1. Het college kan een verbod opleggen om met een vaartuig de gemeentelijke wateren binnen te varen, een lig- of aanlegplaats in te nemen of in de gemeentelijke wateren of op een lig- of aanlegplaats te verblijven, als het van oordeel is dat een zodanige handeling gevaar, schade of hinder voor de gemeentelijke wateren of voor de omgeving met zich meebrengt of met zich mee kan brengen.

  2. Aan wie een in het eerste lid bedoeld verbod is opgelegd, is verplicht daaraan onmiddellijk gevolg te geven.