Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.50, vierde lid, van de wet bevat ten minste:

  1. het nummer waaronder de aanvrager in het handelsregister is ingeschreven;

  2. bescheiden waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, van het besluit;

  3. een verklaring van de aanvrager dat deze niet in staat van faillissement verkeert en geen surseance van betaling is verleend;

  4. een inschatting van de kosten, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.