Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu (3)
Afdeling Voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden (3)
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen (3)
Afdeling Evenementen (3)
Afdeling Betaald voetbalwedstrijden (3)
Afdeling Toezicht op horecabedrijven (3)
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet (3)(6)
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf (3)
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden (3)
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade (3)
Afdeling Bestrijding van heling van goederen (3)
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast (3)
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester (3)
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen (3)
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente (3)
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (kortweg: Activiteitenbesluit milieubeheer);

  2. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  5. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een inrichting.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer gebieden

  3. Het college maakt de aanwijzing voor zover mogelijk ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk op het sluitingstijdstip van het betreffende horecabedrijf te worden beëindigd.

  6. Op de collectieve dagen geldt de mogelijkheid om meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor het terras.

  7. Op Koningsdag en Bevrijdingsdag kan op aanvraag tot 22:00 uur muziek worden toegestaan op terrassen, waarvoor een terrasvergunning is verleende, met als bijbehorend geluidsniveau (Lar,LT) maximaal 75 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen.

Artikel 4:3

Ontheffing incidentele festiviteiten (1)

  1. De houder van een inrichting kan maximaal 12 keer per kalenderjaar ontheffing krijgen om van de voor de inrichting geldende geluidsnormen af te wijken voor een incidentele festiviteit. Met ontheffing mogen de geluidsniveaus (Lar,LT) uit afdeling 2.8. Geluidhinder van het Activiteitenbesluit milieubeheer met maximaal 10 dB(A) worden overschreden.

  2. Voor horeca-inrichtingen geldt dat een ontheffing kan worden verleend als met een akoestisch onderzoek is aangetoond wat het binnenniveau in de inrichting kan zijn.

  3. Livemuziek kan worden toegestaan als het binnenniveau in de inrichting tijdens de normale bedrijfsvoering, binnen de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, meer dan 80 dB(A) kan zijn.

  4. De houder van een inrichting kan maximaal 12 keer per kalenderjaar ontheffing krijgen om af te wijken van de tijden zoals genoemd in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  5. Een aanvraag hiervoor dient schriftelijk uiterlijk zes weken voor de aanvang van de activiteit te worden ingediend.

  6. Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere situaties besluiten geen rekening te houden met hetgeen in lid 5 is bepaald.

  7. Een aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: locatie, begin/eindtijdstip, nauwkeurige beschrijving festiviteit en contactpersoon namens de inrichting.

  8. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders dient gedurende de tijdsduur van de incidentele festiviteit binnen de inrichting aanwezig te zijn.

  9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:4

Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    5. Tabel

  2. Voor de duur van 15 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder (3)

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Onder hinder in de zin van dit artikel wordt in ieder geval verstaan elektrisch versterkte muziek afkomstig van een evenement.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6b

Mosquito

  1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet‑openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet‑openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Oplaten van ballonnen (1)

  1. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht.

  2. Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon bestaand uit rubber of kunststof gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of uit papier, gevuld met hete lucht, verwarmd met een vlam (zogenaamde wensballonnen) en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald.

Artikel 4:10

Begripsomschrijvingen (3)

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas, vitaal of afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 63 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking hiervan, geldt het bepaalde over de stamomtrek niet, als er sprake is van:

    • een monumentale houtopstand of waardevolle houtopstand, als bedoeld in artikel 4:11a;

    • een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht, als bedoeld in de artikelen 4:12a en 4:12b;

  2. monumentale houtopstand: is een beschermwaardige houtopstand met een leeftijd van minimaal 80 jaar en/of met een unieke of zeer bijzondere meerwaarde en functie of status voor de omgeving, zoals vermeld op de door het bevoegd gezag vastgestelde lijst met monumentale bomen;

  3. waardevolle houtopstand: is een beschermwaardige houtopstand met een leeftijd van minimaal 40 jaar en/of met een, als structuur of individuele boom of bomengroep, belangrijke meerwaarde en functie of status voor de omgeving, zoals vermeld op de door het bevoegd gezag vastgestelde lijst met waardevolle bomen.

  4. houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen;

  5. hakhout: één of meer bomen, die nadat ze zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  6. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan vijfentwintig procent van de kroon van de boom of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste keer kandelaberen/kandelaren en het verrichten van handelingen, die leiden tot de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand;

  7. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  8. jaar: 12 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning;

  9. gebied: locatie/project zoals aangegeven op de verplicht bij te voegen kaart bij een vergunningaanvraag waaruit blijkt welke bomen de aanvrager wil kappen;

  10. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, als bedoeld in artikel 4.1a, van de Wet natuurbescherming;

  11. onherstelbaar beschadigde/zieke houtopstand: hiervan is sprake als een houtopstand door het treffen van (beheer)maatregelen, naar deskundigen oordeel, niet meer in staat is een voor de omgeving verantwoorde restlevensduur te verkrijgen van minimaal 2 jaar. Dit uitsluitend ter beoordeling en verantwoording door aangewezen gemeentelijke deskundigen.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van houtopstanden (3)

  1. U heeft een omgevingsvergunning nodig voor het vellen of het doen vellen van houtopstand, als:

    1. het aantal te vellen houtopstand 10 of meer is in een gebied per jaar;

    2. de te vellen houtopstand een waardevolle of monumentale houtopstand is, die is opgenomen op de lijst zoals bedoeld in artikel 4.11a.

  2. U heeft geen omgevingsvergunning nodig voor het vellen of het doen vellen van houtopstand als het gaat om:

    1. fruitbomen, met uitzondering van hoogstamfruitbomen, en windschermen om boomgaarden;

    2. naaldbomen, bedoeld om te dienen als kerstboom, als ze niet ouder zijn dan twintig jaar;

    3. kweekgoed;

    4. uit populieren of niet geknotte wilgen bestaande:

      1. wegbeplantingen;

      2. beplantingen langs waterwegen, en

      3. één rijige beplantingen langs landbouwgronden;

    5. het dunnen van bomen;

    6. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa als zij:

      1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;

      2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

      3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

  3. Buiten de bebouwde kom geldt het gestelde in het eerste lid verder niet voor houtopstand buiten erven en tuinen, als ze staan in een zelfstandige eenheid van:

    1. meer dan 10 are of;

    2. rijbeplanting van houtopstand van meer dan 20 gerekend over het totaal aantal rijen.

  4. Ook heeft u geen omgevingsvergunning nodig voor:

    1. Het vellen van een houtopstand die moet worden geveld volgens de Plantenziektenwet of op aanschrijving van het bevoegd gezag;

    2. houtopstand die onherstelbaar ziek of beschadigd zijn;

    3. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    4. het periodiek beknotten of kandelaberen bij daarvoor geschikte boomsoorten, als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen, ter uitvoering van het reguliere onderhoud.

  5. De burgemeester kan, in afwijking van het eerste lid, toestemming geven tot direct vellen als er sprake is van acuut gevaar of een vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4:11a

Monumentale en waardevolle bomen (3)

  1. Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en waardevolle houtopstanden in de gemeente staan.

  2. Op de bomenlijst staan in ieder geval de houtopstanden die in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting staan. Op de lijst wordt per houtopstand in ieder geval een herkenbare omschrijving, de standplaats, de kadastrale aanduiding en de reden van registratie vermeld.

  3. Er worden door het bevoegd gezag nadere regels vastgesteld voor het (doen) vellen van monumentale of waardevolle bomen, die vermeld staan op de bomenlijst.

Artikel 4:11b

Weigeringsgronden (3)

De omgevingsvergunning kan niet worden verleend als dit in ieder geval nadelig is voor:

  1. de natuurwaarde van de houtopstand;

  2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

  3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

  4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

  6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

  7. als velling in strijd is met het geldende bestemmingsplan of de Wet natuurbescherming.

Artikel 4:12

Termijnen (3)

  1. Het college kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op het vellen van houtopstanden, één jaar geldig is na het onherroepelijk worden van de vergunning.

  2. Als het om een omgevingsvergunning tot het gefaseerd vellen van houtopstanden over meerdere jaren gaat, is de omgevingsvergunning geldig tot 12 maanden na de afgesproken tijdsfasen van vellen.

Artikel 4:12a

Bijzondere vergunningsvoorschriften (3)

  1. Het college kannadere verplichtingen opnemen in de omgevingsvergunning, zoals:

    1. een herplantplicht;

    2. aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;

    3. het financieel compenseren van groen als er niet wordt of kan worden voldaan aan de verplichtingen om te herplanten. Het college is bevoegd om hierover nadere regels op te stellen.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid onder a gegeven, dan kan worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting, en op welke wijze, niet-aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

Artikel 4:12b

Herplant-/instandhoudingsplicht (3)

  1. Ook als een houtopstand waarvoor een vergunning nodig is om te vellen, wordt geveld of vernietigd zonder vergunning kan het college aan de rechthebbende een verplichting opleggen tot herplant en/of het betalen van een vergoeding. Het college is bevoegd hier nadere regels over op te stellen.

  2. Wordt een herplantplicht als bedoeld in het eerste lid opgelegd dan kan daarbij worden bepaald wanneer na de herbeplanting, en op welke wijze, niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Als houtopstand, waarvoor een vergunning nodig is om te mogen vellen, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aanwijzingen geven die opgevolgd moeten worden.

  4. Als een verplichting als bedoeld in dit artikel wordt opgelegd moet hier verplicht aan voldaan worden. Dit geldt ook voor de rechtsopvolger.

Artikel 4:12c

Afstand tot de erfgrens (3)

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, tot de grens tussen percelen in privaat eigendom, wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. De afstand tot de grens tussen percelen in privaat en gemeentelijk eigendom wordt vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen.

Artikel 4:12d

Bestrijding iepziekte (3)

  1. Als zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, als hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. als de iepen in de grond staan, te vellen;

    2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

    3. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zo te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

    1. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.

    2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod.

Artikel 4:12e

Bescherming publieke houtopstand (3)

  1. Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn:

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    2. daaraan snoeiwerk te verrichten behalve door bevoegde deskundige boomverzorgers ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand of boom aan te brengen of te bevestigen zonder vergunning van het bevoegd gezag.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (3) (8)

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beeindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening Friesland.

Artikel 4:15

Vergunningsplicht handelsreclame (3)

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:

    1. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

    2. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    3. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,5 m² en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:

      • openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      • het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;

    4. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    5. opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:

    1. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het college van burgemeester en wethouders;

    2. het college van burgemeester en wethouders niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;

  4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede of derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

  5. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

  6. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. als de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de verkeersveiligheid;

    3. in het belang van cameratoezicht op openbare plaatsen;

    4. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, tenzij in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

  7. Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van handelsreclame nadere regels stellen.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden