Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Hoofdstuk 11

Caribisch Nederland

Artikel 11.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. expertisecentrum onderwijszorg: het expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in artikel 11.18;

  2. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

  3. Raad onderwijs arbeidsmarkt: de Raad onderwijs arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB BES;

  4. samenwerkingsverband CN: het samenwerkingsverband CN, bedoeld in artikel 11.16.

Artikel 11.2

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 11.3

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 7.42, vijfde lid, 11.08, tweede lid, en 11.13, vierde lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikel 11.4

  1. In afwijking van artikel 2.11, eerste lid, kan het praktijkonderwijs worden gegeven in een andere taal dan het Nederlands.

  2. De gedragscode, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.5

In afwijking van de artikelen 2.20, vierde lid, aanhef, en 2.25, tweede lid, aanhef, geeft een school het onderwijs in een of meer van de profielen.

Artikel 11.6

In afwijking van de artikelen 2.29 en 2.30 zijn de artikelen 11.7 en 11.8 van toepassing.

Artikel 11.7

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie naar het oordeel van het bevoegd gezag vaststaat dat:

  1. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden; en

  2. het volgen van onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 11.13, niet zal leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.

Artikel 11.8

  1. Indien het bevoegd gezag van de school waar een leerling zich aanmeldt, of waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 11.13 af te sluiten met een diploma of getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, kan het bevoegd gezag aan de ouders van de leerling voorstellen dat de leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs volgt.

  2. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen.

  3. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de leerling het praktijkonderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.8a

Artikel 2.31a, vierde lid, tweede volzin, en artikel 2.31b zijn niet van toepassing.

Artikel 11.9

Artikel 2.32 en artikel 2.33, tweede lid, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.10

In aanvulling op artikel 2.34 draagt het bevoegd gezag zorg voor een optimale aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de instructietaal die op de scholen wordt gehanteerd.

Artikel 11.11

  1. Indien een leerling in een deel van de week onderwijs ontvangt op een andere school of wordt begeleid bij het expertisecentrum onderwijszorg, telt de tijd dat de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:

    1. regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste lid; en

    2. voorwaarden worden gesteld waaraan scholen en instellingen als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen als voorwaarde voor het meetellen van de tijd, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11.12

In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 zijn de artikelen 11.13 tot en met 11.23 van toepassing.

Artikel 11.13

  1. Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.

  2. Leerwegondersteunend onderwijs:

    1. bereidt de leerling voor op het volgen van onderwijs in een van deze leerwegen, of

    2. wordt verzorgd tijdens het volgen van dat onderwijs; en

    3. wordt zodanig in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan volgen dat is gericht op het afsluiten van de leerweg.

  3. Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven indien de leerling met behulp van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, geen ononderbroken ontwikkelingsproces kan doormaken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

  4. Het bevoegd gezag beslist of een leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen. Na overleg met de ouders van de leerling beslist het bevoegd gezag of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.

  5. Het bevoegd gezag stelt, na overleg met de ouders en de leerling, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop aan de leerling het leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.14

  1. Het bevoegd gezag van een school waar een leerling met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven stelt in overeenstemming met de ouders en met inachtneming van artikel 11.18, derde lid, voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de leerling wordt ingeschreven op of na 1 augustus, wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.

  2. Het bevoegd gezag stelt het handelingsplan op nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

  3. Het bevoegd gezag beschrijft in het handelingsplan de inbreng van de leerling en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

  4. Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

  5. Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders en de leerling geëvalueerd.

Artikel 11.15

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Artikel 11.16

  1. Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband CN met, voor zover aanwezig in het openbaar lichaam:

    1. een of meer scholen;

    2. een of meer scholen voor basisonderwijs;

    3. een of meer instellingen als bedoeld in de WEB BES;

    4. de uitvoeringsinstantie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES; en

    5. een expertisecentrum onderwijszorg.

  2. In afwijking van het eerste lid kan een samenwerkingsverband CN bestaan uit de betrokkenen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d, die samen een expertisecentrum onderwijszorg in stand houden.

