-
Het bevoegd gezag draagt, mede in verband met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.87, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen de functies van het bestuur en het intern toezicht, en met een rechtmatig bestuur en beheer.
-
De scheiding tussen de functies van bestuur en intern toezicht is functioneel of organiek.
-
Interne toezichthouders en leden van het interne toezichthoudend orgaan functioneren onafhankelijk van het bestuur.
-
Het bevoegd gezag benoemt personen in de functies van het bestuur en het intern toezicht op basis van vooraf openbaar gemaakte competentieprofielen. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 WMS, in de gelegenheid een bindende voordracht te doen voor een lid.
-
Het eerste tot en met het vierde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het samenwerkingsverband de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS, in de gelegenheid om een bindende voordracht te doen voor een lid.
Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
- Artikel 2.10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 2.18
- Artikel 2.19
- Artikel 2.20
- Artikel 2.21
- Artikel 2.22
- Artikel 2.23
- Artikel 2.24
- Artikel 2.25
- Artikel 2.26
- Artikel 2.27
- Artikel 2.29
- Artikel 2.30
- Artikel 2.31
- Artikel 2.31a
- Artikel 2.31b
- Artikel 2.32
- Artikel 2.33
- Artikel 2.34
- Artikel 2.35
- Artikel 2.36
- Artikel 2.37
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
- Artikel 2.50
- Artikel 2.51
- Artikel 2.51a
- Artikel 2.52
- Artikel 2.53
- Artikel 2.54
- Artikel 2.55
- Artikel 2.55a
- Artikel 2.56
- Artikel 2.57
- Artikel 2.58
- Artikel 2.59
- Artikel 2.60
- Artikel 2.60a
- Artikel 2.60b
- Artikel 2.60c
- Artikel 2.60d
- Artikel 2.60e
- Artikel 2.61
- Artikel 2.62
- Artikel 2.63
- Artikel 2.64
- Artikel 2.65
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
- Artikel 2.99
- Artikel 2.100
- Artikel 2.101
- Artikel 2.102
- Artikel 2.103
- Artikel 2.104
- Artikel 2.105
- Artikel 2.106
- Artikel 2.107
- Artikel 2.107a
- Artikel 2.107b
- Artikel 2.107c
- Artikel 2.107d
- Artikel 2.107e
- Artikel 2.107f
- Artikel 2.107g
- Artikel 2.107h
- Artikel 2.107i
- Artikel 2.107j
- Artikel 2.107k
- Artikel 2.107l
- Artikel 2.108
- Artikel 2.109
- Artikel 2.109a
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Paragraaf 1 Bestuur en intern toezicht
Paragraaf 2 Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
Paragraaf 3 Stichting voor openbaar onderwijs
Paragraaf 4 Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
Paragraaf 5 Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
Paragraaf 6 Niet bekostigd onderwijs
Paragraaf 8 Centrale diensten
Paragraaf 9 Klachten, maatregelen en aanwijzingen
Paragraaf 10 Veiligheid
Paragraaf 11 Overige bepalingen
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Paragraaf 1 Aanspraak op bekostiging
Paragraaf 2 Vestigingen
Paragraaf 3 Regionale samenwerking voorzieningenplanning
Paragraaf 4 Beëindiging van de bekostiging
Paragraaf 5 Overige bepalingen
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 1 Algemene bepalingen bekostiging
Paragraaf 2 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen
Paragraaf 3 Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden
Paragraaf 4 Rol gemeente
Paragraaf 5 Vaststellen, verstrekken en betalen
Paragraaf 6 Overige voorschriften bekostiging
Paragraaf 7 Verantwoording
Paragraaf 8 Overige uitvoeringsregels
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht
Paragraaf 3 Verordening
Paragraaf 5 Bijzondere bepalingen gebruik
Paragraaf 6 Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie
Hoofdstuk 7 Personeel
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren
Paragraaf 3 Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar
Paragraaf 4 Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel
Paragraaf 5 Bijzondere regels voor scholengemeenschappen
Paragraaf 6 Zij-instroom in het beroep
Paragraaf 7 Rechtspositie personeel
Paragraaf 8 Stages
Paragraaf 9 Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen
Paragraaf 10 Lerarenregister
Paragraaf 11 Registervoorportaal
Hoofdstuk 8 Deelname
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Gebruik persoonsgebonden nummer
Paragraaf 3 Begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie
Paragraaf 4 Overige regels
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Paragraaf 1 Experimenten
Paragraaf 2 Bijzondere inrichting
Paragraaf 2a Nieuwkomersonderwijs
Paragraaf 3 Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.8a
- Artikel 11.9
- Artikel 11.10
- Artikel 11.10a
- Artikel 11.11
- Artikel 11.12
- Artikel 11.13
- Artikel 11.14
- Artikel 11.15
- Artikel 11.16
- Artikel 11.17
- Artikel 11.18
- Artikel 11.19
- Artikel 11.20
- Artikel 11.21
- Artikel 11.22
- Artikel 11.23
- Artikel 11.24
- Artikel 11.24a
- Artikel 11.25
- Artikel 11.26
- Artikel 11.27
- Artikel 11.28
- Artikel 11.29
- Artikel 11.30
- Artikel 11.31
- Artikel 11.32
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2
-
Het bevoegd gezag hanteert voor de school een code goed bestuur. De code bevat in elk geval bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan:
een beleid dat inhoudt dat de eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs tot hun recht komen;
een integere bedrijfsvoering, waaronder voorzieningen om belangenverstrengeling tegen te gaan; en
afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.
