1. Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 gelden uitgaven voor een nevenvestiging als uitgaven voor de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden.

  2. Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging.

  3. Indien voor een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, gelden deze uitgaven als uitgaven van de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen. In dat geval neemt de laatstbedoelde gemeente de besluiten op grond van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 en hebben deze besluiten ook betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten.