1. De burgemeester kan aan een persoon die:

    1. het verbod als bedoeld in artikel 2:1a eerste lid;

    2. het verbod om steekwapens bij zich te hebben als bedoeld in artikel 2.1c eerste lid;

    3. het verbod als bedoeld in artikel 2:1d eerste of tweede lid om op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw of vaartuig openlijk stoffen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet voor handen te hebben of om post te vatten of zich heen en weer te bewegen of in /op een voertuig plaats te nemen en/of andere activiteiten uit te voeren zoals omschreven in artikel 2:1d tweede lid;

    4. het verbod om de orde te verstoren bij een evenement als bedoeld in artikel 2.25i;

    5. het verbod als bedoeld in artikel 3.9 eerste lid om diensten als prostituee aan te bieden;

    6. het verbod als bedoeld in artikel 2:48 om op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of laten nuttigen;

    7. het verbod als bedoeld in artikel 2.49 zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden of in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen, dan wel zich zonder redelijk doel bevinden in de gemeenschappelijke ruimte van de in dat artikel aangegeven gebouwen;

    8. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:50 zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is;

    9. het verbod als bedoeld en omschreven in artikel 2:65 om in aangewezen gebieden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen;

    10. het verbod, zoals bedoeld en omschreven in artikel 4:8 om zijn natuurlijke behoefte op een openbare plaats te doen;

      overtreedt, of

    11. harddrugs in strijd met artikel 2 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst koopt of verkoopt;

    12. een wapen van categorie I als bedoeld in artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen en te vervoeren

    13. een wapen van categorieën II, III en IV te dragen als bedoeld in artikel 27 van de Wet wapens en munitie;

    14. feiten pleegt die strafbaar zijn gesteld bij het Wetboek van Strafrecht waaronder in ieder geval de artikelen 138 (huisvredebreuk), 138a (kraken), 141 (openlijke geweldpleging), artikel 180 (zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar in functie), artikel 185 (belemmeren ambtsbediening), artikel 186 (samenloop), artikel 246 (aanranding van de eerbaarheid, artikel 285 (bedreiging dan wel openlijke geweldpleging), artikel 285b (belaging), artikelen 300, 301, 302 en 303 (mishandeling), artikel 312 (diefstal met geweld of bedreiging), artikel 350 (vernieling en beschadiging), artikel 426 (om staat van dronkenschap de openbare orde dan wel het verkeer verstoren) worden begrepen;

    15. in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht;

  2. een bevel geven om zich gedurende de in lid 2 onder a, b of c omschreven periode niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Het bevel als bedoeld in lid 1 geldt voor de duur van ten hoogste:

    1. 24 uur;

    2. de duur van het evenement indien er sprake is van het verstoren van de openbare orde bij een evenement; of

    3. het tijdvak van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 24.00 uur indien één of meer van de bovengenoemde overtredingen zijn begaan of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen zijn verricht die horeca gerelateerd zijn en gedurende dit tijdvak hebben plaatsgevonden.

  4. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid of met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  5. Een bevel als bedoeld in het derde lid kan slechts worden gegeven als de overtreding of het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of derde lid, plaatsvindt.

  6. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of derde lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.