Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu (3)
Afdeling Voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden (3)
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen (3)
Afdeling Evenementen (3)
Afdeling Betaald voetbalwedstrijden (3)
Afdeling Toezicht op horecabedrijven (3)
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet (3)(6)
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf (3)
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden (3)
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade (3)
Afdeling Bestrijding van heling van goederen (3)
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast (3)
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester (3)
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen (3)
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente (3)
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu (3)

Artikel 2:1a

Samenscholing en ongeregeldheden (3)

  1. Het is verboden op openbare plaatsen of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.

  2. Het is verboden op openbare plaatsen of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen.

  3. Degene die op openbare plaatsen bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting.

  4. Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid gestelde verbod.

  6. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1b

Vermommingen

  1. Het is verboden zich vermomd, gemaskerd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt op een openbare plaats te bevinden met het doel de openbare orde te verstoren.

  2. De burgemeester kan in verband met de openbare orde en veiligheid rondom voetbalwedstrijden een gebied aanwijzen en/of een tijdspanne bepalen waarin het verboden is gemaskerd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt aanwezig te zijn.

Artikel 2:1c

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. De burgemeester kan wegen aanwijzen met inbegrip van daaraan voor het publiek toegankelijke gebouwen waar het verboden is, messen of andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Dit verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.

Artikel 2:1d

Openlijk gebruik en handel van drugs

  1. Het is verboden op of aan de weg in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben ten behoeve van gebruik van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

  2. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan de wegen in of op een voertuig te bevinden indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  3. Het in het eerste lid en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of de hulpverlening aan de verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd.

Artikel 2:1e

Aanwijzing Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:1f

Gebiedsontzeggingen (3)(6)

  1. De burgemeester kan aan een persoon die:

    1. het verbod als bedoeld in artikel 2:1a eerste lid;

    2. het verbod om steekwapens bij zich te hebben als bedoeld in artikel 2.1c eerste lid;

    3. het verbod als bedoeld in artikel 2:1d eerste of tweede lid om op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw of vaartuig openlijk stoffen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet voor handen te hebben of om post te vatten of zich heen en weer te bewegen of in /op een voertuig plaats te nemen en/of andere activiteiten uit te voeren zoals omschreven in artikel 2:1d tweede lid;

    4. het verbod om de orde te verstoren bij een evenement als bedoeld in artikel 2.25i;

    5. het verbod als bedoeld in artikel 3.9 eerste lid om diensten als prostituee aan te bieden;

    6. het verbod als bedoeld in artikel 2:48 om op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of laten nuttigen;

    7. het verbod als bedoeld in artikel 2.49 zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden of in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen, dan wel zich zonder redelijk doel bevinden in de gemeenschappelijke ruimte van de in dat artikel aangegeven gebouwen;

    8. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:50 zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is;

    9. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:65 om in aangewezen gebieden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen;

    10. het verbod, zoals bedoeld en omschreven in artikel 4:8 om zijn natuurlijke behoefte op een openbare plaats te doen;

      overtreedt, of

    11. harddrugs in strijd met artikel 2 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst koopt of verkoopt;

    12. een wapen van categorie I als bedoeld in artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen en te vervoeren

    13. een wapen van categorieën II, III en IV te dragen als bedoeld in artikel 27 van de Wet wapens en munitie;

    14. feiten pleegt die strafbaar zijn gesteld bij het Wetboek van Strafrecht waaronder in ieder geval de artikelen 138 (huisvredebreuk), 138a (kraken), 141 (openlijke geweldpleging), artikel 180 (zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar in functie), artikel 185 (belemmeren ambtsbediening), artikel 186 (samenloop), artikel 246 (aanranding van de eerbaarheid, artikel 285 (bedreiging dan wel openlijke geweldpleging), artikel 285b (belaging), artikelen 300, 301, 302 en 303 (mishandeling), artikel 312 (diefstal met geweld of bedreiging), artikel 350 (vernieling en beschadiging), artikel 426 (om staat van dronkenschap de openbare orde dan wel het verkeer verstoren) worden begrepen;

    15. in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht;

  2. een bevel geven om zich gedurende de in lid 2 onder a, b of c omschreven periode niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Het bevel als bedoeld in lid 1 geldt voor de duur van ten hoogste:

    1. 24 uur;

    2. de duur van het evenement indien er sprake is van het verstoren van de openbare orde bij een evenement; of

    3. het tijdvak van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 24.00 uur indien één of meer van de bovengenoemde overtredingen zijn begaan of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen zijn verricht die horeca gerelateerd zijn en gedurende dit tijdvak hebben plaatsgevonden.

  4. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid of met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  5. Een bevel als bedoeld in het derde lid kan slechts worden gegeven als de overtreding of het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of derde lid, plaatsvindt.

  6. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of derde lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens

(Vervallen, opgenomen in 2:3)

Artikel 2:6

Beperking geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (3)(10)

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:9

Vertoningen op openbare plaatsen (3)

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen op een openbare plaats.

