1. Het door een transmissie- of distributiesysteembeheerder gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem bestaat ten minste uit:

    1. de voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen, plannen en procedures om het nagestreefde kwaliteitsniveau te bereiken en de beheersing te verbeteren;

    2. de procedure voor het identificeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem en het ontwikkelen, prioriteren en implementeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem;

    3. processen voor:

      1. het beheer van de bedrijfsmiddelen;

      2. de identificatie en beheersing van risico’s die een bedreiging vormen voor de kwaliteitsniveaus, waarbij tevens de prioritering van maatregelen voor het adresseren van deze risico’s betrokken wordt;

      3. de beoordeling van de toestand van bedrijfsmiddelen;

    4. het proces en de doelstellingen van beoordelingen door de directie en beoordelingen door de leiding van het meest betrokken bedrijfsonderdeel.

  2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder monitort doorlopend de werking van het kwaliteitsborgingssysteem en past de plannen, processen en procedures waar noodzakelijk aan.

  3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder evalueert de doeltreffendheid van het kwaliteitsborgingssysteem ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteitsaspecten ten minste eenmaal per zes jaren. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wijzigt de transmissie- of distributiesysteembeheerder de plannen, processen en procedures.