-
Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk de scholen of scholengemeenschappen waarvan de bekostiging aanvangt op grond van hoofdstuk 4. De uitgaven, bedoeld in de artikelen 5.23 en 5.24, en de bedragen die de gemeente op grond van deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt, blijven ten laste van de gemeente.
-
Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk samenwerkingsverbanden.
-
Rijksbekostiging aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt uitsluitend verstrekt op grond van deze wet.
Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
- Artikel 2.10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 2.18
- Artikel 2.19
- Artikel 2.20
- Artikel 2.21
- Artikel 2.22
- Artikel 2.23
- Artikel 2.24
- Artikel 2.25
- Artikel 2.26
- Artikel 2.27
- Artikel 2.29
- Artikel 2.30
- Artikel 2.31
- Artikel 2.31a
- Artikel 2.31b
- Artikel 2.32
- Artikel 2.33
- Artikel 2.34
- Artikel 2.35
- Artikel 2.36
- Artikel 2.37
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.51a
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.55a
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.60a
- Artikel 2.60b
- Artikel 2.60c
- Artikel 2.60d
- Artikel 2.60e
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
- Artikel 2.99
- Artikel 2.100
- Artikel 2.101
- Artikel 2.102
- Artikel 2.103
- Artikel 2.104
- Artikel 2.105
- Artikel 2.106
- Artikel 2.107
- Artikel 2.107a
- Artikel 2.107b
- Artikel 2.107c
- Artikel 2.107d
- Artikel 2.107e
- Artikel 2.107f
- Artikel 2.107g
- Artikel 2.107h
- Artikel 2.107i
- Artikel 2.107j
- Artikel 2.107k
- Artikel 2.107l
- Artikel 2.108
- Artikel 2.109
- Artikel 2.109a
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Paragraaf 1 Bestuur en intern toezicht
Paragraaf 2 Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Paragraaf 3 Stichting voor openbaar onderwijs
Paragraaf 4 Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Paragraaf 5 Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Paragraaf 6 Niet bekostigd onderwijs
Paragraaf 8 Centrale diensten
Paragraaf 9 Klachten, maatregelen en aanwijzingen
Paragraaf 10 Veiligheid
Paragraaf 11 Overige bepalingen
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Paragraaf 1 Aanspraak op bekostiging
Paragraaf 2 Vestigingen
Paragraaf 3 Regionale samenwerking voorzieningenplanning
Paragraaf 4 Beëindiging van de bekostiging
Paragraaf 5 Overige bepalingen
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 1 Algemene bepalingen bekostiging
Paragraaf 2 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen
Paragraaf 3 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden
Paragraaf 4 Rol gemeente
Paragraaf 5 Vaststellen, verstrekken en betalen
Paragraaf 6 Overige voorschriften bekostiging
Paragraaf 7 Verantwoording
Paragraaf 8 Overige uitvoeringsregels
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht
Paragraaf 3 Verordening
Paragraaf 5 Bijzondere bepalingen gebruik
Paragraaf 6 Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie
Hoofdstuk 7 Personeel
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren
Paragraaf 3 Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Paragraaf 4 Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 5 Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Paragraaf 6 Zij-instroom in het beroep
Paragraaf 7 Rechtspositie personeel
Paragraaf 8 Stages
Paragraaf 9 Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen
Paragraaf 10 Lerarenregister
Paragraaf 11 Registervoorportaal
Hoofdstuk 8 Deelname
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 3 Begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie
Paragraaf 4 Overige regels
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Paragraaf 1 Experimenten
Paragraaf 2 Bijzondere inrichting
Paragraaf 2a Nieuwkomersonderwijs
Paragraaf 3 Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.8a
- Artikel 11.9
- Artikel 11.10
- Artikel 11.10a
- Artikel 11.11
- Artikel 11.12
- Artikel 11.13
- Artikel 11.14
- Artikel 11.15
- Artikel 11.16
- Artikel 11.17
- Artikel 11.18
- Artikel 11.19
- Artikel 11.20
- Artikel 11.21
- Artikel 11.22
- Artikel 11.23
- Artikel 11.24
- Artikel 11.24a
- Artikel 11.25
- Artikel 11.26
- Artikel 11.27
- Artikel 11.28
- Artikel 11.29
- Artikel 11.30
- Artikel 11.31
- Artikel 11.32
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van dit hoofdstuk, regels worden gesteld over de bekostiging, verantwoording en informatievoorziening van een scholengemeenschap, een verticale scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen, bedoeld in artikel 4.28.
Artikel 5.3
Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de regels over bijzondere scholen van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 of door een stichting als bedoeld in artikel 3.10, tenzij anders is bepaald.
Artikel 5.4
-
De bekostiging voor een school of scholengemeenschap bestaat uit:
een bedrag per vestiging van de school of scholengemeenschap, indien de vestiging voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar het soort vestiging wat betreft het al dan niet in aanmerking komen voor bekostiging en de hoogte van het bedrag; en
een bedrag per leerling, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar schoolsoort, leerjaar, leerweg of profiel.
-
Indien op één adres vestigingen van verschillende scholen of scholengemeenschappen van hetzelfde bevoegd gezag zijn gehuisvest, wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging.
-
De bekostiging is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een school. De bekostiging wordt per school of scholengemeenschap berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
-
De bekostiging van de scholen wordt verstrekt voor:
salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor het personeel;
bijdragen voor het pensioen voor het personeel en dat van de nagelaten betrekkingen;
de kosten van vervanging van het personeel, werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;
onderhoud van het gebouw en het terrein;
energie- en waterverbruik;
middelen waaronder mede wordt verstaan lesmateriaal als bedoeld in artikel 2.110;
administratie, beheer en bestuur;
loopbaanoriëntatie en -begeleiding;
schoonmaken van het gebouw en het terrein; en
publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van onroerende zaken.
Artikel 5.5
-
Een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.8 of 2.48, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.
-
Een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.
Artikel 5.6
-
Onze Minister stelt de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.
-
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.
-
De vastgestelde bedragen gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van vaststelling.
-
Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, of bij tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks financiën zich daartegen verzet.
Artikel 5.8
-
Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, neemt Onze Minister in aanmerking het aantal en het soort vestigingen van de school of scholengemeenschap, alsmede het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft:
als werkelijk schoolgaand aan de school of scholengemeenschap stond ingeschreven; en
in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen voor de bekostiging wordt meegeteld.
-
In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school of scholengemeenschap kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de leerlingen, bedoeld in het eerste lid, op die afwijkende datum toerekenen aan de nieuwe scholen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de leerlingen die niet worden meegeteld voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging.
Artikel 5.9
-
Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging.
-
Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging voor een scholengemeenschap met een hoofd- of nevenvestiging waaraan elk van de schoolsoorten, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt verzorgd.
Artikel 5.10
-
Indien bijzondere omstandigheden van een school daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister aanvullende bekostiging verstrekken.
-
De verstrekking vindt plaats:
op aanvraag van het bevoegd gezag;
indien nodig onder het verbinden van verplichtingen aan het bevoegd gezag aan de verstrekking; en
voor een bepaalde periode.
-
De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich voordoen. Onze Minister beslist binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen achttien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis en noemt bij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-
Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
Artikel 5.11
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 184 WPO en 163 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 5.12
-
Onze Minister kan aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken, bedoeld in artikel 2.35, eerste lid, en aan de genootschappen, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, subsidie verstrekken voor het onderwijs, bedoeld in die artikelleden.
-
De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat subsidie alleen kan worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur.
Artikel 5.13
-
Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs en regionale ondersteuning. De bekostiging is een bedrag per leerling.
-
Artikel 5.4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:
het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling die leerwegondersteunend onderwijs ontvangt uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
-
Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor praktijkonderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:
het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling op een school voor praktijkonderwijs uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
-
De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband.
-
Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.
-
Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.
-
Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, vijfde, zesde en zevende lid vastgesteld.
Artikel 5.14
-
Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen, waarvan een of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
-
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid.
Artikel 5.15
-
Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en de ondersteuningsvoorzieningen voor de zware ondersteuning. De bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling
-
Onze Minister gaat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, uit van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt op de vestigingen van de scholen die op 1 januari zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband.
-
Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
-
Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, twaalfde lid, van de WEC toelaatbaar heeft verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs.
-
Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de bedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
-
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WEC, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 119, derde lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:
het samenwerkingsverband:
- 1°
dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de WEC, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of
- 2°
waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of
- 1°
het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven en bekostigd op een school of, niet of niet op basis van een toelaatbaarheidsverklaring was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de WEC.
-
De artikelen 5.9 en 5.10 zijn van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband.
Artikel 5.16
-
Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
-
Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.
Artikel 5.18
Artikel 5.19
Artikel 5.20
Artikel 5.21
Artikel 5.22
-
In geval van een niet door de gemeente in stand gehouden school verstrekt de gemeente aan het bevoegd gezag het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen voor de gebouwen en terreinen die in de gemeente zijn gelegen, indien het bevoegd gezag is onderworpen aan één of meer van de belastingen voor onroerende zaken, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet of artikel 43 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
-
Dit artikel is niet van toepassing op een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.
Artikel 5.23
-
Een gemeente die zelf geen openbare scholen in stand houdt, of waar openbare scholen ontbreken, kan uitgaven doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd. De gemeenteraad stelt in dat geval bij verordening een regeling voor die uitgaven vast.
-
De verordening maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en behandelt scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs volgens dezelfde maatstaf.
-
De verordening bevat in elk geval de voorzieningen die het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kan aanvragen en de aanvraagprocedure.
-
De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week gezonden aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Binnen twaalf weken na de totstandkoming van de aanvulling legt het college van burgemeester en wethouders de aanvulling voor aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen twaalf weken een besluit heeft genomen, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een bekrachtigde aanvulling. Wijst de gemeenteraad de aanvulling af, dan heeft dat geen gevolgen voor aanvragen waarop al is beslist of die al zijn ingediend en die gaan over voorzieningen waarop de aanvulling betrekking heeft.
-
Voor de toepassing van dit artikel geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekennen om, met inachtneming van de regels in die verordening, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente, in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor de voorzieningen die zijn genoemd in de regeling.
-
Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling.
-
De artikelen 5.25 tot en met 5.28 zijn niet van toepassing.
Artikel 5.24
-
Indien een gemeente een of meer openbare scholen in stand houdt en uitgaven wil doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.
-
Artikel 5.23, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.25
-
Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die een of meer scholen in stand houdt, stelt jaarlijks voor die scholen voorlopig vast:
het totaal van de uitgaven voor personeelskosten in het voorafgaande kalenderjaar;
het totaal van de uitgaven voor exploitatiekosten in het voorafgaande kalenderjaar;
het totaal van de ontvangen bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, alsmede de bedragen die krachtens artikel 5.39, tweede lid, tweede volzin, voor de kosten van personeel of exploitatie worden aangewend;
het totaal van de ontvangen aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10;
het totaal van de bedragen die de gemeente in het voorgaande kalenderjaar heeft uitgegeven voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.32; en
een staat van voorzieningen die zijn ingesteld voor het openbaar onderwijs.
-
Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid, onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld de onderdelen b of e van dat lid. Indien de gemeente bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d.
-
Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, blijven buiten beschouwing de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.
-
Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e blijven buiten beschouwing:
de uitgaven die worden gedekt door bijdragen van derden;
de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 5.23, vijfde lid, tweede volzin; en
de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 5.24, een aanvraag bij de gemeente kon indienen, gedurende de periode waarvoor de aanvraag kon worden gedaan.
-
Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeel of exploitatie overdraagt aan een ander bevoegd gezag, geldt dat deel als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of onderdeel b. Indien een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeel en exploitatie overdraagt aan de gemeente, geldt dat deel als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
Artikel 5.26
-
Om de vijf jaar stelt het college van burgemeester en wethouders voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in artikel 5.25 is aangegeven.
-
Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar geen school in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het deel van de periode van vijf jaar dat aan dit tijdstip voorafgaat.
-
Na het sluiten van de rekening van de gemeente stelt het college van burgemeester en wethouders de bedragen vast, zo nodig gewijzigd.
-
Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de overschrijding en drukt het dit bedrag uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten. Het percentage wordt afgerond op twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan vijf, en naar boven indien deze decimaal ten minste vijf bedraagt.
Artikel 5.27
-
In het jaar dat volgt op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 5.26, derde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders het overschrijdingsbedrag vast waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school die gedurende een of meer jaren van de betreffende periode van vijf jaar in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Daartoe vermenigvuldigt het college het percentage, bedoeld in artikel 5.26, vierde lid, met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die op grond van de artikelen 5.4 en 5.5 voor die periode zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van dit totaal van ontvangsten blijven buiten beschouwing de ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.
-
Indien een gemeente gedurende een gedeelte van een periode van vijf jaar, als bedoeld in artikel 5.26, een of meer scholen in stand houdt, geldt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van die periode.
Artikel 5.28
-
Na de voorlopige vaststelling van het bedrag van de overschrijding, bedoeld in artikel 5.26, eerste en tweede lid, keert het college van burgemeester en wethouders een voorschot uit aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat op grond van artikel 5.27, eerste lid, aanspraak heeft op een uitkering. Het voorschot is het voorlopig vastgestelde overschrijdingsbedrag van de overschrijding, berekend volgens artikel 5.27.
-
Tegelijk met het bekendmaken van de beschikkingen tot voorlopige en definitieve vaststelling van het bedrag van de overschrijding, bedoeld in artikel 5.26, eerste of tweede lid, respectievelijk derde lid, wordt een staat van de voorzieningen als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, onderdeel f, bekendgemaakt, met per kalenderjaar het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen.
Artikel 5.29
-
Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 gelden uitgaven voor een nevenvestiging als uitgaven voor de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden.
-
Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging.
-
Indien voor een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, gelden deze uitgaven als uitgaven van de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen. In dat geval neemt de laatstbedoelde gemeente de besluiten op grond van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 en hebben deze besluiten ook betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten.
Artikel 5.30
Het college van burgemeester en wethouders kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat in relatie tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet voor een school die zij zelf in stand houdt, buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid.
Artikel 5.32
Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging vast waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft.
Artikel 5.33
-
Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, artikel 5.15, eerste lid, en artikel 5.32, brengt Onze Minister een bedrag in mindering in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en een bedrag in verband met uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van dit bedrag. Deze regels kunnen daarbij voorzien in:
onderscheid in verband met de datum waarop gewezen personeel is ontslagen;
onderscheid in verband met de beslissing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006; en
verdeling van de kosten, bedoeld in het eerste lid, over enerzijds de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk en anderzijds afzonderlijke bevoegde gezagsorganen en samenwerkingsverbanden, waarbij de scholen of scholengemeenschappen die onderdeel zijn van een verticale scholengemeenschap hiervan kunnen worden uitgezonderd.
-
Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op zijn verzoek het burgerservicenummer van een gewezen personeelslid van de school.
-
Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon die behoort tot gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid gebruiken in het verkeer met:
het bevoegd gezag van de school waar deze persoon werkzaam was; of
de instantie die de uitkeringen verstrekt of heeft verstrekt.
Artikel 5.34
-
Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32, eerste lid, brengt Onze Minister in mindering de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop personeel aanspraak maakt dat benoemd is aan de school en:
langer dan twee jaar anders dan wegens vervanging of in geval van leraren indien de benoeming berust op de artikelen 7.14 juncto 7.13 onafgebroken, met een onderbreking van een week of minder dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag; of
langer dan drie jaar direct of indirect in verband met het verrichten van contractactiviteiten in tijdelijke dienst is benoemd.
-
De termijn van twee jaar, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan bij een of meer ziekteperioden van langer dan vier weken met deze ziekteperioden worden verlengd.
-
Bij ministeriële regeling wordt geregeld in welke gevallen geen vermindering plaatsvindt.
-
Onze Minister kan projecten aanwijzen waarop het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is.
-
Onze Minister brengt ook op de bekostiging in mindering:
de inkomsten van het bevoegd gezag uit cursusgelden als bedoeld in de Les- en cursusgeldwet;
de inkomsten van het bevoegd gezag uit verhaal van wettelijk verschuldigde bedragen en premies;
de waarde van roerende zaken die door vervreemding of op andere wijze worden onttrokken aan de bestemming waarvoor zij met de bekostiging zijn aangeschaft, welke waarde wordt vastgesteld door Onze Minister; en
de opbrengst van werkstukken en van diensten die niet worden verricht in het kader van contractactiviteiten.
Artikel 5.35
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van voorschotten op de bekostiging of onderdelen daarvan.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor het verrekenen van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.
Artikel 5.36
Onze Minister is bevoegd om:
vorderingen die het bevoegd gezag op grond van deze wet heeft op Onze Minister, te verrekenen met vorderingen die Onze Minister op grond van een andere wet heeft op dat bevoegd gezag; en
vorderingen die Onze Minister op grond van deze wet heeft op het bevoegd gezag, te verrekenen met vorderingen die dat bevoegd gezag op grond van een andere wet heeft op Onze Minister.
Artikel 5.37
-
Het bevoegd gezag betaalt het exploitatie-overschot terug aan Onze Minister:
indien een openbare school op grond van artikel 4.24 of 4.27 wordt opgeheven;
indien de bekostiging van een bijzondere school op grond van artikel 4.24 of 4.27 wordt beëindigd; of
indien een school door een beslissing van het bevoegd gezag wordt opgeheven en deze opheffing is gerealiseerd.
-
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder school ook verstaan: een aan een school verbonden afdeling als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b.
-
Een tekort op de exploitatie blijft in deze gevallen voor rekening van het bevoegd gezag.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de berekening van het exploitatie-overschot.
Artikel 5.38
-
Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school houdt een nauwkeurige boekhouding bij van alle inkomsten en uitgaven.
-
Het bevoegd gezag geeft op verzoek inzage in de boeken en bescheiden aan ambtenaren die Onze Minister heeft aangewezen.
-
Het bevoegd gezag bewaart de administratie en de bescheiden die daartoe behoren gedurende zeven jaar.
Artikel 5.39
-
Het bevoegd gezag besteedt de verstrekte bekostiging en de ontvangen bedragen voor de school overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid.
-
De bedragen die zijn betaald voor voorzieningen in de huisvesting worden zodanig aangewend dat een behoorlijke en deugdelijke totstandkoming van deze voorzieningen is verzekerd. Zijn de bedragen na realisatie van deze voorzieningen niet volledig aangewend, dan kan het resterende deel daarvan worden aangewend voor de kosten van personeel of exploitatie.
-
Het bevoegd gezag besteedt de bekostiging die is verstrekt aan de kosten van personeel van de school of de kosten voor voorzieningen in de exploitatie van de school. Bij een overschot op die bedragen kan het bevoegd gezag dat overschot besteden aan voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 6.2.
-
Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor de kosten van personeel van de school of de kosten voor voorzieningen in de exploitatie van de school ook besteden aan de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:
een andere school voor voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school die niet uit ‘s Rijks kas wordt bekostigd;
een samenwerkingsverband;
een scholengemeenschap of verticale scholengemeenschap;
een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de WPO;
een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; of
een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
-
Het bevoegd gezag besteedt de bekostiging die op grond van artikel 5.23 of 5.24 is ontvangen van de gemeente aan het doel waarvoor zij is verstrekt.
-
Het bevoegd gezag besteedt de ontvangen overschrijdingsbedragen aan het onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag.