  2. De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. er wordt met ten hoogste 6 personen opgetreden;

    2. er worden geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten gebruikt;

    3. het optreden duurt niet langer dan één uur achtereen op dezelfde plaats;

    4. het optreden vindt plaats op meer dan 50 meter afstand van een andere straatartiest;

    5. het optreden vindt niet plaats op maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 8.00 uur en op zondag vóór 13.00 uur en na 21.00 uur;

    6. het optreden vindt niet plaats op een markt of een evenement.

  3. Onder dezelfde plaats als bedoeld in het tweede lid, onder c., wordt verstaan iedere plaats die ligt op minder dan 100 meter afstand van een plaats die eerder die dag door de betreffende straatartiest is ingenomen.

  4. Door het optreden mag het voetgangers- en ander verkeer niet belemmerd worden en mag de toegang tot winkels en andere gebouwen niet geblokkeerd worden.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.

  6. De burgemeester kan beperkingen stellen aan het aantal optredens van straatartiesten of aan het aantal straatartiesten dat gelijktijdig optreedt. Hij kan daarbij onderscheid maken naar categorieën straatartiesten.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg en openbare plaats (3)

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. het plaatsen van voorwerpen of voertuigen op of aan de weg voorzover dit voldoet aan de voorwaarden gesteld in de door het college vastgestelde nadere regels;

    2. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    3. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:

      • elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en

      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    4. uitstallingen en losse reclameborden voorzover deze voldoen aan de voorwaarden gesteld in de door het college vast te stellen nadere regels;

    5. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    6. terrassen als bedoeld in artikel 2:34b;

    7. verkoopstandplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    8. een vaste plaats op een markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    9. plaatsing van e-oplaadpalen en -objecten indien en voor zover de plaatsing daarvan voldoet aan de door het college vastgestelde beleidsregels.

  3. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:

    1. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg;

    2. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of;

    3. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  4. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

    1. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Friesland.

    2. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

    3. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;

    4. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  6. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of

    2. door het college in de overige gevallen.

  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Provinciaal wegenreglement Friesland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Leeuwarden.

  5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het leggen, omleggen, vernieuwen, herstellen en verwijderen van kabels en buizen met toebehoren in wegen door een bedrijf dat zich in het kader van de openbare voorzieningen bezighoudt met de levering van gas, elektriciteit, water en/of warmte.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg (11)

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd als:

    1. er op eigen erf niet genoeg ruimte beschikbaar is voor het parkeren van een motorvoertuig;

    2. de uitweg ten koste gaat van de bruikbaarheid van de weg;

    3. de uitweg ten koste gaat van het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    4. de uitweg ten koste gaat van openbare parkeerplaatsen en de bruikbaarheid daarvan;

    5. de uitweg ten koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    6. de uitweg voorbij de zijgevelgrens (voor de voorgevel) komt te liggen;

    7. in geval van een tweede uitweg, deze aan dezelfde straat ligt als de eerste;

    8. de uitweg ten koste gaat van de groenvoorzieningen ter plaatse van de uitweg;

    9. de uitweg breder is dan 3,0 meter in de volgende gevallen:

      1. de uitweg door een groenberm loopt die dieper is dan 5,00 meter;

      2. er voldoende ruimte is op het erf om te manoeuvreren;

    10. de uitweg breder is dan 5,0 meter voor een enkele en 6,0 meter voor een dubbele uitweg, in andere gevallen dan genoemd onder i.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:13

Veroorzaken van gladheid

  1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze:

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden met een winkelwagentje, als bedoeld in het eerste lid, op een openbare plaats te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van die winkel of, indien de winkel is gelegen in een winkelcomplex buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcomplex. Als onmiddellijke omgeving van een winkel of winkelcomplex wordt aangemerkt de openbare plaats, grenzend aan die winkel of dat winkelcomplex en tevens een aan die openbare plaats aansluitende parkeerplaats.

  3. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  4. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen e.d.

  1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Het verbod in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20

Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2:20a

Gevaarlijke voorwerpen

  1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college van burgemeester en wethouders maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:21a

Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs tekst

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. De gebruiker - of bij het ontbreken daarvan de rechthebbende - van een inrichting voor afvoer van water is, wanneer het ijs in of nabij een ijsbaan of ijsweg door uitstorting van dit water onbetrouwbaar is, verplicht onverwijld de gevaarlijke plaats aan te duiden door bakens, planken, palen of anderen voorwerpen op opvallende wijze langs de rand daarvan te plaatsen.

  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening Friesland.

Artikel 2:24

Begripsomschrijving (6)

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek, al dan niet met enige beperkingen, toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid

    2. een braderie;

    3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg;

    4. een feest of wedstrijd op of aan de weg

  3. In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden.

Artikel 2:25

Evenement (1)

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kan aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit.

  4. Met het oog op de in artikel 2:25g en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen.

  5. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet1994.

  6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

Buitenevenement

  1. Geen vergunning is vereist voor ééndaagse evenementen tot 300 bezoekers op een openbare plaats, indien dit past binnen de door de burgemeester vastgestelde nadere regels en de organisator van het evenement minimaal vier weken voor het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  2. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 2:25b

Binnenevenement

  1. Bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat bestemd is voor dat evenement, is vergunning vereist indien het totaal aantal van 2000 bezoekers in dat gebouw wordt overschreden, gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur.

  2. Bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat niet bestemd is voor dat evenement, is vergunning vereist indien er meer dan 50 bezoekers komen gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur.

  3. Geen vergunning is vereist bij een evenement in een gebouw of een gedeelte daarvan dat niet bestemd is voor dat evenement, indien er meer dan 50 bezoekers en minder dan 300 bezoekers komen gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur en de organisator van het evenement minimaal vier weken voor het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  4. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  5. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het in de vorige leden gestelde niet van toepassing is.

Artikel 2:25c

Indienen aanvraag

  1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door of namens de burgemeester vastgesteld formulier minimaal 16 weken voor het evenement.

  2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de gegevens van de organisator;

    2. de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement;

    3. een omschrijving van de aard en karakter van het evenement;

    4. het te verwachten aantal bezoekers.

    5. een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden;

  3. De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan.

  4. De burgemeester kan wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in lid 1 genoemde termijn.

Artikel 2:25d

Vereisten organisator

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen:

    1. hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet;

    2. hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

    3. hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en

    4. hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a., c. en d. gestelde vereiste.

Artikel 2:25e

Evenementenkalender (1)

  1. De burgemeester stelt jaarlijks in december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar.

  2. Degene die voornemens is een evenement van meer dan 2000 bezoekers te organiseren dient de burgemeester jaarlijks vóór 1 september te verzoeken het betreffende evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Het verzoek dient te geschieden door middel van een door of namens de burgemeester vastgesteld formulier. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25c.

  3. Indien twee of meer evenementen als bedoeld in lid 2 samenvallen qua tijd en locatie of anderszins met elkaar concurreren, zullen de evenementen beoordeeld worden aan de hand van de door de burgemeester vastgestelde criteria.

  4. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 2:25g, tweede lid onder e.

  5. De burgemeester kan tot het moment waarop de in lid 2 bedoelde Evenementenkalender is vastgesteld, wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2:25g

Weigeringsgronden

  1. De vergunning wordt geweigerd, indien:

    1. niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:25c of

    2. niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:25d gestelde eisen;

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien:

    1. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten;

    2. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

    3. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    4. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:25e reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan.

    5. het een evenement van meer dan 2000 bezoekers betreft en niet voldaan is aan de eisen van artikel 2:25e.

Artikel 2:25h

Schorsende werking andere vergunningen

Bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 2:25 juncto artikel 2:25a kan bepaald worden dat de werking van reeds geldende vergunningen voor het gebruik van de openbare plaats of het openbaar water in het gebied waar het evenement plaatsvindt wordt geschorst zolang dit noodzakelijk is in het belang van het evenement.

Artikel 2:25i

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:25j

Wanordelijkheden bij evenementen

  1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.

  2. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.

  4. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en de bij de evenementen ingeschakelde functionarissen van beveiligingsorganisaties en toezichthouders in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

Artikel 2:26

Begripsomschrijvingen

In de navolgende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. organisator: Betaald Voetbal Organisatie (BVO), Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) of een andere rechtspersoon dan wel een natuurlijke persoon die een voetbalwedstrijd organiseert;

  2. voetbalwedstrijd: een wedstrijd waarbij één van de spelende teams een Nederlandse of een buitenlandse BVO dan wel een vertegenwoordigend elftal van de KNVB is;

  3. supporter:

    1. persoon die door kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maakt bij de aanhang van een BVO te horen;

    2. dan wel een persoon die bij deskundigen als zodanig bekend is;

    3. dan wel een persoon die een wezenlijke of significante bijdrage levert aan de verstoring van de openbare orde, direct gerelateerd aan de plaats te vinden, plaatshebbende c.q. plaatsgevonden wedstrijd van de BVO;

  4. stadiongebiedsverbod: het verbod om zich gedurende een aangewezen periode op de dag van een voetbalwedstrijd te bevinden in een gebiedsgedeelte van de gemeente waarbinnen de kans op voetbal gerelateerde verstoringen van de openbare orde groot is hierbij rekening houdend met de woning of werkgebied of specifieke voorzieningen van en voor diegene aan wie het stadiongebiedsverbod is opgelegd;

  5. stadsverbod: het verbod voor supporters van een bezoekende club om zich op de speeldag van een voetbalwedstrijd en indien hiervoor gerede aanleiding bestaat een deel van de aan de wedstrijd voorafgaande dag te bevinden binnen de gemeentegrenzen dan wel een gebied binnen de gemeentegrenzen.

Artikel 2:26a

Melding wedstrijden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26, aanhef en onder b, te houden of te doen houden.

  2. De aanvraag om vergunning dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    1. de gegevens van de organisator;

    2. de deelnemende voetbalorganisaties;

    3. de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd.

  4. De aanvraag dient in ieder geval vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen calamiteiten- en veiligheidsplan, KNVB-veiligheidsverklaring en mobiliteitsplan.

  5. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid de vergunning weigeren, intrekken of hieraan aanvullende voorschriften verbinden indien:

    1. de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    2. het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd;

    3. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.

