieafspraken.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder stemt het calamiteitenplan af met de hulpverlenende diensten die bij calamiteiten over het algemeen worden ingeschakeld.

Artikel 3.34

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan de Autoriteit Consument en Markt een voorstel voor zijn tarieven als bedoeld in artikel 3.110, eerste lid, van de wet.

  2. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een voorstel voor zijn tarieven aan de Autoriteit Consument en Markt zendt, stelt de Autoriteit Consument en Markt de tarieven voor deze systeembeheerder uit eigen beweging vast met inachtneming van artikel 3.110 van de wet.

Artikel 3.35

  1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of tenminste een derde van de distributiesysteembeheerders voor elektriciteit of gas kan de overige transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, onderscheidenlijk voor gas, verzoeken om een gezamenlijk voorstel te doen tot wijziging van de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de wet, onder opgave van de redenen voor een dergelijke wijziging.

  2. De transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, indien relevant met de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor gas zenden een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de Autoriteit Consument en Markt binnen twaalf weken na de dag waarop een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan.

Artikel 3.36

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 3.120, derde lid, onderdeel b, van de wet een ontwerp voor wijziging van de methoden en voorwaarden opstelt, stelt zij de transmissie- of distributiesysteembeheerders voor elektriciteit of gas, indien relevant de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, en de relevante representatieve organisaties van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken binnen twaalf weken na de dag waarop dat ontwerp aan hen is toegezonden.

Artikel 3.37

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 3.121, derde lid, van de wet eist dat de aan haar voorgelegde methoden of voorwaarden worden gewijzigd, is artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, onverminderd de toepassing van beslistermijnen bij of krachtens verordening 2024/1789, verordening 2019/943 of andere bindende Europese rechtshandelingen.

Artikel 3.38

  1. Een LNG-beheerder zendt een door hem opgesteld voorstel voor de berekeningsmethode voor de tarieven als bedoeld in artikel 3.115, eerste lid, van de wet, of voor methoden en voorwaarden als bedoeld in artikel 3.123, eerste lid, van de wet, onverwijld ter goedkeuring aan de Autoriteit Consument en Markt.

  2. Indien de Autoriteit Consument en Markt goedkeuring onthoudt aan de berekeningsmethode voor de tarieven of de methoden of voorwaarden, stelt de LNG-beheerder zo spoedig mogelijk een aangepast voorstel daarvoor op met inachtneming van de aanwijzingen in de beslissing van de Autoriteit Consument en Markt en zendt dit aangepaste voorstel wederom onverwijld ter goedkeuring aan de Autoriteit Consument en Markt.

  3. De LNG-beheerder stelt de berekeningsmethode voor de tarieven of de methoden en voorwaarden vast en deze treden niet eerder in werking dan nadat het besluit tot goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt in werking is getreden.

Artikel 3.39

  1. Een distributiesysteembeheerder met een jaaromzet van ten hoogste € 500 miljoen voldoet aan de financiële ratio’s voor het aantonen van zijn kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 3.41, derde lid, van het besluit, indien:

    1. het quotiënt van enerzijds het bedrijfsresultaat voor rente en belasting en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 1,7 bedraagt;

    2. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is, en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 2,5 bedraagt;

    3. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is en anderzijds de totale schuld ten minste 0,11 bedraagt; en

    4. het quotiënt van enerzijds de totale schuld en anderzijds de som van de totale schuld en het eigen vermogen inclusief minderheidsbelangen en preferente aandelen ten hoogste 0,7 bedraagt.

  2. Indien de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek neemt deze in de berekening, bedoeld in het eerste lid, tevens de financiële verplichtingen op van tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen die ten laste kunnen komen van de distributiesysteembeheerder.

  3. De jaaromzet, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks geïndexeerd met de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP).

  4. De distributiesysteembeheerder verstrekt jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt een toelichting met betrekking tot de in de komende vijf jaren voorziene ontwikkeling van de quotiënten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.40

  1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, interconnectorsysteembeheerder, LNG-beheerder of gasopslagbeheerder publiceert uiterlijk op 1 oktober na afloop van het boekjaar:

    1. een volledig jaarverslag, inclusief jaarrekening, op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; of

    2. een financieel verslag, vergezeld van een controleverklaring van een onafhankelijke accountant, met ten minste de volgende informatie:

      1. een winst-en-verliesrekening;

      2. een overzicht van het totaalresultaat;

      3. een balans;

      4. een kasstroomoverzicht;

      5. een mutatieoverzicht van het eigen vermogen;

      6. een toelichting op de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling, bijzondere of omvangrijke transacties en gebeurtenissen, de financiering, waaronder rentedragende leningen, gebeurtenissen na balansdatum en de winstbestemming.

  2. In aanvulling op het jaarverslag of financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, publiceert een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, uiterlijk op 1 oktober na afloop van het boekjaar de volgende informatie:

    1. de winst- en verliesrekening, waaronder het bedrijfsresultaat, exclusief financiële baten en lasten, belastingen en resultaten van niet-geconsolideerde deelnemingen, voor:

      1. het totaal van de activiteiten, en

      2. de activiteiten onderverdeeld naar de verschillende onderdelen van de taakuitoefening op het gebied van elektriciteit of gas, met een toelichting daarop;

    2. voor een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, een verklaring dat de financiële verhouding ten opzichte van de infrastructuurbedrijven waarmee hij een groep vormt voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3.22 van de wet; en

    1. indien dit niet in het jaarverslag of het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen:

      1. een verslag van de ontwikkelingen van de investeringen in zijn systemen;

      2. een verslag van de ontwikkelingen van de betrouwbaarheid van zijn systemen;

      3. een analyse van de financiële toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten.

Artikel 3.41

  1. De transmissiesysteembeheerder en, indien zij over deze gegevens beschikken, de distributiesysteembeheerders dragen gezamenlijk zorg voor het dagelijks zo nauwkeurig mogelijk beschikbaar stellen van gegevens over het aandeel hernieuwbare elektriciteit en het gehalte aan broeikasgasemissies van de op het Nederlandse grondgebied geleverde elektriciteit in tijdsintervallen die ten minste overeenkomen met de onbalansverrekeningsperiode, waar mogelijk inclusief prognoses.

  2. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit draagt zorg voor het dagelijks publiceren van de dynamische referentieprijs.

  3. De bewerking en verrijking van de gegevens door de transmissie- of distributiesysteembeheerder, genoemd in het eerste en het tweede lid, dienen gericht te zijn op het voor gebruikers op een toegankelijke wijze beschikbaar stellen waarbij de gebruiker de mogelijkheid van hergebruik en machine-uitleesbaarheid heeft.

Artikel 3.42

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit stelt het verslag op over de geraamde flexibiliteitsbehoeften, bedoeld in artikel 19 sexies, eerste lid, van verordening 2019/943 en verzendt dit aan de Autoriteit Consument en Markt.

Artikel 3.43

  1. Toegang tot een gasopslagsysteem is noodzakelijk voor de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit, bedoeld in artikel 3.47, derde lid, van het besluit, indien:

    1. het gasopslagsysteem een seizoensopslag is;

    2. het geheel of gedeeltelijk vullen van het gasopslagsysteem noodzakelijk is voor het realiseren van de op grond van artikel 6bis van verordening 2017/1938 vastgestelde verplichte vuldoelen of het door de minister vastgestelde vuldoel, bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, van het besluit; en

    3. de niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit van het opslagsysteem niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen wordt aangeboden, of redelijkerwijs voorzien is dat deze opslagcapaciteit in het volgende opslagjaar niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen zal worden aangeboden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het gedeelte van een gasopslagsysteem dat gebruikt wordt als strategische opslag als bedoeld in artikel 2, onderdeel 29, van verordening 2017/1938.

Artikel 3.44

  1. Dit artikel is van toepassing op de procedure voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, van de wet.

  2. De minister motiveert een besluit tot verlening of weigering van een ontheffing ten minste aan de hand van de aspecten, genoemd in artikel 78, eerste lid, derde alinea, en negende lid, onderdelen a tot en met e, van verordening 2024/1789.

  3. De minister kan aan een ontheffing voorwaarden verbinden ter uitvoering van artikel 78, eerste lid, derde alinea, en zesde lid, derde alinea, van verordening 2024/1789.

  4. Een ontheffing treedt in werking de dag nadat:

    1. de goedkeuring van de Europese Commissie, bedoeld in artikel 78, tiende lid, van verordening 2024/1789, is bekendgemaakt; of

    2. het besluit tot aanpassing aan een wijzigingsverzoek van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 78, tiende lid, van verordening 2024/1789 is bekendgemaakt.

  5. De minister doet in de Staatscourant mededeling van een verleende ontheffing en van een besluit tot aanpassing aan een wijzigingsverzoek van de Europese Commissie.

Artikel 3.45

  1. Voor het bepalen van de windsnelheid, bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van metingen van de volgende meetstations:

  2. Indien de op grond van artikel 3.48 bepaalde windrichting tussen 0 en 180 graden is, wordt alleen gebruik gemaakt van de gegevens van meetstations op zee.

  3. Indien met betrekking tot de windsnelheid sprake is van onvoldoende beschikbaarheid van gegevens als bedoeld in artikel 3.51, wordt de windsnelheid bepaald op basis van metingen van de windsnelheid door één of meerdere LiDAR-systemen binnen of nabij het desbetreffende windenergiegebied.

Artikel 3.46

  1. Voor het bepalen van de windsnelheid worden de windsnelheidsmetingen op basis van artikel 3.45 verticaal geëxtrapoleerd tot de ashoogte van een windpark door middel van de volgende formule:

    , waarin

    VAH = de berekende windsnelheid op de ashoogte van een windpark [m/s];

    Vref = de 10 minuten gemiddelde gemeten windsnelheid [m/s];

    hHH = de ashoogte van een windpark boven gemiddeld zeeniveau [m];

    href = de hoogte boven gemiddeld zeeniveau waarop de windsnelheid is gemeten [m];

    α = 0,10 voor meetstations op zee en 0,16 voor meetstations op land.

