1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester:

    1. tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend;

    2. indien voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend en exploitatie plaats vindt in strijd met een categorale vrijstelling als genoemd in artikel 2:28c.

  2. Indien de exploitatie van een horecabedrijf, waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt uitgebreid of (ingrijpend) wordt gewijzigd, dient een nieuwe vergunning als bedoeld in het eerste lid te worden aangevraagd.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    2. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  5. De burgemeester vermeldt in de vergunning:

    1. de vergunninghouder;

    2. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    3. de plaats waar de inrichting zich bevindt;

    4. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen;

    5. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden.

  6. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  7. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28f, tweede lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.

  8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.