    4. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    5. de openbare gezondheid in het geding dreigt te komen.

  6. De burgemeester weigert de vergunning indien niet voldaan is aan het bepaalde in de leden 2, 3 en 4.

  7. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen.

  8. Het is verboden een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:26, aanhef en onder b, te doen spelen, wanneer een vergunning is geweigerd of ingetrokken.

  9. De aanvraag voor een vergunning moet ten minste 8 weken voor aanvang van het nieuwe voetbalseizoen, dan wel voor het aflopen van de bestaande vergunning, worden ingediend.

  10. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:26d

Aanwijzingen aan supporters

  1. De burgemeester kan aanwijzingen geven aan een supporter.

  2. Een aanwijzing voor een supporter die in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en rechtstreeks naar het stadion te gaan na aankomst in de gemeente en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk en rechtstreeks na afloop van de wedstrijd de gemeente te verlaten en indien hij wel in de gemeente woont, zich niet te begeven naar/ in een omschreven gebiedsdeel van de gemeente, tenzij hij daar woont.

  3. Een aanwijzing aan een supporter die niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en volgens een aangegeven route naar een aangewezen plaats te gaan en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk de gemeente volgens een aangegeven route te verlaten.

  4. Een aanwijzing aan supporters van een bezoekende BVO kan inhouden om binnen de gemeente in georganiseerd groepsverband te reizen.

Artikel 2:26e

Algemene verboden

  1. Het is een supporter verboden het voetbalveld voor, tijdens of na afloop van de voetbalwedstrijd zonder toestemming van de rechthebbende te betreden, of daarop voorwerpen te gooien.

  2. Het is een supporter verboden alcohol bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd.

  3. Het is anderen dan de organisator verboden op of aan de weg toegangskaarten voor de voetbalwedstrijd met een commercieel doel aan te bieden of voor verkoop voorhanden te hebben.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6.van het Vuurwerkbesluit is het een supporter verboden pyrotechnische voorwerpen bedoeld om licht, rook of lawaai te produceren, bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd, dan wel in het voetbalstadion.

Artikel 2:26f

Verstoring openbare orde

  1. Het is verboden de openbare orde te verstoren.

  2. Onder het verstoren van de openbare orde wordt verstaan het veroorzaken van onrechtmatige hinder of onrechtmatig gevaar voor één of meer personen dan wel goederen.

  3. Van een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde is sprake indien een supporter of een groep van supporters in de hoedanigheid van supporter de openbare orde verstoort, dan wel hieraan een bijdrage levert.

  4. Deze verordening onderscheidt al naar gelang de ernst van de veroorzaakte hinder of de gevaarzetting een geringe, beperkte, ernstige, gewelddadige en voor personen gevaarlijke, zeer gevaarlijke of fatale verstoring van de openbare orde.

  5. Een poging tot een van de in de artikelen 2:26j, 2:26k, en 2:26l genoemde gedragingen levert eveneens een verstoring van de openbare orde op.

Artikel 2:26g

Geringe verstoringen

Als geringe verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen:

  1. natuurlijke behoefte doen op plekken die hiervoor niet zijn bedoeld;

  2. plegen van baldadigheid met gevaar of nadeel voor goederen;

  3. hinderen van het verkeer;

  4. zich op verboden terrein, anders dan het voetbalveld bevinden;

  5. gebruiken of onder invloed verkeren van een middel als verboden in de Opiumwet;

  6. bij zich hebben van alcohol dan wel gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd;

  7. bij zich hebben dan wel gebruiken op weg naar of van het voetbalstadion van pyrotechnische voorwerpen.

Artikel 2:26h

Beperkte verstoringen

Als beperkte verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen:

  1. een ander in zijn vrijheid van bewegen belemmeren;

  2. zich aan iemand tegen diens wil opdringen of hem op hinderlijke wijze volgen;

  3. plegen van baldadigheid tegenover een andere persoon;

  4. niet voldoen aan de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden;

  5. een valse naam of van een valse hoedanigheid aannemen om iemand te bewegen tot de afgifte van een goed;

  6. plegen van valsheid in geschrifte;

  7. veroorzaken van gevaar op de weg;

  8. niet voldoen aan een bevel van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  9. beletten, belemmeren of verijdelen van enige handeling van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  10. opgeven van verkeerde persoonsgegevens aan een bevoegd persoon;

  11. beledigen van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  12. zich beledigend uitlaten over een groep mensen, of het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;

  13. openbare dronkenschap;

  14. illegale verkoop van toegangskaarten.

Artikel 2:26i

Ernstige verstoringen

Als ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen:

  1. niet naleven van een stadiongebiedsverbod;

  2. huisvredebreuk dan wel een poging hiertoe;

  3. lokaalvredebreuk dan wel een poging hiertoe;

  4. opruien tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  5. dragen van een wapen;

  6. vernielen van werken van openbaar nut;

  7. vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of weg maken van andermans goed;

  8. veroorzaken van verkeersongeval;

  9. niet naleven van een noodbevel;

  10. overtreden van noodverordening;

  11. diefstal of heling dan wel een poging hiertoe;

  12. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor goederen;

  13. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van vernielen van goederen;

  14. illegale handel;

  15. betreden van het voetbalveld voor, tijdens of na afloop een wedstrijd;

  16. gooien van al dan niet pyrotechnische voorwerpen op het voetbalveld.

