Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Hoofdstuk 6

Huisvesting

Artikel 6.1

  1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig dit hoofdstuk. De raad en het college van burgemeester en wethouders behandelen daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.

  2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden school ook verstaan een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.

Artikel 6.2

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder huisvestingsvoorzieningen verstaan:

    1. voor blijvend respectievelijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

      1. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, en ook de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair;

      2. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen; en

      3. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;

    2. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein; of

    3. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling die huisvestingsvoorzieningen ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 6.3

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de huisvestingsvoorzieningen voor:

    1. basisscholen als bedoeld in artikel 1 WPO;

    2. speciale scholen voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO;

    3. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en

    4. scholen.

  2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de scholen, bedoeld in het eerste lid, op het grondgebied van de gemeente.

Artikel 6.4

  1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan bij het college van burgermeester en wethouders een aanvraag indienen voor het opnemen van die voorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan voor huisvestingsvoorzieningen bekostiging verstrekken voor de kosten van bouwvoorbereiding.

  3. Het college van burgemeester en wethouders stelt vast voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en welke voorwaarden gelden.

  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.

Artikel 6.5

  1. Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op het grondgebied van de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3.

  2. Het programma omvat de huisvestingsvoorzieningen die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen en de huisvestingsvoorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.

  3. Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend huisvestingsvoorzieningen in het programma op, voor zover:

    1. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorziening wordt gerealiseerd; en

    2. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 6.10, van toepassing is.

  4. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c.

  5. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.

  6. Het college van burgemeester en wethouders kan aan opname in het programma voorwaarden verbinden over ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

  7. Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c, in acht.

  8. Tijdens het overleg, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt gelijktijdig met het programma bekend gemaakt.

  9. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.

Artikel 6.6

Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 6.5, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die huisvestingsvoorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de die voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid.

Artikel 6.7

Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 6.5 en geen overzicht als bedoeld in artikel 6.6 vast, indien geen huisvestingsvoorziening nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 6.3.

Artikel 6.8

  1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een huisvestingsvoorziening wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 6.5, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag voor bekostiging van die voorziening in bij het college van burgemeester en wethouders.

  2. Het besluit kan een gedeelte van de gewenste huisvestingsvoorziening dan wel een andere huisvestingsvoorziening dan gewenst omvatten. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af, indien:

    1. het besluit over de huisvestingsvoorziening kan worden opgenomen in het eerstvolgende programma; of

    2. een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.

Artikel 6.9

  1. Het college van burgemeester en wethouders besluit met ingang van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in artikel 6.5, de bekostiging van een huisvestingsvoorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd artikel 6.11.

  2. De aanspraak op bekostiging van een huisvestingsvoorziening vervalt, indien niet binnen een in de verordening op basis van artikel 6.12 te bepalen termijn na het besluit, bedoeld in het eerste lid, voorde huisvestingsvoorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 6.10

  1. Het college van burgemeester en wethouders weigert een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien:

    1. de gewenste huisvestingsvoorziening geen voorziening is als bedoeld in artikel 6.2;

    2. de gewenste huisvestingsvoorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel b;

    3. de gewenste huisvestingsvoorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, met inachtneming van artikel 6.12, eerste lid, onderdelen c en d;

    4. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt;

    5. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, niet toereikend is voor de te verstrekken huisvestingsvoorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel; of

    6. de gewenste huisvestingsvoorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.

  2. Het college van burgemeester en wethouders weigert ook een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien de huisvestingsvoorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 6.11

De huisvestingsvoorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 6.5, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip, bedoeld in artikel 6.9:

  1. is voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde; en

  2. de feiten en de omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en de omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.

Artikel 6.12

  1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast over:

    1. de huisvestingsvoorzieningen die voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht;

    2. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen;

    3. de urgentiecriteria;

    4. de prognosecriteria;

    5. het tijdstip, bedoeld in artikel 6.9;

    6. de procedure voor verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs;

    7. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 6.20, en ook de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud; en

    8. de gegevens, bedoeld in artikel 6.23.

  2. De verordening voldoet aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.

  3. De gemeenteraad stelt bij verordening ook de normen vast aan de hand waarvan het college van burgemeester en wethouders de bedragen vaststelt voor de toegekende huisvestingsvoorzieningen.

  4. Het college van burgemeester en wethouders betaalt volgens door hem te stellen regels de bedragen op grond van de door de gemeenteraad gestelde normen, bedoeld in het derde lid.

  5. Voor de vaststelling of wijziging van de verordening, bedoeld in het eerste lid, voert de gemeenteraad op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.

  6. Tijdens het overleg, bedoeld in het vijfde lid, kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de verordening in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt gelijktijdig met de verordening of de wijziging daarvan bekendgemaakt.

Artikel 6.13

  1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de huisvestingsvoorziening waartoe op grond van de artikelen 6.5 en 6.8 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen financiële middelen, tenzij het met de gemeente overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.

  2. Indien de gemeente de huisvestingsvoorziening van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein om niet aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij de gemeente en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

  3. Indien de huisvestingsvoorziening, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft de gemeente deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 6.14

Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op bekostiging van een huisvestingsvoorziening, met de gemeente overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.15

De gemeente brengt een huisvestingsvoorziening van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 6.16

  1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

  2. Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 6.17

  1. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.

  2. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  3. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, gedurende die tijd te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

  4. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school, voert het college van burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 6.18

  1. Voor zover artikel 6.17 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist.

  2. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

    1. indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 6.17 zonder dat enige schadeplicht ontstaat; of

    2. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.

  3. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  4. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid.

  5. Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school en ook elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst voor schoolgebouwen, is nietig.

Artikel 6.19

De huisvestingsvoorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 6.18 of 6.20 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, komen niet ten laste van de gemeente.

Artikel 6.20

  1. Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

  2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op aanvraag besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag voor het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.

  3. Bij toepassing van het eerste lid stellen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Indien dat het geval is, vindt verrekening plaats van de daarmee gemoeide kosten.

  4. De gemeenteraad en het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen die zich bij de toepassing van het derde lid voordoen.

  5. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders.

  6. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O., zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, en waarvoor door het bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

  7. Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

  8. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op aanvraag besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Voordat op de aanvraag wordt besloten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.

  9. Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het achtste lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren.

  10. De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met ten hoogste drie jaren.

  11. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

Artikel 6.21

In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad in overeenstemming met het bevoegd gezag besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden.

Artikel 6.22

  1. In afwijking van dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting die bij of krachtens de WEB zijn vastgesteld van toepassing op scholen die deel uitmaken van een verticale scholengemeenschap.

  2. Artikel 6.20 is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en terreinen waarvan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een verticale scholengemeenschap tot stand komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs.

  3. De gemeenteraad kan in overeenstemming met het bevoegd gezag besluiten:

    1. dat het tweede lid niet van toepassing is;

    2. dat daarvoor het bevoegd gezag of de gemeenteraad aan de andere partij een vergoeding is verschuldigd; en

    3. in voorkomende gevallen, hoe hoog die vergoeding is.

  4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt inschrijving van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 6.23

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school verschaft aan de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen die de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk noodzakelijk acht.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020