Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op praktijkonderwijs indien dat uitdrukkelijk is bepaald.
Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
- Artikel 2.10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 2.18
- Artikel 2.19
- Artikel 2.20
- Artikel 2.21
- Artikel 2.22
- Artikel 2.23
- Artikel 2.24
- Artikel 2.25
- Artikel 2.26
- Artikel 2.27
- Artikel 2.29
- Artikel 2.30
- Artikel 2.31
- Artikel 2.31a
- Artikel 2.31b
- Artikel 2.32
- Artikel 2.33
- Artikel 2.34
- Artikel 2.35
- Artikel 2.36
- Artikel 2.37
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.51a
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.55a
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.60a
- Artikel 2.60b
- Artikel 2.60c
- Artikel 2.60d
- Artikel 2.60e
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
- Artikel 2.99
- Artikel 2.100
- Artikel 2.101
- Artikel 2.102
- Artikel 2.103
- Artikel 2.104
- Artikel 2.105
- Artikel 2.106
- Artikel 2.107
- Artikel 2.107a
- Artikel 2.107b
- Artikel 2.107c
- Artikel 2.107d
- Artikel 2.107e
- Artikel 2.107f
- Artikel 2.107g
- Artikel 2.107h
- Artikel 2.107i
- Artikel 2.107j
- Artikel 2.107k
- Artikel 2.107l
- Artikel 2.108
- Artikel 2.109
- Artikel 2.109a
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Paragraaf 1 Bestuur en intern toezicht
Paragraaf 2 Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Paragraaf 3 Stichting voor openbaar onderwijs
Paragraaf 4 Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Paragraaf 5 Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Paragraaf 6 Niet bekostigd onderwijs
Paragraaf 8 Centrale diensten
Paragraaf 9 Klachten, maatregelen en aanwijzingen
Paragraaf 10 Veiligheid
Paragraaf 11 Overige bepalingen
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Paragraaf 1 Aanspraak op bekostiging
Paragraaf 2 Vestigingen
Paragraaf 3 Regionale samenwerking voorzieningenplanning
Paragraaf 4 Beëindiging van de bekostiging
Paragraaf 5 Overige bepalingen
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 1 Algemene bepalingen bekostiging
Paragraaf 2 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen
Paragraaf 3 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden
Paragraaf 4 Rol gemeente
Paragraaf 5 Vaststellen, verstrekken en betalen
Paragraaf 6 Overige voorschriften bekostiging
Paragraaf 7 Verantwoording
Paragraaf 8 Overige uitvoeringsregels
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht
Paragraaf 3 Verordening
Paragraaf 5 Bijzondere bepalingen gebruik
Paragraaf 6 Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie
Hoofdstuk 7 Personeel
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren
Paragraaf 3 Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Paragraaf 4 Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 5 Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Paragraaf 6 Zij-instroom in het beroep
Paragraaf 7 Rechtspositie personeel
Paragraaf 8 Stages
Paragraaf 9 Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen
Paragraaf 10 Lerarenregister
Paragraaf 11 Registervoorportaal
Hoofdstuk 8 Deelname
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 3 Begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie
Paragraaf 4 Overige regels
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Paragraaf 1 Experimenten
Paragraaf 2 Bijzondere inrichting
Paragraaf 2a Nieuwkomersonderwijs
Paragraaf 3 Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.8a
- Artikel 11.9
- Artikel 11.10
- Artikel 11.10a
- Artikel 11.11
- Artikel 11.12
- Artikel 11.13
- Artikel 11.14
- Artikel 11.15
- Artikel 11.16
- Artikel 11.17
- Artikel 11.18
- Artikel 11.19
- Artikel 11.20
- Artikel 11.21
- Artikel 11.22
- Artikel 11.23
- Artikel 11.24
- Artikel 11.24a
- Artikel 11.25
- Artikel 11.26
- Artikel 11.27
- Artikel 11.28
- Artikel 11.29
- Artikel 11.30
- Artikel 11.31
- Artikel 11.32
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen
Paragraaf 5
Artikel 2.51
-
Het bevoegd gezag geeft de leerlingen de gelegenheid om het onderwijs af te sluiten met een eindexamen op de school, tenzij in de plaats daarvan de gelegenheid bestaat tot het afleggen van een eindexamen dat niet vanwege de school wordt afgenomen en het bevoegd gezag in verband hiermee een eindexamen aan de school niet nodig oordeelt.