Artikel 2:26j

Gewelddadige en voor personen gevaarlijke verstoringen

Als zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen:

  1. zich met geweld dan wel het dreigen met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  2. een ander met geweld of het bedreigen met geweld dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden;

  3. huisvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld;

  4. lokaalvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld;

  5. openlijke geweldpleging;

  6. oproepen tot gewelddadig gedrag;

  7. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld;

  8. mishandelen;

  9. vechterij;

  10. aanwenden van een wapen tegen een persoon;

  11. plegen van diefstal met geweld of het dreigen met geweld;

  12. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor personen.

Artikel 2:26k

Gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke verstoringen

Als buitengewoon ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen die zwaar lichamelijk letsel veroorzaken:

  1. openlijk geweld plegen;

  2. gebruik van een wapen;

  3. mishandelen;

  4. zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  5. brandstichten of een ontploffing teweegbrengen.

Artikel 2:26l

Voor personen fatale verstoringen

Als buitengewoon zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen met de dood van een ander ten gevolge:

  1. openlijk geweld plegen;

  2. gebruik van een wapen;

  3. mishandeling;

  4. zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

  5. brandstichten of ontploffing teweegbrengen.

Artikel 2:26m

Stadiongebiedsverbod

  1. De burgemeester kan aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadiongebiedsverbod opleggen van:

    1. zes wedstrijden in geval van een geringe verstoring;

    2. 6 maanden tot een jaar in geval van een beperkte verstoring.

  2. De burgemeester legt aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadiongebiedsverbod van:

    1. twee jaren in geval van een ernstige verstoring;

    2. drie jaren in geval van een gewelddadige en voor personen gevaarlijke verstoring;

    3. vijf jaren in geval van een gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke verstoring;

    4. tien jaren in geval van een voor personen fatale verstoring.

  3. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod.

Artikel 2:26n

Stadiongebiedsverbod bij vrees

  1. De burgemeester kan aan een supporter een stadiongebiedsverbod opleggen indien hij vreest voor een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde door die supporter.

  2. Van vrees is in ieder geval sprake indien een persoon zich in een andere gemeente in Nederland dan wel in een ander land heeft schuldig gemaakt aan ten minste een ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde.

  3. De termijn van dit stadiongebiedsverbod wordt bepaald door de ernst van de verstoring van de openbare orde.

  4. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod.

Artikel 2:26o

Aantoonplicht en kwijtschelding stadiongebiedsverbod

  1. De burgemeester kan bij het opleggen van een stadiongebiedsverbod aan een supporter de plicht opleggen om op een door hem voorgeschreven wijze aan te tonen dit stadiongebiedsverbod na te leven.

  2. De burgemeester kan op verzoek van de betrokkene de termijn van een stadiongebiedsverbod met een derde bekorten, indien de betrokkene aantoont het verbod gedurende twee derde van de termijn zorgvuldig te hebben nageleefd.

Artikel 2:26p

Recidive

  1. Indien de betrokkene tijdens de looptijd van het stadiongebiedsverbod of binnen een periode van twee jaren erna de openbare orde opnieuw verstoort, kan de burgemeester voor die gedraging een stadiongebiedsverbod opleggen van de dubbele tijdsduur van de categorie waarbinnen de verstoring van openbare orde valt.

  2. De termijn van dit stadiongebiedsverbod begint te lopen de dag nadat de termijn van het eerdere stadiongebiedsverbod is verstreken.

  3. Om dringende redenen kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadiongebiedsverbod.

Artikel 2:26q

Stadsverbod

  1. De burgemeester kan aan een supporter dan wel aan supporters van een bezoekende voetbalclub een verbod opleggen om zich binnen de gemeentegrenzen te begeven, indien er vrees bestaat voor ten minste ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde.

  2. De lengte van een zodanig stadsverbod bedraagt maximaal 48 uren.

  3. In individuele gevallen van dringende aard kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadsverbod.

Artikel 2:27

Begripsomschrijvingen (3)

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder horecabedrijf de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was:

    1. logies wordt verstrekt:

    2. dranken worden geschonken;

    3. etenswaren of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;

    4. hoofdzakelijk etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.

  2. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis.

  3. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.

  4. Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

  5. Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan:

    1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;

    2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd in een of meer inrichtingen;

    3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanige openbare inrichting in een inrichting.

  6. Deze afdeling verstaat onder bezoekers eenieder behalve:

    1. leidinggevenden;

    2. personen die dienst doen in de inrichting;

    3. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning horecabedrijf

  1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester:

    1. tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend;

    2. indien voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend en exploitatie plaats vindt in strijd met een categorale vrijstelling als genoemd in artikel 2:28c.

  2. Indien de exploitatie van een horecabedrijf, waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt uitgebreid of (ingrijpend) wordt gewijzigd, dient een nieuwe vergunning als bedoeld in het eerste lid te worden aangevraagd.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    2. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  5. De burgemeester vermeldt in de vergunning:

    1. de vergunninghouder;

    2. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    3. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    4. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen;

    5. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden.

