1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit beschrijft ten minste de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan:

    1. bij het kwaliteitsaspect veiligheid: het aantal voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, onderscheidend naar de ernst;

    2. bij het kwaliteitsaspect betrouwbaarheid van het systeem: de jaarlijkse duur, gemiddelde duur en frequentie van onderbrekingen van het transport van elektriciteit van ten minste vijf seconden;

    3. bij het kwaliteitsaspect productkwaliteit: het aantal door de transmissie- of distributiesysteembeheerder vastgestelde overschrijdingen van op grond van artikel 3.121 van de wet goedgekeurde methoden of voorwaarden voor spanningskwaliteit;

    4. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van de dienstverlening: de gemiddelde jaarlijkse duur van de periode tussen het aanvragen en het in gebruik geven van een aansluiting, onderscheidend naar systeemvlak waarop de aansluitingen zijn gerealiseerd;

    5. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan: de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata.

  2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit maakt bij de beschrijving van de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, steeds onderscheid tussen:

    1. onderbrekingen die de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste drie werkdagen van tevoren heeft aangekondigd; en

    2. overige onderbrekingen.

  3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de jaarlijkse duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / TA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking;

    3. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    4. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  4. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de gemiddelde duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / Σ GA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de frequentie van onderbrekingen als volgt: Σ GA / TA, waarbij:

    1. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    2. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    3. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  6. De transmissie- of distributiesysteembeheerder bepaalt:

    1. het aantal getroffen aansluitingen en het totale aantal aansluitingen op basis van het totale aantal aansluitingen op 1 januari van het jaar waarin de onderbreking plaatsvond op het transmissie- of distributiesysteem waar de onderbreking heeft plaatsgevonden en, indien van toepassing, een verbonden transmissie- of distributiesysteem met een gelijk of lager spanningsniveau;

    2. de aanvang van een onderbreking als het moment van ontvangst van de eerste melding van de onderbreking, of, indien dat eerder is, het moment van vaststelling van de onderbreking door de transmissie- of distributiesysteembeheerder.