1. Het overzicht, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, brengt zowel de vraagzijde als de aanbodzijde van de gasbalans in kaart. Daarbij worden tevens de verwachte import- en exportstromen betrokken.

  2. Bij de raming van de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt gebruikgemaakt van de temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, van de wet.

  3. De benodigde capaciteit, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt geraamd op basis van de omstandigheden beschreven in artikel 5, eerste lid, van verordening 2017/1938. Daarbij wordt de benodigde capaciteit bepaald op grond van de laagste gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  4. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een zeven dagen durende koude periode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  5. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een koude periode van dertig dagen die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  6. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een periode van dertig dagen die representatief is voor gemiddelde winterse omstandigheden.

  7. In het overzicht van de vraag en vraagontwikkeling van hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a en d, tweede lid, onderdeel f en derde lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt de vraag naar gas nader onderverdeeld in:

    1. de verwachte binnenlandse gasvraag en de export per land;

    2. ten aanzien van de binnenlandse vraag: onderscheid tussen de gasvraag van eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas, op een distributiesysteem voor gas en op een gesloten systeem;

    3. ten aanzien van de eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas: onderscheid tussen de vraag van gascentrales en overige eindafnemers van gas.

  8. De benodigde hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel c, van de wet, zien in ieder geval op de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas uitgedrukt in TWh die op 1 november van het volgende kalenderjaar dienen te zijn opgeslagen.

  9. De temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, onderdeel b, van de wet, omvatten ten minste een koudste, een gemiddelde en een warmste scenario op basis van temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar. De transmissiesysteembeheerder voor gas geeft aan welk gasjaar als referentie dient voor deze specifieke temperatuurscenario's.

  10. Bij de berekening van de vraag naar gas gaat de transmissiesysteembeheerder voor gas ten minste uit van:

    1. een systematiek van graaddagen, gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur en 14 °C, volgens de formule: D = Σ max[(14 – Teff),0]; en

    2. temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar op basis waarvan hij een verband legt tussen het aantal graaddagen en de vraag naar gas.