1. Een distributiesysteembeheerder met een jaaromzet van ten hoogste € 500 miljoen voldoet aan de financiële ratio’s voor het aantonen van zijn kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 3.41, derde lid, van het besluit, indien:

    1. het quotiënt van enerzijds het bedrijfsresultaat voor rente en belasting en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 1,7 bedraagt;

    2. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is, en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 2,5 bedraagt;

    3. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is en anderzijds de totale schuld ten minste 0,11 bedraagt; en

    4. het quotiënt van enerzijds de totale schuld en anderzijds de som van de totale schuld en het eigen vermogen inclusief minderheidsbelangen en preferente aandelen ten hoogste 0,7 bedraagt.

  2. Indien de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek neemt deze in de berekening, bedoeld in het eerste lid, tevens de financiële verplichtingen op van tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen die ten laste kunnen komen van de distributiesysteembeheerder.

  3. De jaaromzet, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks geïndexeerd met de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP).

  4. De distributiesysteembeheerder verstrekt jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt een toelichting met betrekking tot de in de komende vijf jaren voorziene ontwikkeling van de quotiënten, bedoeld in het eerste lid.