-
Het bevoegd gezag kan personen die niet als leerling aan de school zijn ingeschreven, in de gelegenheid stellen een diploma te behalen door hen als extraneus tot het eindexamen toe te laten.
-
De rector of directeur en de examinatoren nemen het eindexamen af, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Examinatoren kunnen zijn de conrector, adjunct-directeur, leden van de centrale directie en leraren van de school.
-
Het bevoegd gezag kan een of meer deskundigen aanwijzen die het eindexamen ook afnemen, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toelating van een extraneus tot het eindexamen, waaronder de gevallen waarin een extraneus een financiële bijdrage is verschuldigd en de hoogte daarvan.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over examens die niet vanwege de school worden afgenomen.
Artikel 2.51a
-
De rector of directeur wijst een of meer van de personeelsleden van de school aan tot examensecretaris van het eindexamen.
-
De rector of directeur en de examensecretaris verrichten gezamenlijk de taken bedoeld in de artikelen 2.57, tweede lid, en 2.58, vierde lid.
-
De examensecretaris heeft de taak om de rector of directeur te ondersteunen bij:
het organiseren en afnemen van het eindexamen;
de uitvoering van het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid;
de uitvoering van het programma van toetsing en afsluiting, bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid; en
de verstrekking van de beoordeling van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.55a.
-
De rector of directeur stelt een taakomschrijving voor de examensecretaris vast waarin in ieder geval de taken bedoeld in het tweede en derde lid worden opgenomen.
-
De rector of directeur verstrekt de taakomschrijving aan het bevoegd gezag, aan de examensecretaris en aan de examencommissie.
-
De rector of directeur draagt er zorg voor dat het deskundig functioneren van de examensecretaris is gewaarborgd.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken van de examensecretaris.
Artikel 2.52
-
De toetsen en examens als onderdeel van het eindexamen worden afgenomen in het Nederlands.
-
Bij het afnemen van toetsen en examens kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:
de toetsen en examens betrekking hebben op die andere taal;
dat noodzakelijk is vanwege de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs; of
dat noodzakelijk is vanwege de herkomst van de leerlingen.
-
Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij toetsen en examens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 2.53
-
Het bevoegd gezag stelt de examenkandidaat in de gelegenheid met inachtneming van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen de vakken of andere programmaonderdelen waarin hij eindexamen aflegt te kiezen, voor zover het bevoegd gezag, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag van een of meer andere scholen, de examenkandidaat in de gelegenheid heeft gesteld zich op het examen in die vakken voor te bereiden.
-
Het eindexamen bestaat voor elk vak of ander programmaonderdeel uit een schoolexamen of een centraal examen, of uit beide.
-
Het schoolexamen vwo, havo en vmbo wat de theoretische leerweg en de gemengde leerweg betreft, omvat een profielwerkstuk. Het profielwerkstuk is een werkstuk, een presentatie daaronder begrepen, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden aan de orde komen die van betekenis zijn in het betrokken profiel.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
de vakken geregeld die het eindexamen in elk geval omvat en worden nadere regels gesteld over de keuze die de examenkandidaat kan of dient te maken uit vakken of andere onderdelen van het eindexamen;
regels gesteld over de mogelijkheid dat de examenkandidaat die is ingeschreven voor de schoolsoort havo, mavo of vbo eindexamen aflegt in vervangende vakken van een hoger niveau dan de schoolsoort of leerweg van zijn inschrijving;
regels gesteld over de mogelijkheid dat de examenkandidaat in extra vakken eindexamen aflegt;
regels gesteld over de onderdelen die het eindexamen bovendien kan omvatten;
regels gesteld over de vrijstelling voor en ontheffing van vakken of andere onderdelen van het eindexamen;
nadere regels gesteld over het profielwerkstuk; en
regels gesteld over de spreiding van het eindexamen voor examenkandidaten die in het laatste leerjaar wegens ziekte of een bijzondere, andere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat zijn geweest het onderwijs in alle betrokken vakken of andere programmaonderdelen te volgen.
Artikel 2.54
-
Bij ministeriële regeling wordt, behalve voor door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die onderdeel zijn van het eindexamen, per schoolsoort en leerweg per vak of voor groepen vakken een examenprogramma vastgesteld.
-
Het examenprogramma bevat in elk geval:
een omschrijving van de examenstof voor ieder eindexamenvak; en
de verdeling van de examenstof over het schoolexamen en het centraal examen, indien in een vak zowel het schoolexamen als het centraal examen wordt afgenomen.
-
Bij de vaststelling van de examenprogramma’s voor Nederlandse taal en literatuur respectievelijk Nederlandse taal worden de referentieniveaus in acht genomen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Artikel 2.55
-
Het bevoegd gezag beslist op welk tijdstip het schoolexamen begint.
-
Het schoolexamen wordt afgesloten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdstip van afsluiting van het schoolexamen in een vak in de gevallen dat:
voor het centraal examen in dat vak op grond van de regels, bedoeld in artikel 2.56, derde lid, is afgeweken van de in artikel 2.56, eerste lid, bedoelde afnameperiodes voor het centraal examen; en
het centraal examen in één of meer vakken op grond van de regels, bedoeld in artikel 2.56, vierde lid, wordt afgelegd in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar.
-
Het bevoegd gezag kan een examenkandidaat die wegens ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet heeft kunnen afsluiten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in een vak af te sluiten voor het centraal examen in dat vak of in die vakken, maar na het begin van het eerste tijdvak.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het schoolexamen, waaronder regels over de wijze van examinering en de beoordeling.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de herkansing van een schoolexamen.
Artikel 2.55a
-
De rector of directeur verstrekt de beoordeling van het schoolexamen aan de examenkandidaat voor aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van de beoordeling van het schoolexamen.
Artikel 2.56
-
Het centraal examen heeft drie afnameperiodes. Deze worden aangeduid als eerste, tweede en derde tijdvak. Het tweede en derde tijdvak bieden de examenkandidaat volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels gelegenheid om het centraal examen alsnog te voltooien, dan wel het centraal examen te herkansen.
-
Het eerste en tweede tijdvak vallen in het laatste leerjaar. Het derde tijdvak is aansluitend op het laatste leerjaar.
-
Het College voor toetsen en examens kan volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels bepalen dat voor een centraal examen wordt afgeweken van de afnameperiodes.
-
Het bevoegd gezag kan leerlingen volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels de gelegenheid geven om in het voorlaatste leerjaar of in het daaraan voorafgaande leerjaar het centraal examen in een of meer vakken, maar niet in alle vakken, af te leggen.
-
In afwijking van artikel 2.51, derde lid, wordt het centraal examen in het derde tijdvak afgenomen door het College voor toetsen en examens. In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan het centraal examen ook in het tweede tijdvak door dit College worden afgenomen.
-
Op het examenwerk van het centraal examen vindt een tweede correctie plaats door een gecommitteerde. Bij ministeriële regeling kunnen examens of examenonderdelen worden aangewezen waarbij geen tweede correctie plaatsvindt.
-
De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
het afnemen, het beoordelen, het waarderen, het vaststellen van het cijfer en het herkansen van het centraal examen, en de gang van zaken over het centraal examen en de herkansing;
het afnemen van het centraal examen door het College voor toetsen en examens in het tweede en derde tijdvak; en
de aanwijzing, taak en werkwijze van gecommitteerden die de tweede correctie, bedoeld in het zesde lid, uitvoeren.
Artikel 2.57
-
De rector of directeur stelt de eindcijfers van het eindexamen vast.
-
De rector of directeur en de examensecretaris stellen de uitslag van het eindexamen vast. De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
het vaststellen van de eindcijfers van en de uitslag voor het eindexamen; en
het toekennen van het judicium cum laude.
Artikel 2.58
-
De rector of directeur reikt op grond van de definitieve uitslag van het eindexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uit.
-
De rector of directeur reikt uit:
een diploma vwo, havo of vmbo aan de examenkandidaat die met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van de desbetreffende schoolsoort;
een diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject aan de examenkandidaat die met goed gevolg een leer-werktraject heeft afgesloten;
een getuigschrift vmbo aan de examenkandidaat die met goed gevolg een gedeelte van het eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg heeft afgesloten; of
een certificaat aan de examenkandidaat die is afgewezen voor het eindexamen vmbo, met goed gevolg een of meer vakken van dat eindexamen heeft afgesloten en de school verlaat.
-
De directeur reikt een schooldiploma praktijkonderwijs uit aan de leerling die een school voor praktijkonderwijs verlaat en naar het oordeel van de directeur in aanmerking komt voor het schooldiploma. De directeur baseert zijn oordeel op een reglement dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Een portfolio waarin de behaalde resultaten zijn opgenomen, maakt deel uit van het schooldiploma.
-
De rector of directeur en de examensecretaris tekenen de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
-
Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor de cijferlijst, de diploma’s, het schooldiploma, het getuigschrift en het certificaat bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten als bedoeld in het eerste en tweede lid en de uitreiking daarvan;
de verstrekking van vervangende opleidingsdocumenten; en
de uitreiking van het diploma atheneum in plaats van het diploma gymnasium.
Artikel 2.59
-
Het bevoegd gezag verstrekt aan de leerling die een school voor vwo, havo, mavo of vbo verlaat en aan wie geen diploma of getuigschrift wordt uitgereikt, een verklaring waarin in elk geval worden vermeld:
het tijdstip waarop de leerling de school verlaat;
het leerjaar waartoe de leerling het laatst onvoorwaardelijk was bevorderd; en
voor welke vormen van vervolgonderwijs en voor welke leerjaren daarvan de leerling geschikt wordt gevonden.
-
Het bevoegd gezag verstrekt een verklaring aan de leerling die een deel van het programma heeft voltooid, een school voor praktijkonderwijs verlaat en aan wie niet op grond van artikel 2.58, derde lid, een schooldiploma wordt uitgereikt.
-
Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de verklaring, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2.60
-
Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat:
regels over de organisatie van het eindexamen en de gang van zaken tijdens het eindexamen;
informatie over de toepassing van de maatregelen bedoeld in artikel 2.61, eerste lid;
inhaal- en herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, waarbij in ieder geval wordt voorzien in een inhaalmogelijkheid voor de examenkandidaat die door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest aan een of meer toetsen van het schoolexamen deel te nemen; en
de samenstelling en het adres van de in artikel 2.63 bedoelde commissie van beroep.
-
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het examenreglement slechts afwijken van het voorstel, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel a:
na overleg met de examencommissie; en
indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
-
Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.
-
Het bevoegd gezag hoeft voor het vaststellen van het examenreglement de instemming van de medezeggenschapsraad van de school voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.
-
Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde examenreglement aan de kandidaten en de inspectie.
Artikel 2.60a
-
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor het desbetreffende schooljaar.
-
Het programma van toetsing en afsluiting vermeldt in ieder geval:
welke examenstof van het examenprogramma in het schoolexamen wordt getoetst;
welke door het bevoegd gezag vast te stellen examenstof in het schoolexamen wordt getoetst;
de inhoud van de toetsen die onderdeel uitmaken van het schoolexamen;
de wijze waarop en tijdvakken waarbinnen de toetsen en herkansingen van het schoolexamen plaatsvinden;
de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het schoolexamen voor een examenkandidaat tot stand komt.
-
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat ten aanzien van de toetsen die deel uitmaken van het schoolexamen, in het programma van toetsing en afsluiting duidelijk en herleidbaar wordt aangegeven welke toetsen bijdragen aan de afsluiting van:
de verplichte examenstof van het examenprogramma die behoort bij het schoolexamen;
de examenstof van het examenprogramma die behoort tot de verplichte examenstof van het centraal examen, maar die ook in het schoolexamen zal worden getoetst; en
examenstof die is gekozen door het bevoegd gezag.
Artikel 2.60b
-
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid, slechts afwijken van het voorstel van de examencommissie, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel b:
na overleg met de examencommissie; en
indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
-
Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.
-
Het bevoegd gezag behoeft voor het vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting de instemming van de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.
-
Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde programma van toetsing en afsluiting voor het desbetreffende schooljaar aan de kandidaten en de inspectie.
Artikel 2.60c
-
Het bevoegd gezag kan het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober slechts wijzigen:
in het geval van een bijzonder onvoorziene omstandigheid die leidt tot praktische onuitvoerbaarheid van het programma van toetsing en afsluiting; of
ter verbetering van een kennelijke onjuistheid of kennelijke onvolledigheid in het programma van toetsing en afsluiting.
-
De examencommissie wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om te adviseren over een wijziging als bedoeld in het eerste lid.
-
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting slechts afwijken van het advies van de examencommissie:
na overleg met de examencommissie; en
indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd.
-
Het derde en vierde lid van artikel 2.60b zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober.
Artikel 2.60d
-
Het bevoegd gezag:
stelt een of meer examencommissies in ten behoeve van de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering;
benoemt de leden van de examencommissie; en
draagt zorg voor het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie.
-
De examencommissie heeft een oneven aantal leden en ten minste drie leden.
-
Niet kunnen worden benoemd tot lid van de examencommissie:
leden van het bevoegd gezag;
de directeur van de school;
leden van de medezeggenschapsraad of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de school als bedoeld in de artikelen 3 en 4 WMS;
leerlingen van de school of hun wettelijk vertegenwoordigers.
-
Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de examencommissie deskundig is op het gebied van:
de desbetreffende schoolsoort;
de regelgeving over examinering in het voortgezet onderwijs; en
de kwaliteit van examinering.
-
Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de overige leden van de examencommissie.
Artikel 2.60e
-
De examencommissie heeft voor de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering de volgende taken en bevoegdheden:
het opstellen van een voorstel voor een examenreglement als bedoeld in artikel 2.60 voor het bevoegd gezag;
het jaarlijks opstellen van een voorstel voor een programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a voor het bevoegd gezag;
het borgen van het afsluitend karakter en de kwaliteit van het schoolexamen;
het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om te komen tot een beoordeling van het schoolexamen; en
overige door het bevoegd gezag aan de commissie opgedragen taken en bevoegdheden.
-
De examencommissie stelt regels vast over haar werkwijze.
-
De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden.
-
De examencommissie evalueert jaarlijks de kwaliteit van de schoolexaminering en stelt een advies op aan het bevoegd gezag en de directeur over noodzakelijke en wenselijke verbeteringen.
-
De examencommissie verstrekt de regels over haar werkwijze, het verslag, de evaluatie en het advies, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, aan het bevoegd gezag, aan de directeur en aan de examensecretaris van een school.
Artikel 2.61
-
Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het eindexamen of bij een aanspraak op ontheffing aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, of zonder geldige reden afwezig is op het eindexamen, kan de rector of directeur van de school maatregelen nemen.
-
Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer examenkandidaten opnieuw wordt afgenomen. In dat geval stelt het College voor toetsen en examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt het College op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
-
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in een of meer vakken aan een of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit Onze Minister op welke wijze wordt gehandeld.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over onregelmatigheden inzake het eindexamen.
Artikel 2.62
-
Onze Minister kan beslissen dat het bevoegd gezag voor een periode van twee jaren leerlingen niet in de gelegenheid stelt een eindexamen op de school af te leggen in een schoolsoort of leerweg, indien het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen in die schoolsoort of leerweg, gemeten over een periode van drie jaren, groter is dan een half punt.
-
Onze Minister neemt deze beslissing niet eerder dan drie jaren nadat het bevoegd gezag de gelegenheid heeft gehad om het gemiddelde verschil terug te brengen tot een half punt of minder.
Artikel 2.63
-
Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een besluit van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, administratief beroep instellen bij een commissie van beroep voor de eindexamens die is ingesteld door het bevoegd gezag. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.
-
In afwijking van artikel 6:7 Awb is de termijn voor het indienen van het beroepschrift vijf dagen.
-
In afwijking van artikel 7:24, eerste, tweede, en vierde tot en met zevende lid, Awb beslist de commissie van beroep voor de eindexamens binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het besluit van de commissie van beroep voor de eindexamens.
Artikel 2.64
-
Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een beslissing van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, die geen besluit is als bedoeld in de Awb, voorziening vragen bij de commissie van beroep voor de eindexamens. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.
-
De termijn voor het indienen van het verzoekschrift is vijf dagen, met ingang van de dag na die waarop de beslissing aan de leerling is uitgereikt of toegezonden.
-
De commissie van beroep voor de eindexamens beslist binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beslissing van de commissie van beroep voor de eindexamens.
Artikel 2.65
Onze Minister kan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over eindexamens, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van die regels gelet op het belang dat deze regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.