De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.