1. Een distributiesysteembeheerder neemt, indien hij op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet een melding ontvangt dat de levering op een aan een kleine aansluiting toegekend allocatiepunt zal worden beëindigd, de volgende maatregelen:

    1. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene zo spoedig mogelijk dat de aansluiting of een aan zijn aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt buiten werking wordt gesteld na de datum waarop de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel eindigt en vermeldt daarbij de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt;

    2. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt niet buiten werking zal worden gesteld in de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 2.46, dan wel indien de aangeslotene weer een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel heeft gesloten voor het verbruik op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.

  2. Een distributiesysteembeheerder stelt de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt niet eerder buiten werking dan nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen en de leveringsovereenkomst of de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel is geëindigd en voorts geen melding is ontvangen van hervatting van de levering of van een nieuwe leverancier voor levering op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt. De distributiesysteembeheerder spant zich maximaal in om de aangeslotene in een persoonlijk contact voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt te wijzen op mogelijkheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, om het buiten werking stellen en de daaraan verbonden kosten alsnog te voorkomen.

  3. De distributiesysteembeheerder biedt de aangeslotene aan om met hem in contact te treden om een betalingsregeling te treffen voor de kosten van het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt en, indien van toepassing, de kosten voor het weer in werking stellen daarvan, en biedt een redelijke en passende betalingsregeling aan indien de aangeslotene op dit aanbod in gaat. Indien betaling uitblijft en de aangeslotene niet zelf in contact treedt met de distributiesysteembeheerder spant de distributiesysteembeheerder zich maximaal in om in persoonlijk contact te treden met de aangeslotene, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen of zich te wenden tot een instantie voor schuldhulpverlening.

  4. De distributiesysteembeheerder draagt er zorg voor dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt zo spoedig mogelijk weer in werking wordt gesteld indien hij een melding ontvangt dat de vergunninghouder de levering hervat op grond van het bepaalde in artikel 2.47 en, tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 2.47, onderdeel c, zijn vordering voor de kosten van het buiten werking stellen en weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt wordt betrokken bij het traject van schuldhulpverlening.