-
Het bevoegd gezag kan met het bevoegd gezag waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 overeenkomen om een deel van de bekostiging over te dragen.
Artikel 5.40
Het samenwerkingsverband besteedt de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten uitsluitend aan personeelskosten of exploitatiekosten.
Artikel 5.41
Het bevoegd gezag besteedt de bedragen en bekostiging, bedoeld in artikel 5.39, niet aan contractactiviteiten.
Artikel 5.42
Indien een leerling in de loop van het schooljaar de school verlaat zonder de opleiding te hebben voltooid, en aansluitend wordt ingeschreven als leerling aan een andere school of als mbo-student of vavo-student aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van die andere school of die instelling overeenkomen om een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.
Artikel 5.42a
In afwijking van artikel 5.39 kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l, tweede lid, een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.
Artikel 5.43
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.
Artikel 5.43a
Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.
Artikel 5.44
-
De gemeente vergoedt de kosten van herstel van schade aan gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor de scholen bekostiging ontvangen, tenzij:
die schade wordt toegebracht door schuld of nalatigheid van de rechtspersoon die de school in stand houdt; of
de rechtspersoon die de school in stand houdt een beroep kan doen op een verzekering waarvoor de premie voor vergoeding in aanmerking komt, of indien de gemeente voor de vergoeding van die schade een collectieve verzekering heeft afgesloten, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.
-
Indien schade die is ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een school in aanmerking komt voor vergoeding door de gemeente, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten van de rechtspersoon die de school in stand houdt tegenover derden met betrekking tot die schade.
Artikel 5.45
-
Onze Minister verstrekt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB, binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld, subsidie voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.105, tweede lid.
-
De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. De artikelen 2.4.2 en 2.4.3 WEB zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.46
-
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op de jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 10, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat in elk geval uit de volgende onderdelen:
een bestuursverslag als bedoeld in artikel 391 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de code voor goed bestuur die het bevoegd gezag hanteert wordt vermeld en waarin in elk geval verantwoording wordt afgelegd over afwijkingen van die code;
een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de bekostiging, met daarbij ingevolge het derde lid vast te stellen bijlagen; en
overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over welke overige onderdelen het jaarverslag bevat, of welke onderdelen komen te vervallen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
de onderdelen, bedoeld in het eerste lid;
de indeling en wijze van ordening van de gegevens per onderdeel van het jaarverslag;
de wijze en het tijdstip waarop de onderdelen beschikbaar worden gesteld;
de elektronische aanlevering van het cijfermatige deel uit de jaarrekening; en
de grondslagen voor de jaarrekening.
-
Bij het beschikbaar stellen van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, overlegt het bevoegd gezag een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid die is afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudende orgaan wijst deze accountant of deskundige aan en bedingt bij die aanwijzing dat:
de controle plaatsvindt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen accountantsprotocol; en
Onze Minister op diens verzoek inzage krijgt in de controlerapporten van de accountant of deskundige.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
-
De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.
-
Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband maakt het jaarverslag openbaar.
-
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.
Artikel 5.47
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit hoofdstuk.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
de inrichting van de boekhouding van bijzondere scholen en van niet door een gemeente in stand gehouden openbare scholen;
de wijze waarop het bevoegd gezag verslag doet van het financieel beheer van de school;
de vaststelling door het bevoegd gezag van een begroting en een jaarrekening, en de inrichting daarvan; en
de controle van de boekhouding en de administratie van de scholen.
Artikel 5.48
-
Het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, en over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES, aangewezen door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
-
Het bevoegd gezag respectievelijk het samenwerkingsverband bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de boeken en bescheiden die daarop betrekking hebben, gedurende een periode van zeven jaar.
-
De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.
Artikel 5.49
-
Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de WOT kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.
-
Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging.
-
Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.
-
Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 5.46, vierde lid, of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of evident ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 Awb.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging als bedoeld in het vierde lid.
-
Een in het tweede lid bedoelde correctie wordt indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het derde lid, door Onze Minister betaald.