-
Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
Artikel 3.3
-
De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, en staat het bestuur met raad terzijde.
-
De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan heeft in elk geval tot taak:
het instemmen met de begroting en het jaarverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke voorschriften, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 3.2, en de afwijkingen van die code;
het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van deze wet;
het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES die verslag uitbrengt aan de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan; en
het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, in het jaarverslag.
-
De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht mogelijk is. Indien sprake is van een intern toezichthoudend orgaan of van meer dan een interne toezichthouder, is de samenstelling van het interne toezichthoudend orgaan respectievelijk de combinatie van de interne toezichthouders zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht mogelijk is.
-
Indien een raad van toezicht is ingesteld, is deze raad, onverminderd het eerste en tweede lid, belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuursleden en het toepassen van de artikelen 7.34, 7.35, 7.37 en 7.37a en de daarmee verband houdende wettelijke voorschriften op bestuursleden die ook tot het personeel behoren.
-
De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de medezeggenschapsraad.
-
Dit artikel is, van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. In afwijking van het vijfde lid, voert de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS.
Artikel 3.4
-
Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel heeft om een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de WPO, de WPO BES of de WEC. Deze openbare rechtspersoon bezit rechtspersoonlijkheid.
-
Een openbare rechtspersoon kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeenteraad. In dat geval komt de openbare rechtspersoon pas tot stand nadat alle daartoe strekkende verordeningen in werking zijn getreden. Deze verordeningen zijn gelijkluidend voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.
-
De gemeenteraad maakt het voornemen tot het instellen van een openbare rechtspersoon bekend.
-
Indien een openbare rechtspersoon wordt ingesteld door meer dan een gemeenteraad, wordt voor de toepassing van de deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.
Artikel 3.5
-
De verordening regelt in elk geval:
de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de openbare rechtspersoon;
de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur uitoefent;
de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen van het bestuur besloten te houden; en
de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is.
-
De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur.
Artikel 3.6
-
Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag besteedt in elk geval aandacht aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
-
De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.7
-
De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de openbare rechtspersoon. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen van de betrokken school of scholen.
-
De begroting en de jaarrekening van de openbare rechtspersoon worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
-
Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.
-
Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.
-
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.8
-
Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, is artikel 3.5, eerste lid niet van toepassing en bevat de verordening, onverminderd artikel 3.3 in elk geval een regeling van:
de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de openbare rechtspersoon;
de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van die leden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd;
de vaststelling van de begroting en de jaarrekening; en
de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is.
-
De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in de raad van toezicht
Artikel 3.9
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of handelen in strijd met de wet bevoegd om zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en om zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.
Artikel 3.10
-
Een gemeenteraad kan besluiten tot de oprichting van een stichting die tot doel heeft om een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de WPO, de WPO BES of de WEC.
-
De stichting wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet samen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
-
De gemeenteraad maakt het voornemen tot het oprichten van een stichting bekend.
-
Indien de stichting wordt opgericht door meer dan een gemeente, wordt voor de toepassing van deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.
Artikel 3.11
-
Onverminderd artikel 3.22, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs.
-
De statuten regelen in elk geval:
de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur;
de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur uitoefent;
de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen besloten te houden;
de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is;
de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
-
In de statuten is een overheersende invloed van de overheid in het bestuur verzekerd.
-
Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad.
Artikel 3.12
-
Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. In het verslag wordt in elk geval aandacht geschonken aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
-
De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.13
-
De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de stichting. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen.
