Een transmissie- of distributiesysteembeheerder informeert een aangeslotene zo spoedig mogelijk na ontvangst van een melding op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet van een situatie als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van het besluit met betrekking tot diens aansluiting, met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 3.12, en vermeldt daarbij:
dat de aansluiting of een aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt buiten werking wordt gesteld nadat de betreffende situatie, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de wet intreedt;
hoe de aangeslotene het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt kan voorkomen;
de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.