  2. De verticaal geëxtrapoleerde windsnelheden worden horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het desbetreffende windpark. Daarbij worden de geëxtrapoleerde windsnelheden gewogen naar de afstanden tussen de meetstations en de locatie van het platform van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee op zee waarop het desbetreffende windpark is aangesloten, volgens de onderstaande formule:

    , waarin

    VHWP = de windsnelheid op ashoogte van een windpark;

    nws = het aantal gebruikte meetstations;

    VAHi = de naar ashoogte van een windpark geëxtrapoleerde windsnelheid gemeten op meetstation i;

    Di = de afstand tussen meetstation i en het centrum van het windpark.

Artikel 3.47

Het productieprofiel van een windpark, bedoeld in artikel 3.51, tweede en vierde lid, van het besluit, wordt bepaald door het geleverde vermogen van het windpark per windsnelheidsklasse van 0,5 meter per seconde tussen:

  1. de windsnelheid waarboven een windturbine of windpark elektriciteit begint te genereren en

  2. de windsnelheid waarboven een windturbine of windpark uitschakelt om schade door een te hoge snelheid van de rotor te voorkomen, per windrichtingssector van 30 graden.

Artikel 3.48

  1. De windrichting wordt bepaald op basis van metingen van de windrichting door één of meerdere LiDAR-systemen die zijn gesitueerd binnen of nabij het desbetreffende windenergiegebied.

  2. Indien op basis van het eerste lid onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, wordt de windrichting bepaald op basis van metingen van de windrichting van de meetstations, genoemd in artikel 3.45, eerste lid.

Artikel 3.49

Voor het bepalen van de windrichting worden de op basis van artikel 3.48 gemeten windrichtingen horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het centrum van het desbetreffende windpark. Daarbij worden de gemeten windrichtingen gewogen naar de afstanden tussen de meetstations en de locatie van het platform van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee waarop het desbetreffende windpark is aangesloten, volgens de onderstaande formule:

Bijlage 273699

, waarin

ΦWPL = de windrichting voor de windparklocatie;

nws = het aantal gebruikte meetstations;

Φi = de windrichting gemeten op meetstation i;

Di = de afstand tussen meetstation i en het centrum van het windpark.

Artikel 3.50

  1. Het LiDAR-systeem wordt bediend door en is in beheer van een ter zake kundige partij die geen belangen heeft ten aanzien van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee of de daarop aangesloten windparken.

  2. De ruwe meetgegevens, de daarop uitgevoerde correcties en bewerkingen en de uiteindelijk verkregen meetwaarden van de windsnelheid en windrichting van het LiDAR-systeem zijn openbaar toegankelijk.

Artikel 3.51

Er is sprake van onvoldoende gegevens om de gemiste elektriciteitsproductie vast te stellen als bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit indien:

  1. van minder dan twee meetstations meetgegevens van de windsnelheid of windrichting beschikbaar zijn gedurende de periode waarin het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was, waarbij er per meetstation voor ten minste 95% van de tijd dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was meetgegevens van de windsnelheid dan wel windrichting beschikbaar zijn;

  2. voor minder dan 95% van de tijd dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was meetgegevens van de windsnelheid of de windrichting door een LiDAR-systeem beschikbaar zijn.

Artikel 3.52

Indien sprake is van onvoldoende gegevens als bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit wordt de gemiste elektriciteitsproductie bepaald volgens de onderstaande formule:

Bijlage 273700

, waarin

Everlies = de gemiste elektriciteitsproductie [MWh];

Ejaar = de gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsproductie, dit is het product van het aantal vollasturen, waarbij de verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie voor een gegeven combinatie van locatie en installatie voor de opwekking van elektriciteit voor de productie van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50% en het geïnstalleerde vermogen van het windpark [MWh];

Hruai = het aantal uren in maand i dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet of verminderd beschikbaar was [uur];

Hrmaand i = het totale aantal uren in maand i [uur];

Eim = de elektriciteitsproductie in maand i, als percentage van de totale jaarlijkse elektriciteitsproductie [MWh], volgens de onderstaande tabel:

kalendermaand

Percentage van de jaarlijkse elektriciteitsproductie

Januari

10,40%

Februari

8,83%

Maart

8,86%

April

7,48%

Mei

8,12%

Juni

6,63%

Juli

6,11%

Augustus

6,97%

September

6,76%

Oktober

9,81%

November

8,71%

December

11,33%

Artikel 3.53

De hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee getransporteerd kan worden voor windparken die tevens zijn ontsloten door middel van een interconnector, wordt bepaald door de beschikbare transportcapaciteit op die interconnector in mindering te brengen op de hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan worden getransporteerd, bedoeld in artikel 3.51, vierde lid van het besluit.

← terug naar Energieregeling