Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Hoofdstuk 9

Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden

Artikel 9.1

  1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

    1. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, de hoofdstukken 4, 6 en 9, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;

    2. artikel 1 LPW of artikel 1 LPW BES;

    3. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet;

    4. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 of artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES;

    5. artikel 1.1 WTOS; en

    6. de hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF.

  2. Deze algemene maatregel van bestuur regelt in elk geval:

    1. het doel van het experiment;

    2. van welke artikelen die in het eerste lid zijn genoemd, kan worden afgeweken en op welke wijze;

    3. de duur van het experiment; en

    4. de wijze waarop en de criteria waarmee de effecten worden geëvalueerd die met het experiment zijn beoogd.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  4. Een experiment duurt maximaal zes jaar, of maximaal acht jaar indien de bijzondere aard van het experiment dat noodzakelijk maakt. Indien een voorstel van wet is ingediend om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat het experiment is afgelopen, kan Onze Minister de duur van het experiment verlengen tot het tijdstip waarop die wettelijke regeling in werking is getreden.

  5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, en een standpunt over omzetting van het experiment in een structurele wettelijke regeling.

Artikel 9.2

  1. Indien scholen in een experiment samenwerken met scholen als bedoeld in de WPO, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC, instellingen als bedoeld in de WEB of instellingen als bedoeld in de WHW, kan met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

    1. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 7, de hoofdstukken 4 en 6, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;

    2. voor scholen als bedoeld in de WPO: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, en afdeling 8, paragrafen 1 en 2, WPO;

    3. voor scholen als bedoeld in de WPO BES: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en 7, paragraaf 1, WPO BES;

    4. voor scholen of instellingen als bedoeld in de WEC: titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, en 4, afdeling 5, paragraaf 1, afdeling 6, paragraaf 2, en afdeling 7 artikelen 133 tot en met 137 en artikel 140 WEC;

    5. voor instellingen als bedoeld in de WEB: hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6 en 7 WEB;

    6. voor instellingen als bedoeld in de WEB BES: hoofdstuk 2, titel 2, en de hoofdstukken 6 en 7 WEB BES; en

    7. voor instellingen als bedoeld in de WHW: hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 6 en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3 en hoofdstuk 11, en paragraaf 4 WHW.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke bij of krachtens deze wet, de WPO, de WPO BES, de WEC, de WEB, de WEB BES of de WHW gestelde regels van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

  3. Artikel 9.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9.3

  1. Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een bekostigde school kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 5.

  2. Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 en 2.

  3. Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

Artikel 9.3a

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. doorstroom: de overgang van leerlingen van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening naar een school voor speciaal onderwijs, school voor voortgezet speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs;

  2. nieuwkomer: een jongere als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 die een vreemdeling is in de zin van artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000;

  3. tijdelijke nieuwkomersvoorziening: een tijdelijke uitbreiding van een school, niet zijnde een school voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 9.3g.

Artikel 9.3b

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder nieuwkomer tevens verstaan een jongere in de zin van de Leerplichtwet 1969 die vier jaren of korter in Nederland is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om in het voortgezet onderwijs in te stromen.

Artikel 9.3c

  1. Het college van burgemeester en wethouders voert ten minste jaarlijks overleg met de bevoegde gezagen van alle scholen in de gemeente en draagt zorg voor het maken van afspraken over de wijze waarop:

    1. wordt voorzien in voldoende onderwijsplaatsen voor nieuwkomers;

    2. wordt verzekerd dat nieuwkomers op een school worden ingeschreven;

    3. een doorlopende leerlijn voor nieuwkomers wordt georganiseerd.

  2. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken en de uitvoering hiervan.

Artikel 9.3d

  1. Onze Minister kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders toestemming verlenen voor de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening door de bevoegde gezagen van de scholen in de gemeente.

  2. De toestemming wordt alleen verleend indien aannemelijk is dat:

    1. in de gemeente niet voor iedere nieuwkomer in voortgezet onderwijs kan worden voorzien; of

    2. door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening op doelmatigere wijze kan worden voorzien in het onderwijs aan nieuwkomers in een aangrenzende gemeente.

  3. De toestemming vervalt indien niet binnen acht weken melding is gemaakt van de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  4. Onze Minister verbindt een termijn aan het bestaan van de tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Onze Minister kan deze termijn verlengen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.

Artikel 9.3e

  1. Onze Minister kan besluiten dat de bevoegde gezagen van de scholen in een gemeente binnen vier weken voorzien in voldoende onderwijsplaatsen voor nieuwkomers door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  2. Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening wordt uitsluitend genomen, indien:

    1. vaststaat dat in de gemeente niet voor iedere nieuwkomer in voortgezet onderwijs kan worden voorzien; en

    2. alleen nadat Onze Minister over het voornemen tot het nemen van het besluit overleg heeft gevoerd met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in het eerste lid.

  3. Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan ook betrekking hebben op het bevoegd gezag van een school in een aangrenzende gemeente:

    1. indien door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening in de aangrenzende gemeente op een meer doelmatige wijze kan worden voorzien in de vraag naar onderwijs van nieuwkomers in de gemeente bedoeld in het eerste lid; en

    2. Onze Minister over het voornemen tot het nemen van het besluit overleg heeft gevoerd met het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente.

  4. Artikel 9.3d, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Het besluit tot inrichting van tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 9.3f

  1. Het college van burgemeester en wethouders maakt ter uitvoering van het besluit bedoeld in artikel 9.3e, eerste lid onverwijld afspraken met de bevoegde gezagen van alle scholen voor voortgezet onderwijs in de gemeente over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

  2. Indien op grond van artikel 9.3e, derde lid, het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs in een aangrenzende gemeente is aangewezen, maakt:

    1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 9.3e, eerste lid, onverwijld afspraken met het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente en met alle betrokken bevoegde gezagen over de verdeling van de leerlingen tussen de gemeenten en tussen de scholen;

    2. het college van burgemeester en wethouders van de aangrenzende gemeente onverwijld afspraken met het bevoegd gezag van de aangewezen school voor voortgezet onderwijs in die gemeente over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de afspraken, bedoeld in onderdeel a.

  3. In het geval de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid, onderdeel b niet tot stand komen, wijst het college van burgemeester en wethouders een bevoegd gezag aan, niet zijnde het college van burgermeester en wethouders, dat onverwijld een tijdelijke nieuwkomersvoorziening inricht voor een school voor voortgezet onderwijs die het bevoegd gezag in die gemeente in stand houdt.

  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de toestemming, bedoeld in artikel 9.3d, eerste lid.

  5. Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan niet worden verbonden aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid.

  6. Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de uitvoering van de afspraken.

Artikel 9.3g

  1. Het onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening is gericht op de zo spoedig mogelijke doorstroom van de leerling.

  2. Een leerling volgt niet langer dan twee jaren onderwijs aan een tijdelijke nieuwkomersvoorziening of een tijdelijke onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 9.5.

  3. Het bevoegd gezag plaatst een leerling alleen in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening als:

    1. de leerling een nieuwkomer is; en

    2. de leerling niet eerder was ingeschreven op een basisschool of een school voor voortgezet onderwijs.

  4. In afwijking van het tweede of derde lid kan het bevoegd gezag een nieuwkomer onderwijs laten volgen aan een tijdelijke nieuwkomersvoorziening indien:

    1. de nieuwkomer anders geen onderwijs zou kunnen volgen;

    2. het belang van de nieuwkomer zich niet verzet tegen het volgen van onderwijs aan een tijdelijke nieuwkomersvoorziening; en

    3. de nieuwkomer onmiddellijk voorafgaand aan de plaatsing in de tijdelijke nieuwkomersvoorziening woonachtig was in een andere gemeente.

  5. Het bevoegd gezag meldt de afwijking, bedoeld in het vierde lid, onverwijld aan Onze Minister.

Artikel 9.3h

  1. Het bevoegd gezag meldt de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening onverwijld aan Onze Minister.

  2. Na een melding als bedoeld in het eerste lid, zendt het bevoegd gezag binnen acht weken een inrichtingsplan aan Onze Minister.

  3. Het inrichtingsplan, bedoeld in het tweede lid, bevat in ieder geval een beschrijving van:

    1. de wijze waarop de tijdelijke nieuwkomersvoorziening zal worden ingericht;

    2. de wijze waarop de tijdelijke nieuwkomersvoorziening toewerkt naar de zo spoedig mogelijke doorstroom van de leerlingen;

    3. de wijze waarop ten aanzien van de tijdelijke nieuwkomersvoorziening zal worden voldaan aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 3.40;

    4. het personeelsbeleid, bedoeld in artikel 2.90 voor zover dat betrekking heeft op de tijdelijke nieuwkomersvoorziening;

    5. de invulling van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 9.3i.

  4. Bij de inrichting van het onderwijs wijkt het bevoegd gezag niet af van het inrichtingsplan.

  5. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de wijziging van het inrichtingsplan.

  6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de melding, bedoeld in het eerste lid, en over het inrichtingsplan, bedoeld in het derde lid.

Artikel 9.3i

  1. Het bevoegd gezag stelt voor de tijdelijke nieuwkomersvoorziening de inhoud van het onderwijs vast in een onderwijsprogramma waarbij kan worden afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 tot en met 3, met dien verstande dat het onderwijsprogramma in ieder geval:

    1. het ononderbroken ontwikkelingsproces van de leerlingen bevordert en de zo spoedig mogelijke doorstroom van leerlingen borgt;

    2. actief burgerschap en sociale cohesie bevordert als bedoeld in artikel 2.2;

    3. zo veel mogelijk gericht is op de kerndoelen, bedoeld in artikel 2.13, waarbij in ieder geval altijd aandacht wordt besteed aan:

      1. Nederlandse taal;

      2. wiskunde;

      3. lichamelijke opvoeding;

    4. het sociaal en emotioneel welbevinden van de leerlingen bevordert.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het aantal uren dat ten minste aan het onderwijsprogramma moet worden besteed.

Artikel 9.3j

  1. Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan geen nevenvestiging zijn als bedoeld in artikel 4.14.

  2. Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, zijn, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 4.16:

    1. de tijdelijke nevenvestiging gelegen kan zijn op een afstand van meer dan drie kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging;

    2. het bevoegd gezag van een school binnen vier weken na de ingebruikname van de tijdelijke nevenvestiging voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening van die ingebruikname kennis dient te geven aan Onze Minister.

  3. In afwijking van artikel 4.17 blijft de aanspraak op bekostiging van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening die tevens een tijdelijke nevenvestiging is ook bestaan als de afstand als bedoeld in dit artikel groter is dan drie kilometer.

Artikel 9.3k

  1. Indien een vacature voor het geven van onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar als bedoeld in artikel 7.9, kan het onderwijs niet langer dan strikt noodzakelijk, in afwijking van paragraaf 2 van hoofdstuk 7, ook worden gegeven door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.

  2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor schriftelijke afspraken met degene, bedoeld in het eerste lid, waarin wordt vastgelegd op welke wijze het bevoegd gezag betrokkene ondersteunt om zo snel mogelijk te voldoen aan de eisen opgenomen in hoofdstuk 7, paragrafen 2 en 3.

  3. Het bevoegd gezag legt ten aanzien van elke leraar in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening vast over welke opleiding en ervaring degene die benoemd wordt beschikt.

Artikel 9.3l

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening regels worden gesteld over:

  1. het doorstroomperspectief;

  2. het schoolplan, bedoeld in artikel 2.88, en de schoolgids, bedoeld in artikel 2.92;

  3. de plaatsing van leerlingen op een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

Artikel 9.3m

  1. Het bevoegd gezag voorziet in de doorstroom van leerlingen voordat de termijn voor het inrichten van nieuwkomersvoorzieningen, bedoeld in artikel 9.3d, vierde lid, is verstreken.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een tijdelijke nieuwkomersvoorziening wordt opgeheven.

Artikel 9.3n

  1. Hoofdstuk 9, paragraaf 2a, en hoofdstuk 11, paragraaf 8a, vervallen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs.

  2. Bij koninklijk besluit kan de in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaar worden verlengd.

  3. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der Kamers der Staten-Generaal binnen die termijn besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt ten aanzien van dat ontwerp geen voordracht gedaan. Een besluit als bedoeld in de vorige zin kan worden genomen op voorstel van een of meer leden van een der Kamers der Staten-Generaal.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020