  3. Het samenwerkingsverband CN heeft als doel, het realiseren van een zodanig samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen scholen en in samenwerking met de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, dat zoveel mogelijk leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doormaken.

  4. Per openbaar lichaam is er één samenwerkingsverband CN.

  5. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan het samenwerkingsverband CN, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in het samenwerkingsverband CN niet geweigerd.

  6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een geschil wordt beslecht tussen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, over aangelegenheden die het samenwerkingsverband CN aangaan.

Artikel 11.17

  1. Het bevoegd gezag stelt samen met de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in een samenwerkingsverband CN en met het expertisecentrum onderwijszorg indien artikel 11.16, tweede lid, van toepassing is, jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk eilandelijk zorgplan vast voor het daaropvolgende schooljaar.

  2. Het eilandelijk zorgplan bevat in elk geval een beschrijving van:

    1. de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 11.16, eerste en derde lid;

    2. de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 11.23, wordt ingezet;

    3. de wijze waarop de subsidie voor de taken, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, en voor zover van toepassing artikel 11.19, vierde lid, wordt ingezet;

    4. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte;

    5. de procedures voor de handelingsgerichte diagnose van leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten; en

    6. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen.

  3. Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.18

  1. Onze Minister kan op aanvraag een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte waarin binnen de school redelijkerwijs niet kan worden voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:

    1. het verzorgen van onderwijsondersteunende activiteiten aan leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis;

    2. het verzorgen van ambulante begeleiding voor leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis;

    3. het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek voor de leerlingen op verzoek van het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband CN of de ouders; of

    4. het op verzoek van een bevoegd gezag, het samenwerkingsverband CN of de ouders van leerlingen adviseren en collegiaal consulteren.

  2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als expertisecentrum onderwijszorg.

  3. Een leerling die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de school. Het bevoegd gezag van deze school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een leraar die daartoe bevoegd is op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 7.

Artikel 11.19

  1. Met inachtneming van artikel 11.57 vergoedt het bevoegd gezag voor het begeleiden van zijn leerling, bedoeld in artikel 11.18, derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband CN nodig is, de kosten die worden gemaakt door:

    1. het expertisecentrum onderwijszorg; en

    2. een ander bevoegd gezag van een school of instelling als bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

  2. Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg.

  3. Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn respectievelijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid. De artikelen 3.35 en 3.36 zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 11.20

  1. Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid.

  3. De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.21

  1. Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, en voor zover van toepassing artikel 11.19 vierde lid, zijn de ambtenaren belast die bij besluit van Onze Minister zijn aangewezen.

  2. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid Awb zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, Awb ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 11.22

  1. Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.

  2. Deze voorzieningen worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 11.23

  1. Het Rijk bekostigt scholen voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 11.24

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.52, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.24a

De artikelen 2.60, vierde lid, 2.60b, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, met dien verstande dat het bevoegd gezag de schriftelijke motivering bedoeld in artikel 2.60b, tweede lid, wel zo spoedig mogelijk aan de examencommissie zendt.

Artikel 11.26

  1. In artikel 2.83, eerste lid, wordt voor «artikel 6:7 Awb» gelezen «artikel 56, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES».

  2. In artikel 2.83, tweede lid, wordt voor «artikel 7.24, eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid, Awb» gelezen «artikel 69, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES».

Artikel 11.27

In afwijking van artikel 2.89, tweede lid, bevat het schoolplan een beschrijving van de wijze waarop het bevoegd gezag de uitwerking van het eilandelijk zorgplan vorm geeft.

Artikel 11.28

De artikelen 2.94 tot en met 2.96 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.29

In afwijking van de artikelen 2.103, zesde lid, tweede volzin, en zevende lid, 2.105 en 5.45 zijn de artikelen 11.30, 11.31 en 11.58 van toepassing.

Artikel 11.30

  1. Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt verzorgd door een bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst die wordt gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens ouders, dat bedrijf of die organisatie, en de Raad onderwijs arbeidsmarkt, die daarmee verklaart:

    1. dat het bedrijf of de organisatie voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a; en

    2. voor zover van toepassing, dat de gronden voor dat kwaliteitsoordeel nog steeds aanwezig zijn.

  2. In afwijking van Boek 7A, artikel 1613c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES, is bij strijd als bedoeld in dat artikel, het eerste lid van toepassing.

Artikel 11.31

  1. Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse gedeelte van het leer-werktraject verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.

  2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a.

  3. De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

  4. Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt alleen verzorgd door bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

Artikel 11.32

In artikel 2.107, tweede lid, wordt voor «het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven» gelezen «de Raad onderwijs arbeidsmarkt».

Artikel 11.33

  1. Aan een school is een medezeggenschapsraad verbonden.

  2. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste vier leden.

  3. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit leden die:

    1. uit en door het personeel worden gekozen; en

    2. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen worden gekozen.

  4. De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Ook zijn de aantallen leden die worden gekozen uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de plaats die niet door de desbetreffende groep kan worden vervuld, worden toegedeeld aan de andere groep.

  5. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

Artikel 11.34

  1. Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht voor meer dan één school, kan een medezeggenschapsraad worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste twee leden.

  2. Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag, kunnen geen lid zijn van de medezeggenschapsraad.

  3. Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet ook lid zijn van de medezeggenschapsraad.

Artikel 11.35

  1. De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad gebeurt bij geheime schriftelijke stemming.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de periode waarin de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.

  3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun relatie met het bevoegd gezag tot de school. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op kandidaat-leden en voormalige leden.

  4. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met de eerste volzin is nietig.

  5. De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of diens plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 11.36

  1. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken.

  2. Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen indien daartoe een gemotiveerd verzoek wordt gedaan door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd.

Artikel 11.37

  1. In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, en 3.10, tweede lid, kunnen een openbare rechtspersoon of een stichting voor openbaar onderwijs niet door meer dan door één openbaar lichaam worden ingesteld.

  2. In afwijking van artikel 3.22, derde lid, is van een situatie als bedoeld in dat lid, onderdeel a, sprake indien één van de betrokken scholen of scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door zestig of minder leerlingen boven de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 11.53.

Artikel 11.38

De artikelen 3.29 tot en met 3.32 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.42

In plaats van de artikelen 4.2, 4.2a, 4.3 en 4.5 tot en met 4.7 zijn de artikelen 11.44 tot en met 11.45c van toepassing.

Artikel 11.43

  1. Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze school, mede gelet op de hoogte van de bekostiging die krachtens deze wet wordt verstrekt, zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende kwaliteit in stand te houden; en

    2. voldoet aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid, en 11.45a, eerste en tweede lid.

  2. Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid bedoelde aantal; en

    2. voldoet aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid, en 11.45a, eerste en tweede lid.

  3. Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid en artikel 11.45a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van de beoogde plaats van vestiging is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 11.45c is van overeenkomstige toepassing.

  4. Onze Minister brengt een openbare of bijzondere nevenvestiging van een school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nevenvestiging, mede gelet op de hoogte van de bekostiging die krachtens deze titel wordt verstrekt, zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende kwaliteit in stand te houden; en

    2. voldoet aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid, en 11.45a, eerste en tweede lid.

Artikel 11.44

  1. Artikel 11.43, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een bekostigde school voor vbo.

  2. Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nieuwe school zal worden bezocht door ten minste drie kwart van het daarvoor in artikel 11.43, eerste lid, bedoelde aantal; en

    2. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11.45, eerste en tweede lid, en artikel 11.45a, eerste en tweede lid.

Artikel 11.45

  1. Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:

    1. een school;

    2. een scholengemeenschap; of

    3. een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo.

  2. Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

  3. De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11.45a, tweede lid, onderdeel b.

  4. Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:

    1. met inachtneming van artikel 11.43, eerste, tweede en vierde lid, en 11.44, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of

    2. met inachtneming van artikel 11.43, derde lid, op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid of tweede lid, of de openbare school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.

  5. Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 11.43 afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.

  6. Van de besluiten, bedoeld in het vierde en achtste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  7. Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 11.45b, vijfde lid, onderdeel a, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

  8. Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

  9. Onze Minister kan de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam, die reeds een of meer scholen of scholengemeenschappen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen, welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.

  10. Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 11.45a

  1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, vermeldt:

    1. de schoolsoort of schoolsoorten;

    2. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en

    3. de beoogde plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap.

  2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    1. een belangstellingsmeting;

    2. een beschrijving van het voorgenomen beleid over de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:

      1. de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid;

      2. het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 zal worden geprogrammeerd;

      3. de inhoud van een in onderwijstijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma, geldend voor de schoolsoort en leerweg, bedoeld in de artikelen 2.12 tot en met 2.14, 2.19 tot en met 2.27, en 2.37, voor zover deze schoolsoort of leerweg van toepassing is op de aanvraag;

      4. de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.2; en

      5. de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 3.1 en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7.5, een beschrijving van de over te dragen taken;

    3. een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van de beoogde plaats van vestiging en de bevoegd gezagsorganen binnen het voedingsgebied van de school of scholengemeenschap zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en

    4. een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen en die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.

  3. De aanvraag bevat tevens:

    1. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;

    2. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school of scholengemeenschap;

    3. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van de leraren, onderwijsondersteunende functionarissen, de rector, directeur, conrector of adjunct-directeur;

    4. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op school of scholengemeenschap;

    5. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren die gebaseerd is op de bekostiging die de school of scholengemeenschap zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;

    6. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting;

    7. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen; en

    8. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de medezeggenschap, bedoeld in artikel 11.36.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld.

Artikel 11.45b

  1. De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij:

    1. ouderverklaringen; dan wel

    2. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.

  2. De belangstellingsmeting:

    1. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid; en

    2. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat het eiland omvat van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging.

  3. Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

    1. voor de ouderverklaring geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de beoogde school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.

    2. voor het marktonderzoek geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in het marktonderzoek is aangegeven belangstelling te hebben voor de beoogde school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar die aan het marktonderzoek heeft deelgenomen; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor. De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomsten van de formules, bedoeld onder a, of b, hebben geleid.

  4. De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

  5. Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

    1. heeft betrekking op leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar;

    2. wordt afgenomen onder de ouders van leerlingen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;

    3. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de leerlingen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die leerlingen; en

    4. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.

  6. Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de voedingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

    1. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en

    2. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 11.45c

  1. De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

  2. De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 11.43 en 11.44 vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

  3. In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of het openbaar lichaam van het eiland van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven.

Artikel 11.47

  1. Artikel 4.10, eerste lid, is niet van toepassing.

  2. Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:

    1. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien deze binnen hetzelfde openbaar lichaam gevestigd zijn;

    2. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een scholengemeenschap waarvan een school voor mavo of een school voor vbo deel uitmaakt, met een instelling als bedoeld in de WEB BES die in hetzelfde openbaar lichaam is gevestigd; of

    3. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap.

Artikel 11.49

In plaats van de artikelen 4.12 tot en met 4.17 zijn de artikelen 11.50 en 11.51 van toepassing.

Artikel 11.50

  1. Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging ook een nevenvestiging zijn verbonden.

  2. Een nevenvestiging komt tot stand door:

    1. een samenvoeging als bedoeld in artikel 11.47; of

    2. door vorming van een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 11.43, vierde lid.

  3. Een nevenvestiging is gelegen in hetzelfde openbaar lichaam als de hoofdvestiging.

  4. Op een nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging.

Artikel 11.51

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap binnen de grenzen van het openbaar lichaam verplaatst.

Artikel 11.52

De artikelen 4.18 tot en met 4.23 en 4.26 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.53

  1. De artikelen 4.24 en 4.25, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing.

  2. Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd als de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren steeds is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal.

  3. Bij toepassing van het tweede lid, vindt de opheffing of de beëindiging van de bekostiging plaats met ingang van de eerstvolgende datum van 1 augustus na de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in dat lid.

  4. Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien de school of scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van het derde lid en de eerste volzin van dit lid eindigt de bekostiging van de school of scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen aantal leerlingen zijn ingeschreven.

Artikel 11.55

Artikel 5.1, eerste lid, en hoofdstuk 5, paragraaf 3, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.56

  1. In afwijking van artikel 5.4, eerste lid, bestaat de bekostiging voor een school uit:

    1. een bedrag per school; en

    2. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar schoolsoort, leerjaar, leerweg of profiel.

  2. Artikel 5.4, tweede lid, is niet van toepassing.

  3. Artikel 5.4, vierde lid, onderdeel c, is niet van toepassing. In plaats daarvan wordt de bekostiging van de scholen mede verstrekt voor kosten wegens voorschriften die zijn gegevens bij of krachtens de Ambtenarenwet BES.

  4. De artikelen 5.5 en 5.9, derde lid, zijn niet van toepassing.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging kan worden toegekend.

Artikel 11.57

  1. Artikel 5.39, vierde lid, is niet van toepassing.

  2. Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten ook besteden aan de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:

    1. een andere school voor voortgezet onderwijs;

    2. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken;

    3. een school als bedoeld in de WPO BES;

    4. een instelling als bedoeld in de WEB BES; en

    5. het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 11.58

  1. Onze Minister kan aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt subsidie verstrekken voor de taken, geregeld in 11.31. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

  2. De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.59

Voor de toepassing van artikel 5.46, eerste lid, zijn de in dat lid genoemde voorschriften van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.60

In afwijking van hoofdstuk 6 zijn de artikelen 11.61 tot en met 11.80 over huisvesting van toepassing.

Artikel 11.61

De artikelen 11.62 tot en met 11.80 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.

Artikel 11.62

  1. De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstig deze paragraaf voor de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en voor de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam.

  2. De huisvesting is zodanig dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in het openbaar lichaam stelt. De eilandsraad of het bestuurscollege behandelt daarbij de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en de andere scholen op gelijke voet.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 11.63

  1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder voorzieningen in de huisvesting verstaan:

    1. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

      1. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, en eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair;

      2. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen; en

      3. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;

    2. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein; of

    3. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.

  2. De kosten van bouwvoorbereiding kunnen tot de kosten van huisvesting worden gerekend.

Artikel 11.64

  1. Het bestuurscollege stelt jaarlijks, na overleg met de betrokken bevoegde gezagsorganen, ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:

    1. basisscholen als bedoeld in de WPO BES; en

    2. scholen.

  2. Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van het openbaar lichaam.

Artikel 11.65

  1. Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient bij het bestuurscollege een aanvraag in voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  2. De eilandsraad stelt bij verordening de vereisten voor de aanvraag vast.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.

Artikel 11.66

  1. Het bestuurscollege beslist op de aanvraag voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Het bestuurscollege geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om een onvolledige aanvraag binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn aan te vullen.

  2. Het bestuurscollege kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, als:

    1. het bevoegd gezag niet heeft voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag in de eilandsverordening, bedoeld in artikel 11.65, tweede lid; of

    2. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.

  3. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 11.64, onvoldoende is om alle aanvragen te kunnen inwilligen, wordt de volgorde van de verlening van bekostiging bepaald op basis van de urgentie van de gevraagde voorziening.

  4. De beschikking van het bestuurscollege kan een gedeelte van de gewenste voorziening of een andere voorziening dan gewenst omvatten.

Artikel 11.67

  1. In afwijking van de termijnen in de artikelen 11.65 en 11.66 beslist het bestuurscollege binnen vier weken op een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden.

  2. Het bestuurscollege wijst de aanvraag af indien:

    1. de beslissing over de voorziening kan worden genomen met inachtneming van de termijn, bedoeld in artikel 11.66, eerste lid; of

    2. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 11.68, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.

Artikel 11.68

  1. Een voorziening in de huisvesting wordt alleen geweigerd als:

    1. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 11.63;

    2. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school al beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd;

    3. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen;

    4. op andere wijze dan de aanvrager wenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een al voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt;

    5. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 11.64, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, van dat artikel; of

    6. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.

  2. Een voorziening in de huisvesting kan ook worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 11.69

  1. Het bestuurscollege beslist met ingang van welk tijdstip de bekostiging van een voorziening daadwerkelijk kan beginnen, onverminderd artikel 11.70.

  2. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, als niet binnen een bij de beschikking te bepalen termijn een bouwopdracht is gegeven voor de voorziening, of een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 11.70

Voorzieningen komen voor bekostiging in aanmerking op voorwaarde dat op het tijdstip, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid,:

  1. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde regels; en

  2. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van de beschikking tot verlening niet ingrijpend zijn gewijzigd.

Artikel 11.71

  1. Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school geeft opdracht om de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 11.66 en 11.67 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door het openbaar lichaam beschikbaar te stellen financiële middelen, tenzij het met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

  2. Als het openbaar lichaam de voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het bestuurscollege en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

  3. Als de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het bestuurscollege deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 11.72

Als het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, is de instemming van het bestuurscollege vereist voor de bouwplannen en begrotingen, tenzij het bevoegd gezag met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

Artikel 11.73

Het openbaar lichaam brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school alleen tot stand als tussen het bestuurscollege en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 11.74

  1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

  2. Het zonder toestemming van het bestuurscollege vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal voor een door het openbaar lichaam te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 11.75

  1. Het bestuurscollege is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd te bestemmen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, of voor educatie als bedoeld in de WEB BES, dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Het bestuurscollege is daarnaast bevoegd om een gebouw of terrein, of een gedeelte daarvan dat is bedoeld voor onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten, maar daarvoor tijdelijk een deel van de dag of helemaal niet nodig is, gedurende die tijd beschikbaar te stellen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, voor educatie als bedoeld in de WEB BES of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het bestuurscollege is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

  2. Als het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voert het bestuurscollege vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 11.76

  1. Voor zover artikel 11.75 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een gedeelte van een gebouw of terrein niet nodig is voor uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag dat gedeelte verhuren aan een derde. Voorwaarde is dat het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Als het een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het bestuurscollege vereist.

  2. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

    1. wanneer het bestuurscollege gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 11.75 zonder dat enige schadeplicht ontstaat; of

    2. wanneer het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.

  3. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats als het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  4. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving en verhuur op grond van het eerste lid.

  5. Nietig is:

    1. verhuur van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school zonder toestemming van het bestuurscollege;

    2. elk met dit artikel strijdig beding dat is opgenomen in een huurovereenkomst voorschoolgebouwen.

Artikel 11.77

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur op grond van de artikelen 11.76 of 11.78 door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school komen niet ten laste van het openbaar lichaam.

Artikel 11.78

  1. Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden of blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

  2. Bij toepassing van het eerste lid stellen het bestuurscollege en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Als dat het geval is, worden de daarmee gemoeide kosten verrekend.

  3. De eilandsraad en het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen bij de toepassing van het tweede lid.

  4. De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op verzoek besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken een besluit te nemen.

  5. Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, meldt dit onverwijld aan het bestuurscollege.

  6. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het vierde lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES. Door de inschrijving verkrijgt het openbaar lichaam de eigendom.

  7. Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

  8. De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op verzoekbesluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken om een besluit te nemen. Voordat hij een besluit neemt, hoort de Rijksvertegenwoordiger de wederpartij.

  9. Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het achtste lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, die een beslissing inhoudt als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het bestuurscollege verhuren.

  10. De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met een termijn van ten hoogste drie jaren.

  11. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

Artikel 11.79

In afwijking van deze paragraaf kan de eilandsraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voor zover die op het grondgebied van dat openbaar lichaam in stand wordt gehouden. De eilandsraad neemt dat besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Artikel 11.80

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school verschaft aan de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege alle inlichtingen die de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze paragraaf noodzakelijk achten.

Artikel 11.83

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, heeft de verplichting die daarin is geregeld voor het bevoegd gezag om geordende bekwaamheidsgegevens bij te houden, ook betrekking op de leraren.

Artikel 11.85

  1. Artikel 7.34 is niet van toepassing.

  2. De Ambtenarenwet BES en de bepalingen die daarop berusten zijn voor het personeel van een school voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing.

  3. Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.

  4. Het bestuurscollege stelt de regeling of een wijziging daarvan pas vast nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel.

  5. Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling of wijziging van de regeling.

  6. Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is niet van toepassing op het personeel.

Artikel 11.87

In afwijking van artikel 7.37 legt de Rijksvertegenwoordiger de disciplinaire straf of de schorsing op of verleent hij het ontslag, als het gaat om een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam dat de school in stand houdt.

Artikel 11.87a

  1. Ieder personeelslid van een bijzondere school is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming.

  2. De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.

Artikel 11.90

  1. Artikel 8.8, eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing.

  2. Artikel 8.8, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

  3. In artikel 8.8, zesde lid, wordt voor «artikel 7:10 Awb» gelezen »artikel 69 van de Wet administratieve rechtspraak BES».

Artikel 11.92

In plaats van artikel 8.10 is artikel 11.93 van toepassing.

Artikel 11.93

  1. Het bevoegd gezag laat een leerling pas toe tot de school nadat de ouders de volgende gegevens van de leerling hebben verstrekt aan het bevoegd gezag:

    1. de geslachtsnaam;

    2. de voorletters;

    3. de geboortedatum;

    4. het geslacht; en

    5. het persoonsgebonden nummer BES.

  2. De gegevens worden overgelegd door middel van een document dat van overheidswege is verstrekt, waarin de betreffende gegevens zijn opgenomen.

  3. Indien de ouders of, indien de leerling meerderjarig is, de leerling aannemelijk maakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de leerling, zijn adres en zijn woonplaats.

  4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangt van de melding het administratienummer of het onderwijsnummer van de leerling aan het bevoegd gezag.

Artikel 11.95

  1. Artikel 8.15, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

  2. In artikel 8.15, zesde lid, wordt voor «artikel 7:10 Awb» gelezen «artikel 69 van de Wet administratieve rechtspraak BES».

Artikel 11.96

In afwijking van de artikelen 8.19 tot en met 8.22 is artikel 11.97 van toepassing.

Artikel 11.97

  1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene:

    1. op wie de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is en die de leeftijd van 25 jaren nog niet heeft bereikt;

    2. die niet in het bezit is van een vwo- of havo-diploma of een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de WEB BES; en

    3. die

      1. het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 8.30, vijfde lid, worden verstaan, niet meer volgt; of

      2. bij de school wordt in- of uitgeschreven of van de school wordt verwijderd.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

  3. Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop gegevens op grond van het eerste lid worden verstrekt en worden die gegevens nader gespecificeerd.

  5. Voor zover het verstrekken van persoonsgegevens nodig is voor de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim, kunnen de gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES omvatten. Daarvan zijn persoonsgegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, uitgezonderd.

Artikel 11.98a

De paragrafen 2a en 3 van hoofdstuk 9 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.99

  1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen een besluit op grond van de artikelen 4.4, 4.9, 4.10, 4.17, 4.24, 4.25, 5.10, 5.37, 10.1, 11.43, 11.44, 11.45, 11.45c, 11.47 en 11.50. De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien een beschikking niet kan worden gegeven binnen de termijn, bedoeld in de artikelen 2.67, tweede lid, 4.25, vierde lid, 5.10, derde lid, 9.3, derde lid, of 11.45, vierde lid, of gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.47, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020