Aanvragen voor de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.30, tweede lid.
Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
- Artikel 2.10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 2.18
- Artikel 2.19
- Artikel 2.20
- Artikel 2.21
- Artikel 2.22
- Artikel 2.23
- Artikel 2.24
- Artikel 2.25
- Artikel 2.26
- Artikel 2.27
- Artikel 2.29
- Artikel 2.30
- Artikel 2.31
- Artikel 2.31a
- Artikel 2.31b
- Artikel 2.32
- Artikel 2.33
- Artikel 2.34
- Artikel 2.35
- Artikel 2.36
- Artikel 2.37
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.51a
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.55a
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.60a
- Artikel 2.60b
- Artikel 2.60c
- Artikel 2.60d
- Artikel 2.60e
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
- Artikel 2.99
- Artikel 2.100
- Artikel 2.101
- Artikel 2.102
- Artikel 2.103
- Artikel 2.104
- Artikel 2.105
- Artikel 2.106
- Artikel 2.107
- Artikel 2.107a
- Artikel 2.107b
- Artikel 2.107c
- Artikel 2.107d
- Artikel 2.107e
- Artikel 2.107f
- Artikel 2.107g
- Artikel 2.107h
- Artikel 2.107i
- Artikel 2.107j
- Artikel 2.107k
- Artikel 2.107l
- Artikel 2.108
- Artikel 2.109
- Artikel 2.109a
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Paragraaf 1 Bestuur en intern toezicht
Paragraaf 2 Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Paragraaf 3 Stichting voor openbaar onderwijs
Paragraaf 4 Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Paragraaf 5 Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Paragraaf 6 Niet bekostigd onderwijs
Paragraaf 8 Centrale diensten
Paragraaf 9 Klachten, maatregelen en aanwijzingen
Paragraaf 10 Veiligheid
Paragraaf 11 Overige bepalingen
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Paragraaf 1 Aanspraak op bekostiging
Paragraaf 2 Vestigingen
Paragraaf 3 Regionale samenwerking voorzieningenplanning
Paragraaf 4 Beëindiging van de bekostiging
Paragraaf 5 Overige bepalingen
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 1 Algemene bepalingen bekostiging
Paragraaf 2 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen
Paragraaf 3 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden
Paragraaf 4 Rol gemeente
Paragraaf 5 Vaststellen, verstrekken en betalen
Paragraaf 6 Overige voorschriften bekostiging
Paragraaf 7 Verantwoording
Paragraaf 8 Overige uitvoeringsregels
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht
Paragraaf 3 Verordening
Paragraaf 5 Bijzondere bepalingen gebruik
Paragraaf 6 Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie
Hoofdstuk 7 Personeel
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren
Paragraaf 3 Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Paragraaf 4 Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 5 Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Paragraaf 6 Zij-instroom in het beroep
Paragraaf 7 Rechtspositie personeel
Paragraaf 8 Stages
Paragraaf 9 Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen
Paragraaf 10 Lerarenregister
Paragraaf 11 Registervoorportaal
Hoofdstuk 8 Deelname
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 3 Begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie
Paragraaf 4 Overige regels
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Paragraaf 1 Experimenten
Paragraaf 2 Bijzondere inrichting
Paragraaf 2a Nieuwkomersonderwijs
Paragraaf 3 Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.8a
- Artikel 11.9
- Artikel 11.10
- Artikel 11.10a
- Artikel 11.11
- Artikel 11.12
- Artikel 11.13
- Artikel 11.14
- Artikel 11.15
- Artikel 11.16
- Artikel 11.17
- Artikel 11.18
- Artikel 11.19
- Artikel 11.20
- Artikel 11.21
- Artikel 11.22
- Artikel 11.23
- Artikel 11.24
- Artikel 11.24a
- Artikel 11.25
- Artikel 11.26
- Artikel 11.27
- Artikel 11.28
- Artikel 11.29
- Artikel 11.30
- Artikel 11.31
- Artikel 11.32
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen
Hoofdstuk 12
Artikel 12.2
Aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op grond van artikel 10e, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.43, eerste lid.
Artikel 12.3
Aanvragen om te worden aangewezen als school met examenbevoegdheid op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 112, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.67.
Artikel 12.4
Aanvragen om te worden aangewezen als vso-school met examenbevoegdheid op grond van artikel 59a, eerste lid, in samenhang met artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.71, eerste lid, in samenhang met artikel 2.67.
Artikel 12.5
-
Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.105, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 10b4, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op eerstbedoelde datum, worden aangemerkt als leerbedrijven met een erkenning als bedoeld in artikel 2.105, derde lid.
-
Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.31, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 22, tweede lid, eerste volzin, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals luidend op eerstbedoelde datum, behouden die gunstige beoordeling op het moment van inwerkingtreding van artikel 11.31.
Artikel 12.6
Een aanwijzing wegens wanbeheer, gegeven op grond van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarover bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, wordt aangemerkt als te zijn gegeven op grond van artikel 3.38, eerste lid.
Artikel 12.7
-
In afwijking van artikel 4.1 berust de aanspraak op bekostiging van een school of scholengemeenschap die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel werd bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, na de inwerkingtreding van artikel 4.1 op hoofdstuk 4, paragraaf 1, en hoofdstuk 11, paragraaf 4, met dien verstande dat:
een school voor vwo als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 13 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor vwo als bedoeld in artikel 2.4;
een school voor havo als bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 14 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor havo als bedoeld in artikel 2.5;
een school voor mavo als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 15 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor mavo als bedoeld in artikel 2.6;
een school voor vbo als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 17 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor vbo als bedoeld in artikel 2.7;
een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 31 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8.
-
De aanspraak op bekostiging van een inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld op grond van artikel 117, eerste lid, WVO BES, en van de Saba Comprehensive School, genoemd in artikel 207, onderdeel d, WVO BES berust na de inwerkingtreding van artikel 2.86 op dat artikel.
Artikel 12.8
-
Op aanvragen die op grond van titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 75a, of III, van de Wet op het voortgezet onderwijs of titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 127e, of III van de Wet voortgezet onderwijs BES zijn ingediend bij Onze Minister, waarop nog niet definitief is beslist op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4, zijn de overeenkomstige regels van dat hoofdstuk, respectievelijk die paragraaf van toepassing.
-
Besluiten van Onze Minister op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een school, een afdeling voor havo, een profiel van een school voor vbo, een scholengemeenschap, een cursus of leerwegondersteunend onderwijs, worden aangemerkt als te zijn genomen op grond van de overeenkomstige bepalingen van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4.
Artikel 12.9
-
Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, en een personeelslid dat op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.2 in dienst is bij dat bevoegd gezag wordt met ingang van die inwerkingtreding voortgezet door het bevoegd gezag van die school, voor zover:
het dienstverband gezien de rechten en verplichtingen die gelden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2 op die datum zou zijn gehandhaafd, en
het personeelslid op de dag voor die datum werkzaam was binnen een school van dat bevoegd gezag.
-
Bij voortzetting van een dienstverband als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2, worden zoveel mogelijk de rechten en verplichtingen in acht genomen die onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES vanaf die datum in dat dienstverband zouden hebben gegolden.
Artikel 12.10
De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.
Artikel 12.11
Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van bekwaamheidseisen, vastgesteld op grond van artikel 7.23, vierde lid, of 7.24, tweede lid, aan een school werkzaamheden van onderwijskundig-leidinggevende aard verricht, respectievelijk onderwijsondersteunende werkzaamheden, wordt aangemerkt als op dat tijdstip aan die bekwaamheidseisen te voldoen.
Artikel 12.12
Aanvragen tot het uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek, op grond van artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 198 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.27.
Artikel 12.13
Op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van artikel 118k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 197, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, gelden vanaf die inwerkingtreding als te zijn afgegeven op grond van artikel 7.28, eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.
Artikel 12.14
Instellingen voor hoger onderwijs die bij inwerkingtreding van dit artikel bevoegd zijn tot het verrichten van het geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.29, worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in artikel 7.29.
Artikel 12.15
Aanvragen tot het mogen uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, op grond van artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.29.
Artikel 12.16
Een gedane melding onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 202, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, geldt als te zijn gedaan op grond van artikel 7.32, eerste lid.
Artikel 12.17
Aanvragen tot het mogen uitvoeren van scholing, begeleiding en het bekwaamheidsonderzoek bij zij-instroom, op grond van artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.32.
Artikel 12.18
Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op grond van artikel 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES, met betrekking tot experimenten waarvan de duur op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.1 nog niet is verstreken, berusten met ingang van dat tijdstip op artikel 9.1 of, indien van toepassing, op artikel 9.2.
Artikel 12.19
Besluiten van Onze Minister, genomen op grond van artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, berusten met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.1 op dat artikel.
Artikel 12.20
-
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:
aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;
bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.
-
Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet voortgezet onderwijs BES en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:
aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;
bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.
Artikel 12.21
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
school: school als bedoeld in artikel 1.1, of instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.
Artikel 12.22
Deze paragraaf is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 12.23
-
In afwijking van de artikelen 11.62 tot en met 11.68 en met overeenkomstige toepassing van artikel 11.71 gelden tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen in een openbaar lichaam.
-
Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alsmede voor de financiering daarvan.
-
Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.
-
Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.
-
Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen.
-
Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.
-
De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de scholen en in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 12.25
Onverminderd artikel 7.3, kunnen in afwijking van artikel 7.9, eerste lid, en artikel 7.11, eerste lid, aan scholen in een openbaar lichaam leraren worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, die op 31 juli 2011 bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.
Artikel 12.26
Onverminderd de artikelen 7.3 en 7.23 kan in afwijking van artikel 7.11, eerste lid, aan een school in een openbaar lichaam tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die op 31 juli 2011, bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.
Artikel 12.27
-
Indien artikel 6.20 toepassing vindt, vergoedt de gemeente, indien gedeelten van de gebouwen uit eigen middelen zijn bekostigd en hiervoor geen vergoeding is genoten, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school de restantboekwaarde van die gedeelten, voor zover het gaat om investeringen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1997.
-
De restantboekwaarde wordt vastgesteld op basis van de afschrijvingstermijn van een dertigjarige annuïtaire lening. Het bevoegd gezag dient de bekostiging uit eigen middelen aan te tonen door middel van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Artikel 12.28
Artikel 6.22 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de WEB als verticale scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6.1 en 12.2.3 van die wet is aangemerkt.
Artikel 12.29
Degene die op 1 augustus 2006 in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs ingevolge de wettelijke voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006, wordt aangemerkt als aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen voor leraren te voldoen.
Artikel 12.30
-
Degene die op 31 juli 2017 voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school is benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, alsmede degene die eerder al voor het geven van dat onderwijs benoemd is geweest of tewerkgesteld zonder benoeming, voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs.
-
Degene die binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf 1 augustus 2017 voor de eerste keer wordt benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school, dient binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf het tijdstip van die eerste benoeming of die eerste tewerkstelling zonder benoeming, te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs om belast te kunnen blijven worden met de desbetreffende werkzaamheden. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze periode worden verlengd met een daarbij te bepalen periode indien verlenging noodzakelijk is voor een goede invoering van die bekwaamheidseisen.
-
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die:
onderwijsondersteunende werkzaamheden verricht voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school, vanaf het moment dat voor die werkzaamheden bekwaamheidseisen worden vastgesteld; of
is aangewezen, eerder was aangewezen respectievelijk voor de eerste keer wordt aangewezen voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen.
-
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid.
Artikel 12.31
Degene die op 1 augustus 2006 op grond van artikel 9b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O., zoals luidend op 31 juli 2006, bevoegd was voor een van de in dat artikel genoemde combinaties van vakken, blijft bevoegd voor de desbetreffende combinatie.
Artikel 12.32
Artikel 2.90, onderdeel a, vindt, wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.
Artikel 12.33
Een bevoegd gezag dat op grond van de Regeling aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak VO voor 1 augustus 2008 aanspraak had op aanvullende personele bekostiging op grond van artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 juli 2008, behoudt deze aanspraak zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden die op 31 juli 2008 waren opgenomen in die regeling.
Artikel 12.34
-
Er is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, school als bedoeld in de WPO en school als bedoeld in de WEC is aangesloten.
-
De commissie neemt kennis van geschillen tussen ouders en bevoegd gezag van een school die ontstaan bij de toepassing van:
artikel 2.44, eerste, tweede en vierde lid, en
artikel 8.9 en artikel 8.15, tweede lid.
-
De commissie brengt op verzoek van de ouders binnen tien weken een oordeel uit aan het bevoegd gezag, rekening houdend met het ondersteuningsaanbod van de school en het ondersteuningsplan.
-
Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie en de ouders bezwaar hebben gemaakt tegen de beslissing over de toelating of de verwijdering, neemt het bevoegd gezag de beslissing op bezwaar pas nadat de commissie heeft geoordeeld. De termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie tot de dag waarop de commissie het oordeel heeft uitgebracht.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de commissie, waaronder in elk geval het aantal leden, de wijze van benoeming en ontslag en de deskundigheid van de leden van de commissie.
Artikel 12.35
-
Personen die in het bezit zijn van een getuigschrift, afgegeven krachtens de WHW, waaruit blijkt dat ten aanzien van het vak omgangskunde is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 7.10, eerste lid, zijn tevens bevoegd tot het geven van praktijkonderwijs en tot het geven van onderwijs aan groepen van uitsluitend leerlingen die zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs in de vakken Nederlands, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie (incl. kennis der natuur), verzorging, muziek, handvaardigheid (textiele werkvormen) en tekenen.
-
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van personen die:
het in het eerste lid bedoelde getuigschrift hebben behaald na 1 augustus 2006;
voor 1 september 2012 zijn gestart met de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in het vak omgangskunde aan de Fontys Hogeschool Tilburg, de NHL Hogeschool, de Hogeschool Leiden of de Hogeschool Utrecht; en
uiterlijk op 31 augustus 2016 met goed gevolg de aanvullende opleiding «Leergang omgangskunde in praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs» met een omvang van ten minste 420 uren studie hebben afgerond aan een van de in onderdeel b genoemde hogescholen.
Artikel 12.36
Tot het tijdstip waarop voor het eerst kerndoelen Friese taal en cultuur in werking treden die zijn vastgesteld door provinciale staten van Fryslân volgens de procedure daarvoor in de artikelen 2.16 en 2.17, zijn in afwijking van artikel 2.16 de kerndoelen Friese taal en cultuur van toepassing zoals opgenomen in onderdeel II van de bijlage behorende bij artikel 1 bij het Besluit kerndoelen onderbouw VO, zoals dat luidde op 31 juli 2014.
Artikel 12.40
Artikel 12.42
-
Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van de artikelen 67, eerste lid, en 74b, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden op 31 oktober 2020, blijft Titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die titel luidde op laatstgenoemde datum van toepassing.
-
Op besluiten tot bekostiging waarvan de aanvraag voor 1 november 2020 is ingediend op grond van artikel 67 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 108 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.
Artikel 12.43
Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van de artikelen 67, vijfde en zevende lid, en 74b, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op die datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
Artikel 12.44
-
Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van artikel 53g van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 53h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.
-
Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van artikel 53f van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op laatstgenoemde datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
Artikel 12.45
-
De eindexamens omvatten voor leerlingen die geen eindexamen in het vak wiskunde afleggen een schoolexamen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit schoolexamen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit schoolexamen nadere voorschriften vastgesteld.
-
Dit artikel is ook van toepassing op leerlingen die het eindexamen afleggen aan een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66.
-
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12.46
-
Het staatsexamen, bedoeld in artikel 2.72, eerste lid, omvat voor kandidaten die geen staatsexamen in het vak wiskunde afleggen een college-examen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit college-examen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit college-examen nadere voorschriften vastgesteld.
-
Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12.47
-
De bekostiging voor de scholen van een bevoegd gezag ingaande het kalenderjaar 2022 wordt eenmalig berekend op basis van de telgegevens op 1 oktober 2021:
op grond van de artikelen 5.4 en 5.5 en de daarop gebaseerde regelgeving, en
op grond van de artikelen 84, eerste tot en met derde lid, 84b, 85 en 86, met uitzondering van het derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en de daarop gebaseerde regelgeving, artikel 2, tweede en derde lid, van het Formatiebesluit WVO en artikel 3 van de Regeling aanvullende bekostiging nevenvestiging, nieuwe scholen en samenvoeging vo, zoals die luidden op 30 september 2021.
-
Het verschil tussen onderdelen a en b van het eerste lid is het herverdeeleffect van een bevoegd gezag.
-
Bij een positief of negatief herverdeeleffect voor een bevoegd gezag wordt de bekostiging voor de scholen van dat bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 verminderd onderscheidenlijk vermeerderd met achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van het herverdeeleffect.
-
Bij een herverdeeleffect voor een bevoegd gezag van tenminste 3% negatief, ontvangt het bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 het verschil tussen 3% negatief en het werkelijke negatieve herverdeeleffect, met dien verstande dat het bevoegd gezag niet meer ontvangt dan maximaal 100% van de berekende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het kalenderjaar 2026 ontvangt het bevoegd gezag nog eenmaal 50% van dit verschil.
-
Het herverdeeleffect, bedoeld in het tweede lid, wordt per bevoegd gezag éénmalig vastgesteld. De bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, die op grond van dit herverdeeleffect wordt vastgesteld, kan volgens bij ministeriele regeling te stellen regels worden aangepast aan loon-en prijsontwikkelingen, tenzij de toestand van ’s Rijks financiën zich daartegen verzet.
-
Dit artikel is niet van toepassing op scholen ten aanzien waarvan door Onze Minister toepassing is gegeven aan artikel 4.25, derde lid.
-
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.