  6. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  7. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28f, tweede lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.

  8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:28a

Nadere eisen (6)

  1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28:

    1. dient de leidinggevende:

      • minimaal de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt, met dien verstande dat leidinggevenden in bedrijven waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt minimaal de leeftijd van 18 jaar is bereikt;

      • te voldoen aan de eisen zedelijkheid gesteld op grond van de Alcoholwet;

      • niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn;

      • niet onder curatele te staan;

    2. dient het horecabedrijf waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m² te hebben;

    3. dienen overige horecabedrijven één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 35 m² te hebben.

  2. Van het gestelde in het eerste lid onder a, met betrek­king tot de leeftijdseis kan de burge­mees­ter ontheffing verle­nen voor maximaal een jaar, mits sprake is van een bij­zonder geval, dan wel indien gewich­tige belangen daar­toe aan­lei­ding geven.

  3. Van het gestelde in het eerste lid onder b, met betrekking tot de oppervlakte van 15 m², kan de burgemeester ontheffing verlenen voor bestaande horecabedrijven, waarvan de oppervlakte kleiner is dan 15 m², aan de vergunninghouder of zijn rechtsopvolger.

  4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in arti­kel 2:28, indien niet wordt voldaan aan de nadere eisen als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28a, en daarvan geen ontheffing kan worden ver­leend.

Artikel 2:28b

Aanwezigheid van en toezicht door de leidinggevende

  1. Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op het aanhangsel vermelde leidinggevende in het horecabedrijf aanwezig is.

  2. Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet voor een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.

  3. De leidinggevenden zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in het horecabedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:28c

Categorale vrijstelling

De burgemeester kan bij openbare bekendmaking:

  1. bepalen dat het exploiteren van categorieën horecabedrijven, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht is vrijgesteld;

  2. voorschriften stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling.

Artikel 2:28d

Indienen aanvraag

Uiterlijk 8 weken voor de start of wijziging van de exploitatie van het horecabedrijf dient de vergunninghouder een aanvraag als bedoeld in artikel 2:28 ingediend te hebben middels een vastgesteld formulier.

Artikel 2:28e

Vervallen vergunning

De vergunning vervalt:

  1. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  2. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

  3. de verlening van de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden;

  4. zodra de vergunninghouder kenbaar maakt de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk te hebben beëindigd. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de vergunninghouder daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Artikel 2:28f

Wijziging leidinggevende

  1. Indien een leidinggevende, als bedoeld in artikel 2:27, lid 4, zijn taak feitelijk heeft beëindigd, geeft de vergunninghouder daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De leiding kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien deze door de vergunninghouder is gemeld bij de burgemeester en de burgemeester de ontvangst van deze melding onverwijld elektronisch of schriftelijk heeft bevestigd. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel en wordt getoetst aan de in artikel 2:28 en 2:28a gestelde eisen.

Artikel 2:29

Openings- en sluitingstijden

  1. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. van 08.00 uur tot 05.00 uur in gebied 1, met dien verstande dat het tussen 03.00 uur en 05.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht;

    2. van 08.00 uur tot 03.00 uur in gebied 2, met dien verstande dat het tussen 02.00 uur en 03.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht;

    3. van 08.00 uur tot 01.00 uur in gebied 3, met dien verstande dat het tussen 00.00 uur en 01.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht;

  2. zoals aangegeven op bijbehorende kaarten.

  3. In afwijking van het vorige lid geldt voor daghoreca en afhaalbedrijven in de gebieden 1 en 2 een openingstijd van 07.00 uur tot 22.00 uur en in gebied 3 een openingstijd van 08.00 uur tot 22.00 uur.

  4. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf, zoals genoemd in lid 1, onder c, toegestaan om op Oudjaarsnacht, Nieuwjaarsnacht, beide Paasnachten, beide Kerstnachten, beide Pinksternachten, in de nacht volgend op 5 mei en in de nacht volgend op Koningsdag toegestaan het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers te laten verblijven tot 02:00 uur.

  5. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in lid 1, onder a en b van dit artikel toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 08:00 uur tot 01:00 uur, met dien verstande dat het in de maanden juni, juli, augustus en september toegestaan is het terras in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag tot 02:00 uur geopend te hebben.

  6. Het is de leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in lid 1, onder c, van dit artikel toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 08:00 uur tot 24:00 uur.

  7. De in het eerste en tweede lid genoemde verboden gelden niet voor de leidinggevende van een bedrijf waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt geboden voor zover het betreft activiteiten en handelingen die betrekking hebben op het vertrekken van logies.

  8. De burgemeester kan door middel van een ontheffing voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras een ander sluitings- en/of toelatingsuur vaststellen.

  9. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

  10. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:29a

Overgangsrecht

  1. Voor horecabedrijven, gelegen in gebied 3, waarvoor op 15 januari 1998 andere sluitingstijden golden, blijft de toen geldende situatie van kracht, met uitsluiting van de bepalingen voor de sluitingstijden van terrassen;

  2. Voor horecabedrijven waarvoor op 1 mei 2017 latere sluitingstijden golden, blijft de toen geldende situatie nog vijf jaar na vaststelling van deze wijziging van het sluitingsuur van kracht.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, ingeval van exploitatie zonder vergunning of in strijd met de vergunning of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 of 2:29a geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

  3. De burgemeester kan door middel van een ontheffing andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

  1. Het is verboden in een openbare inrichting:

    1. de orde te verstoren;

    2. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

    3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras;

    4. messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

  2. Eenieder is verplicht in een horecabedrijf alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

Artikel 2:32

Handel in horecabedrijven

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De leidinggevende van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college van burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college van burgemeester en wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:30.

Artikel 2:34a

Overige bepalingen

Bij overlijden van een vergunninghouder kan het bedrijf worden voortgezet tot drie maanden na het overlijden, of indien binnen die termijn een nieuwe vergunning is aange­vraagd, tot het tijdstip waarop op de desbetreffende aan­vraag onherroepe­lijk is beslist.

Artikel 2:34b

Terrasvergunning horecabedrijf

  1. Het is verboden bij een horecabedrijf een terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Indien de vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de weg, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die weg ten behoeven van het terras. De burgemeester kan over de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vaststellen.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het terras zich geheel op eigen grond bevindt en onderdeel is van een horecabedrijf waar geen alcohol geschonken wordt.

  4. Onverminderd het gestelde in artikel 1.8 kan de burgemeester de in het tweede lid bedoelde ingebruikneming van de weg weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    3. in het belang van voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    4. ingeval van strijd met de op grond van lid 2 vastgestelde nadere regels

  5. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:34d

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    • maandag tot en met zondag, vanaf een uur voor de activiteiten en uiterlijk twee uren na de activiteiten/bijeenkomsten/wedstrijden/trainingen.

  2. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    • maandag tot en met zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden).

  3. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van educatieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    • maandag tot en met zondag vanaf 10.00 uur tot 05.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden).

  4. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    • maandag tot en met zondag vanaf 16.00 uur tot 23.00 uur (eindtijd is gekoppeld aan de geldende sluitingstijden).

  5. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    • maandag tot en met zondag van 18.00 uur tot 20.00 uur.

  6. Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens jeugdactiviteiten, jeugdwedstrijden en jeugdbijeenkomsten, waaraan jeugd tot 15 jaar deelneemt.

  7. Een paracommerciële rechtspersoon mag alcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste 4 bijeenkomsten van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, waarbij fiscale wet- en regelgeving dienen te worden gerespecteerd.

  8. De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 3 weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het zevende lid, hiervan melding aan de burgemeester door middel van een meldingsformulier.

Artikel 2:34e

Beperking verstrekking sterke drank

Het is tevens verboden anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting:

  • waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven;

  1. welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties of- instellingen. Hieronder wordt in ieder geval een jongerencentrum verstaan.

Artikel 2:34g

Proeverijen in slijtlokaliteiten (8)

  1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:35

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, woonplaats, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:39

Begripsomschrijvingen

  1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

    2. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

    3. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

  3. De burgemeester weigert de vergunning:

    1. indien na zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beinvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    2. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Speelautomaten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. Wet: de Wet op de kansspelen

    2. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

    3. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

    4. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken , te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur‑ of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het in het tweede lid gestelde verbod is tevens van toepassing op straatmeubilair, verkeersmeubilair en andere tot de inrichting van de weg behorende voorzieningen.

  4. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  5. Het college van burgemeester en wethouders kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  6. Het is verboden de in het vijfde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  7. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  8. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur‑ of verfstof of verfgereedschap.

  2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  3. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Friesland.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a

Liggen of slapen op openbare plaatsen (1)

  1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken en verder op een openbare plaats een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder, overlast en ontsiering van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

  3. Het verbod geldt niet op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

Artikel 2:47b

Verplichte route

  1. Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:47c

Hinderlijk gebruik lachgas op openbare plaatsen(5)

Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, lachgas te gebruiken als daardoor hinder kan ontstaan of gevaar bestaat voor personen, de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik(2)

  1. Het is verboden voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of te laten nuttigen.

  2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2:27, eerste en tweede lid;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of de ingang van een portiek indien:

  1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek;

  2. daardoor de doorgang ernstig belemmerd wordt.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt‑ en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:55

Nodeloos alarmeren

Het is verboden zonder dat daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat de politie, de brandweer of enig andere overheidsinstelling op welke wijze dan ook te alarmeren.

Artikel 2:57

Loslopende honden (2)(6)

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. op recreatieterreinen, natuurgebieden dan wel stranden in de periode van 1 maart tot 1 november;

    3. op openbare plaatsen zonder dat de hond aangelijnd is; of

    4. op openbare plaatsen indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het in het eerste lid vervatte losloopverbod onder c geldt niet op de door het college aangewezen plaatsen, mits de hond losloopt onder voldoende geleide of toezicht.

  3. Het in het eerste lid vervatte verbod onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond; of

    3. die wordt ingezet ten behoeve van het hoeden van een schaapskudde.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden, paarden en pony’s (2)

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Degene die zich met een paard of pony op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat in de openbare ruimte, voor zover gelegen binnen de bebouwde kommen van de gemeente Leeuwarden, de uitwerpselen van het paard of de pony terstond worden opgeruimd.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden (2)(3) (6)

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband/tuig/neusband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein (3) (6)

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering is voorzien dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. De hond mag zich niet aan de voorzijde van de voorgevel bevinden. Het hekwerk achter de voorgevel is:

      1. 1,50 meter hoog bij honden met een maximale schofthoogte van maximaal 50 centimeter

      2. 1,80 meter hoog bij honden met een schofthoogte van 51 centimeter en meer.

      3. Het hekwerk bevat aan de binnenzijde geen horizontale planken of draden, zodat klimmen wordt voorkomen.

Artikel 2:59b

Locatieverbod honden (6)

  1. De burgemeester kan aan de eigenaar of houder van een hond die een bijtincident heeft veroorzaakt een locatieverbod opleggen:

    1. indien hij vreest dat de hond op die locatie opnieuw betrokken raakt bij een bijtincident.

    2. indien de aanwezigheid van de hond op een locatie tot maatschappelijke onrust leidt.

Artikel 2:59c

Hekwerk en sluitwerk (6)

Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht en vrees bestaat voor het uitbreken van een hond van eigen terrein, kan het de eigenaar of houder van die hond verplichten om op het eigen terrein een solide hekwerk en/of sluitwerk aan te brengen. De hond mag zich niet aan de voorzijde van de voorgevel bevinden. Het hekwerk is achter de voorgevel is:

  1. 1,50 meter hoog bij honden met een maximale schofthoogte van maximaal 50 centimeter

  2. 1,80 meter hoog bij honden met een schofthoogte van 51 centimeter en meer.

  3. Het hekwerk bevat aan de binnenzijde geen horizontale planken of draden, zodat klimmen wordt voorkomen.

Het sluitwerk bevat een dubbele zekering of sluis.

Artikel 2:59d

Vaste verblijfplaats gevaarlijke of hinderlijke hond (6)

  1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht en de eigenaar of houder van de hond niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, kan de burgemeester de eigenaar of houder van de hond verplichten om de hond onder te brengen op een locatie waar de hond een vaste verblijfplaats krijgt. De gegevens van deze vaste verblijfplaats alsmede de nieuwe houder van de hond moeten onverwijld bij de burgemeester gemeld worden. De burgemeester kan op grond van de APV aanvullende voorwaarden stellen waaraan de vaste woon- of verblijfplaats van de hond moet voldoen.

  2. Indien de eigenaar of oorspronkelijk houder beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats mag de hond na melding aan de burgemeester terug. De burgemeester kan op grond van de APV aanvullende voorwaarden stellen waaraan de vaste woon- of verblijfplaats van de hond moet voldoen.

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren (8)

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beeindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben; dan wel

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63

Duiven

Het is verboden op de openbare weg (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren.

Artikel 2:65

Bedelarij (8)

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:66

Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voorzover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

  3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven

(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 4 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32).

Artikel 2:71

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:

Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2:73

Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:73a

Carbidschieten (6)

  1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

  2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester carbid te schieten.

  3. De burgemeester verleent van het verbod ontheffing indien wordt voldaan aan het volgende:

    1. de aanvraag wordt ingediend vóór 1 december voorafgaand aan het moment van schieten;

    2. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur;

    3. de aanvraag is vergezeld van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt;

    4. er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens, dier en milieu;

    5. er wordt gebruik gemaakt van melkbussen met een maximale inhoud van 50 liter;

    6. de plek waar het carbidschieten plaatsvindt ligt buiten de bebouwde kom;

    7. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen:

      1. op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en;

      2. op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;

    8. het vrijschootsveld bedraagt tenminste 75 meter en hierin bevinden zich geen openbare wegen of paden en er wordt geschoten in een richting die is afgewend van woonbebouwing;

    9. indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang dient het terrein te worden verlicht.

  4. De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is.

  5. In bijzondere gevallen kan de burgemeester afwijken van het gestelde in lid 3, sub f., mits de veiligheid van mens en dier gewaarborgd is en er geen ernstige overlast voor hen ontstaat.

  6. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:74

Verzameling van personen in verband met drugs of heling

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, danwel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1a, 2:2, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:20a, 2:25j, 2:47, 2:47b, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2:78

Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

  6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (3) (6)

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. ernstige en herhaaldelijke geluid- of geurhinder;

    2. ernstige en herhaaldelijke hinder van dieren;

    3. ernstige en herhaaldelijke hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn;

    4. ernstige en herhaaldelijke intimidatie van derden vanuit de woning of het erf.

Artikel 2:80

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:4;

    2. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

    3. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

  3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

  4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:

    1. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

    2. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

    3. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    4. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

    5. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;

    6. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    8. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    1. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    2. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    4. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;

    5. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    6. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.

  6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

  7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

  9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:

    1. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    3. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    4. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    5. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

    6. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

  10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:79, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

  12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.

  14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

  16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden