Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Paragraaf 4

Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Artikel 2.41

Het voortgezet onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, is gericht op individuele begeleiding, afgestemd op de behoeften van de leerling. Zo nodig overlegt het bevoegd gezag over die begeleiding met:

  1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet heeft;

  2. een instantie die jeugdgezondheidszorg uitvoert als bedoeld in artikel 5 van de Wet publieke gezondheid;

  3. een instantie die maatschappelijke ondersteuning biedt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  4. een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg; of

  5. een zorgaanbieder die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg levert, behorend tot de prestaties die zijn omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet.

Artikel 2.42

  1. Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.

  2. Leerwegondersteunend onderwijs:

    1. bereidt de leerling voor op het volgen van onderwijs in een van deze leerwegen of wordt verzorgd tijdens het volgen van dat onderwijs; en

    2. wordt zo in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan volgen dat is gericht op het afsluiten van de leerweg.

  3. Voor leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen, wordt het onderwijs in de eerste twee leerjaren verzorgd op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten.

  4. Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.

Artikel 2.43

  1. Het samenwerkingsverband beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

  2. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC.

  3. Artikel 2.30, tweede lid, onderdelen a en b, derde lid en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Op de beslissing, bedoeld in het eerste lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing

Artikel 2.44

  1. Het bevoegd gezag stelt, nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor leerlingen die:

    1. praktijkonderwijs volgen; of

    2. extra ondersteuning nodig hebben, voor zover het gaat om leerlingen die vwo, havo, mavo of vbo volgen, met uitzondering van leerlingen die uitsluitend extra ondersteuning in de vorm van leerwegondersteunend onderwijs ontvangen.

  2. In afwijking van het eerste lid, wordt het deel van het ontwikkelingsperspectief dat betrekking heeft op de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41, vastgesteld nadat daarover overeenstemming is bereikt tussen het bevoegd gezag en de ouders. Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld, maar uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling. Bij een inschrijving op grond van artikel 8.13 wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld binnen zes weken na de definitieve plaatsing van de leerling.

  3. Het bevoegd gezag evalueert het ontwikkelingsperspectief ten minste een keer per schooljaar met de ouders en de leerling.

  4. Het bevoegd gezag kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen:

    1. nadat het bevoegd gezag op overeenstemming gericht overleg met de ouders heeft gevoerd over deze bijstelling; of

    2. nadat overeenstemming met de ouders is bereikt voor zover het gaat over de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41.

  5. Het bevoegd gezag stelt het ontwikkelingsperspectief vast of stelt het bij nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

  6. Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  7. Het bevoegd gezag beschrijft in het ontwikkelingsperspectief:

    1. de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41;

    2. indien van toepassing: de onderdelen van het onderwijsprogramma waarvan wordt afgeweken;

    3. de inbreng van de leerling, bedoeld in het vijfde lid, en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.

  8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief.

Artikel 2.45

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Artikel 2.46

  1. Het bevoegd gezag kan worden ondersteund bij het geven van voortgezet onderwijs aan leerlingen als bedoeld in artikel 2.45.

  2. De ondersteuning wordt verzorgd door:

    1. educatieve voorzieningen als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, WHW bij opname van een leerling in een academisch ziekenhuis; of

    2. schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in artikel 185 WPO en artikel 164 WEC bij opname van een leerling in een niet-academisch ziekenhuis, of indien de leerling door ziekte thuis verblijft.

  3. De ondersteuning kan ook bestaan uit het geven van onderwijs aan de leerling, indien daarover overeenstemming bestaat tussen de educatieve voorziening of de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven.

  4. Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten ter ondersteuning van het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen.

  5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor deze bekostiging.

Artikel 2.47

  1. Het bevoegd gezag van een of meer scholen is voor elke vestiging van die school of scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid of bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in het achttiende lid.

  2. Een samenwerkingsverband omvat alle binnen een gebied als bedoeld in het derde lid gelegen vestigingen van scholen, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd behorend tot cluster 3 of 4 met uitzondering van de vestigingen waarvoor het bevoegd gezag is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, bedoeld in de vorige volzin, te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

  3. Bij ministeriële regeling worden voor de samenwerkingsverbanden aaneengesloten gebieden aangewezen.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een samenwerkingsverband dat is gelegen aan de landsgrens bij de vervulling van zijn taken kan samenwerken met een school of instelling in België of in een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.

  5. De bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in het tweede lid, geven het samenwerkingsverband vorm door het oprichten van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, waarin uitsluitend deze bevoegde gezagsorganen deelnemen, behoudens deelname van een bevoegd gezag op grond van het zesde lid. De statuten van de rechtspersoon bevatten een voorziening voor de beslechting van geschillen.

  6. Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 of 4, waarvan de vestiging of vestigingen zijn gelegen buiten het gebied van een samenwerkingsverband, wenst deel te nemen aan dit samenwerkingsverband, wordt dit bevoegd gezag niet uitgesloten van deelname aan het samenwerkingsverband.

  7. Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak:

    1. het vaststellen van een ondersteuningsplan;

    2. het verdelen en toewijzen van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid;

    3. het beoordelen of leerlingen aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven;

    4. het adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven.

  8. Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Bij het vaststellen van het ondersteuningsplan kunnen door het samenwerkingsverband slechts beperkingen worden gesteld aan de door de school gewenste invulling van het ondersteuningsaanbod van de school, indien dat voor het samenwerkingsverband met het oog op de beschikbare ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen een onevenredige belasting zou vormen.

  9. Het ondersteuningsplan omvat in elk geval:

    1. de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede lid, tweede volzin, waaronder ook zijn begrepen de basisondersteuningsvoorzieningen;

    2. de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, ook bezien in het perspectief van een meerjarenbegroting;

    3. de procedure en criteria voor de plaatsing van leerlingen op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en de procedure voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs en het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs, voor zover de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het dertiende lid, daarin niet voorziet;

    4. de procedure en het beleid over de terugplaatsing of overplaatsing naar het voortgezet onderwijs van leerlingen van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor wie de periode waarop de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, twaalfde lid, van de WEC betrekking heeft, is verstreken;

    5. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging;

    6. de wijze waarop aan ouders en leerlingen informatie wordt verstrekt over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders en leerlingen;

    7. de wijze waarop wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen met een nieuwe toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 40, tiende of twaalfde lid, van de WEC, bij de aan het samenwerkingsverband deelnemende scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de periode na 1 februari, en hoe deze scholen hierin tegemoet worden gekomen. Leerlingen als bedoeld in artikel 40, zestiende lid, van de WEC, blijven buiten beschouwing.

  10. Het ondersteuningsplan wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of gemeenten en overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a WPO, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het gebied van het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband nodigt het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs met een of meer vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband uit voor het overleg met het college van burgemeester en wethouders over het onderdeel van het ondersteuningsplan, bedoeld in het negende lid, onderdeel a. Het overleg met het college van burgemeester en wethouders vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

  11. Het ondersteuningsplan wordt voor 1 mei voorafgaand aan het eerste schooljaar van de periode waarop het plan betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

  12. Het samenwerkingsverband kan, met het oog op de doelstelling, bedoeld in het tweede lid, een of meer orthopedagogisch-didactische centra inrichten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een zodanige voorziening kan worden ingericht.

  13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de procedure en de criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs.

  14. Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat deskundigen in elk geval het samenwerkingsverband adviseren over het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de noodzakelijke deskundigheid.

  15. Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb in, die adviseert over bezwaarschriften over besluiten van het samenwerkingsverband inzake de beoordeling of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs en de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs.

  16. Het samenwerkingsverband is bevoegd gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken over leerlingen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in het zevende lid, onderdelen b tot en met d. Het samenwerkingsverband verstrekt de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet aan derden, met uitzondering van het bevoegd gezag van de school waar de betrokken leerling is aangemeld of ingeschreven. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het samenwerkingsverband en de deskundigen, bedoeld in het veertiende lid. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens tot drie jaar na:

    1. de beoordeling of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of van het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;

    2. de advisering over de ondersteuningsbehoefte van de leerling aan het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, of

    3. de toewijzing van ondersteuningsmiddelen of ondersteuningsvoorzieningen aan de school, voor zover het voor die toewijzing nodig was gegevens van de leerling als bedoeld in de eerste volzin te verwerken.

  17. Het samenwerkingsverband kent aan elke beslissing als bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, en aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, en artikel 40, twaalfde lid, WEC een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het zestiende lid, een afschrift aan de ouders.

  18. Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de WEC waaraan voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd kunnen aangesloten blijven of kunnen zich aansluiten bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 oktober 2020. Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede, vierde, vijfde, zevende tot en met zeventiende en negentiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met ten minste de richting van de scholen die behoren tot het landelijk samenwerkingsverband bepaalt het bevoegd gezag eenmalig of aansluiting bij het landelijk samenwerkingsverband wordt gevraagd. Het landelijk samenwerkingsverband beslist over de aansluiting.

  19. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenwerkingsverbanden.

Artikel 2.47a

  1. Het samenwerkingsverband zorgt voor een steunpunt dat uitsluitend in het belang van de leerling:

    1. ouders en leerlingen informeert over het onderwijs voor leerlingen als bedoeld in artikel 2.41 en over het aanbod van ondersteuningsvoorzieningen binnen het samenwerkingsverband;

    2. ouders en leerlingen advies, steun en begeleiding biedt bij het onderwijs en bij de extra ondersteuning, voor zover het gaat om leerlingen als bedoeld in artikel 2.41.

  2. Het steunpunt signaleert relevante ontwikkelingen met het oog op beleidsontwikkeling en informeert het samenwerkingsverband hierover.

Artikel 2.48

  1. In afwijking van artikel 2.30, tweede lid, onderdelen a en b, artikel 2.43, eerste lid, en artikel 2.47, dertiende lid, kan het samenwerkingsverband regels stellen over:

    1. de criteria en de procedure om te beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs;

    2. de duur van deze beoordeling.

  2. Het samenwerkingsverband kan in afwijking van artikel 4.8 een school die is aangesloten bij dit samenwerkingsverband, voordragen aan Onze Minister voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

  3. Voor gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is de instemming vereist van de bevoegde gezagsorganen met vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid.

Artikel 2.49

  1. Indien Onze Minister van oordeel is dat het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum de noodzakelijke voorzieningen treffen.

  2. De voorzieningen worden, behalve in spoedeisende gevallen, niet eerder getroffen dan nadat het samenwerkingsverband in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn, gesteld door Onze Minister, alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in het geval de bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, niet of niet tijdig voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in dat artikel.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020