Naast de in artikel 1:6 genoemde gronden kan het college een vergunning zoals bedoeld in artikel 5.31.2 intrekken als:

  1. als het vaartuig wordt gebruikt in strijd met de voorschriften uit de vergunning;

  2. als het historische woonschip langer dan zes maanden niet in gebruik is geweest als hoofdverblijf van de vergunninghouder;

  3. als het vaartuig langer dan zes maanden niet op de in de vergunning genoemde ligplaats heeft gelegen;

  4. als de vergunninghouder het betreffende vaartuig gebruikt of laat gebruiken in strijd met artikel 5:31.2 lid 5;

  5. als het uiterlijk van het vaartuig of de lig- of aanlegplaats waarop de vergunning betrekking heeft in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

  6. ter verkrijging van de ligplaatsvergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt.