Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Paragraaf 9

Kwaliteitszorg en communicatie

Artikel 2.87

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Daaronder wordt in elk geval verstaan het naleven van de regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91.

Artikel 2.88

  1. Het bevoegd gezag stelt in elk geval eenmaal in de vier jaar het schoolplan vast.

  2. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd. Deze beschrijving omvat in elk geval:

    1. het onderwijskundig beleid;

    2. het personeelsbeleid; en

    3. het stelsel van kwaliteitszorg.

  3. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor het aanvaarden van materiële of financiële bijdragen, niet zijnde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 8.8, zevende lid, of een andere op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdrage, indien het bevoegd gezag bij het aanvaarden van deze bijdragen verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen zullen worden geconfronteerd binnen de schooltijden, tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, en tijdens het overblijven.

  4. Het schoolplan geeft aan, op welke wijze de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 3.23, invulling geeft aan het openbare karakter of, voor zover het een samenwerkingsschool betreft, de identiteit ervan, respectievelijk de identiteit van de school voor zover het betreft een samenwerkingsschool.

  5. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan of een wijziging daarvan zo spoedig mogelijk na de vaststelling aan de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.89

  1. De beschrijving van het onderwijskundig beleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel a, omvat in elk geval:

    1. de uitwerking van de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over de uitgangspunten, de doelstelling en de inhoud van het onderwijs;

    2. de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma;

    3. het pedagogisch-didactisch klimaat en het schoolklimaat; en

    4. de wijze waarop wordt zorggedragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40.

  2. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt ook het ondersteuningsaanbod van de school betrokken.

Artikel 2.90

De beschrijving van het personeelsbeleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel b, omvat in elk geval:

  1. de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen van bevoegdheid en de wijze waarop de bekwaamheid wordt onderhouden;

  2. de maatregelen voor het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid;

  3. het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel;

  4. cijfers over de mate van evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities; en

  5. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen op dat beleid.

Artikel 2.91

De beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, vermeldt in elk geval hoe wordt zorggedragen voor:

  1. het bewaken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid; en

  2. het vaststellen van welke maatregelen ter verbetering nodig zijn.

Artikel 2.92

  1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids voor het eerstvolgende schooljaar vast.

  2. De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en in elk geval over:

    1. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het onderwijsleerproces worden bereikt, waaronder, in elk geval voor het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de schoolgids wordt vastgesteld, per schoolsoort voor elk leerjaar:

      1. het percentage leerlingen dat doorstroomt naar een hoger leerjaar of naar een andere schoolsoort; en

      2. het percentage leerlingen dat de school zonder diploma verlaat en het percentage leerlingen dat voor het eindexamen slaagt;

    2. de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school;

    3. het totale aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38, eerste tot en met vierde lid, wordt geprogrammeerd, de vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd, en het beleid voor lesuitval;

    4. de inrichting van het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, waarbij wordt aangegeven of sprake is van vakoverstijgende programmaonderdelen en de inzet van het personeel daarbij;

    5. in voorkomend geval de invulling van de maatschappelijke stage, bedoeld in artikel 2.32;

    6. de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 8.8, zevende lid, waarbij wordt vermeld dat deze vrijwillig is en dat het niet voldoen van die bijdrage niet leidt tot het uitsluiten van leerlingen van deelname aan activiteiten;

    7. de rechten en plichten van de ouders, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in de artikelen 3.35 en 3.36, waarbij voor de leerlingen kan worden volstaan met het vermelden van de rechten en plichten die zijn opgenomen in het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 2.98;

    8. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de bijdragen, bedoeld in artikel 2.88, derde lid;

    9. het beleid over de veiligheid;

    10. het leerlingenparticipatiebeleid, waaronder wordt begrepen de wijze waarop leerlingen worden betrokken bij de vorming van het beleid van de school, en ook de wijze waarop deze betrokkenheid wordt gefaciliteerd en gestimuleerd;

    11. het verzuimbeleid;

    12. de wijze waarop de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 3.23, invulling geeft aan het openbare karakter van de school of aan de identiteit van de school voor zover het gaat om een samenwerkingsschool;

    13. het samenwerkingsverband en in voorkomend geval de samenwerkingsverbanden waarbij het bevoegd gezag van de school is aangesloten;

    14. de persoon bij wie de taken, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onderdeel c, zijn belegd;

    15. de bevindingen die in het kader van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91, zijn gedaan en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen; en

    16. het beleid met betrekking tot loopbaanbegeleiding, bedoeld in artikel 2.31a, vierde lid.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop in de schoolgids:

    1. de resultaten worden beschreven die met het onderwijs worden bereikt; en

    2. de context wordt vermeld waarin deze resultaten dienen te worden geplaatst.

  4. Het bevoegd gezag stelt de schoolgids zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de ouders, dan wel de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.92a

Voorafgaand aan de vaststelling van de schoolgids stelt het bevoegd gezag leerlingen in de gelegenheid op een door hen te bepalen wijze vrijelijk hun mening naar voren te brengen over de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school. Het bevoegd gezag biedt leerlingen daartoe de ondersteuning die zij nodig hebben. Het bevoegd gezag beschrijft in de schoolgids op algemene wijze de inbreng van de leerlingen en de mate van invloed op de vaststelling van de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school.

Artikel 2.93

  1. Het bevoegd gezag vermeldt in de naam van de school de schoolsoort waartoe de school behoort.

  2. Bij een geschil tussen het bevoegd gezag en Onze Minister over de vraag tot welke schoolsoort de school behoort, beslist Onze Minister.

  3. Het bevoegd gezag van een school voor mavo, een school voor vbo, of een scholengemeenschap waarvan in elk geval een school voor mavo of een school voor vbo deel uitmaakt, kan voor die school de vermelding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» of «vmbo» gebruiken.

  4. In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag tot uitdrukking:

    1. welk onderwijs dat bij of krachtens deze wet is geregeld, de leerlingen en toekomstige leerlingen volgen respectievelijk kunnen volgen;

    2. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en

    3. in voorkomend geval, welk onderwijs de school als contractactiviteit verzorgt.

Artikel 2.94

  1. De kwaliteit van het onderwijs aan een school heeft de kwalificatie «zeer zwak», indien de leerresultaten van het vwo, het havo, het mavo, het vbo, het vmbo in de theoretische leerweg en de gemengde leerweg, het vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg of het vmbo in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten ook tekortschiet in de naleving van een of meer regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke opdracht om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, indien de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak» heeft.

  2. Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien in de schoolsoort of de leerweg, bedoeld in het eerste lid, de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen onder de normering, bedoeld in het vierde lid, die daarvoor geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van dezelfde schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar leerlingenbestand.

  3. Indien de leerresultaten van het onderwijs niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het vierde lid, heeft de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak», indien het bevoegd gezag ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, tekortschiet in de naleving van twee of meer regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en het bevoegd gezag als gevolg daarvan tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen of in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de wijze waarop leerresultaten worden gemeten;

    2. de normering, bedoeld in het tweede lid; en

    3. de aard van en het aantal gegevens over de leerresultaten die ten minste beschikbaar moeten zijn.

Artikel 2.95

  1. In een situatie als bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, kan Onze Minister beslissen dat met ingang van een bepaalde datum een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een bijzondere school wordt beëindigd.

  2. Indien de toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat een school alleen nog onderwijs zou verzorgen in de eerste twee leerjaren, is het eerste lid van toepassing op de gehele school.

  3. Voordat Onze Minister het eerste en tweede lid toepast:

    1. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11, derde lid, WOT verricht en aan Onze Minister meegedeeld dat het bevoegd gezag naar aanleiding van dit onderzoek niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel dat uit het onderzoek naar de verbeteringen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, WOT blijkt dat sprake is van onvoldoende verbeteringen;

    2. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, WOT uitgebracht; en

    3. heeft Onze Minister het bevoegd gezag vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken zijn zienswijze over de voorgenomen opheffing of de voorgenomen beëindiging van de bekostiging naar voren te brengen.

  4. Op een schoolsoort of leerweg die minder dan 2 schooljaren wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit van het onderwijs in deze periode zeer zwak is, bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag:

    1. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge

    2. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid.

  5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien uit een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat een bevoegd gezag niet of niet volledig heeft voldaan aan een aanwijzing wegens wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, onderdeel f of g, en dat het wanbeheer niet is beëindigd.

Artikel 2.96

  1. Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen twee weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.

  2. Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig aan deze informatieplicht voldoet, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport in de derde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.

  3. Indien de inspectie tot het oordeel komt, bedoeld in het eerste lid, dan betrekt het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school en de meerderjarige leerlingen bij de maatregelen die het bevoegd gezag voornemens is te treffen ter verbetering van de kwaliteit.

Artikel 2.97

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, dan wel aan de leerlingen zelf als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Artikel 2.98

  1. Het bevoegd gezag stelt elke twee jaar een leerlingenstatuut vast.

  2. Het leerlingenstatuut vermeldt de rechten en plichten van de leerlingen.

  3. Het leerlingenstatuut bevat in elk geval regels over handhaving van de goede gang van zaken binnen de school, en over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.

  4. Het bevoegd gezag stelt de actuele versie van het leerlingenstatuut voor de leerlingen beschikbaar.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020