-
De begroting en de jaarrekening van de stichting worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.
-
Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.
-
Indien de stichting een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.
-
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.14
-
Indien de stichting een raad van toezicht heeft, is artikel 3.11, tweede lid, niet van toepassing en bevatten de statuten, onverminderd artikel 3.3, in elk geval een regeling van:
de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting;
de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van die leden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd;
de vaststelling van de begroting en de jaarrekening;
de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is; en
de bevoegdheid om de stichting te ontbinden.
-
De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht.
Artikel 3.15
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en zo nodig de stichting te ontbinden.
Artikel 3.16
-
De instandhouding van een of meer openbare scholen samen met een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen aan een nieuwe stichting of worden overgedragen aan een bestaande stichting. De besluitvorming van de zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
-
Indien de laatste afzonderlijke openbare school en de laatste afzonderlijke bijzondere school die door de stichting in stand worden gehouden, zijn gefuseerd tot een samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 3.22, kan de instandhouding van die samenwerkingsschool opgedragen blijven aan de stichting.
-
In deze paragraaf wordt onder gemeenteraad verstaan: gemeenteraad van de gemeente waar de openbare school is gevestigd.
Artikel 3.17
-
Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs in afzonderlijke openbare respectievelijk bijzondere scholen.
-
De statuten regelen in elk geval:
de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur;
de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden;
de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de gemeenteraad;
de wijze waarop de gemeenteraad toezicht op het bestuur van de openbare school uitoefent;
de gronden waarop het bestuur kan beslissen de vergaderingen besloten te houden;
de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen en die ten minste vijf jaar is;
de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
-
De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in het bestuur voor zover het openbaar onderwijs betreft.
-
Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming slechts onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.
Artikel 3.18
-
De stichting brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag vermeldt in elk geval de wijze waarop de stichting gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:
de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging;
de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en
de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.
-
De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.
Artikel 3.19
De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.
Artikel 3.20
[Vervallen]
Artikel 3.21
In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.
Artikel 3.22
-
Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen door samenvoeging van een of meer openbare scholen met een of meer bijzondere scholen en wordt in stand gehouden door een stichting, een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of een stichting als bedoeld in artikel 3.10 waarvan het statutaire doel in elk geval is het in stand houden van een samenwerkingsschool.
-
Artikel 3.33 is van overeenkomstige toepassing.
-
Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen indien:
met die totstandkoming van de samenwerkingsschool de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven; en
de betrokken scholen en scholengemeenschappen alle leerjaren omvatten.
-
Van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is sprake als een van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:
120 leerlingen voor praktijkonderwijs;
260 leerlingen voor vbo met één profiel;
160 leerlingen per profiel voor vbo met twee of meer profielen;
4/3 van het aantal leerlingen voor de overige scholen dat voor de betrokken schoolsoort is genoemd in artikel 4.24, eerste lid, onderdeel e.
-
Indien sprake is van een scholengemeenschap, is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, sprake indien de betrokken scholen van een van de betrokken scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:
3/2 van het aantal leerlingen genoemd in artikel 4.24, tweede lid, voor praktijkonderwijs, mavo en havo;
130 leerlingen voor een afdeling voor havo;
293 leerlingen voor vwo; en
voor scholen voor vbo:
- 1°
195 leerlingen voor een school met één profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;
- 2°
120 leerlingen per profiel voor een school met twee of meer profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid.
- 1°
Artikel 3.23
-
Aan een samenwerkingsschool is een identiteitscommissie verbonden.
-
De identiteitscommissie adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag en de rector, directeur of centrale directie over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. De identiteitscommissie kan ook voorstellen doen over die aangelegenheden.
-
De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in elk geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd en ook een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
-
Wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt voor zover die betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie, is slechts mogelijk indien het bevoegd gezag en de identiteitscommissie daartoe gezamenlijk besluiten. Voor een stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 en anders dan bedoeld in artikel 3.10, kan een wijziging als bedoeld in de eerste volzin alleen tot stand komen met instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is. Instemming kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool betreft.
Artikel 3.24
-
De stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of in artikel 3.10 brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is, verslag uit over de werkzaamheden waarbij in elk geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
-
Overdracht, opheffing of samenvoeging van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is.
Artikel 3.25
-
Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.
-
De regels van deze wet en van andere wetten die het voortgezet onderwijs betreffen, en de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die regels en regelingen betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt.
Artikel 3.26
In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.
Artikel 3.27
-
De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW of artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW BES in stand houdt, stelt Onze Minister binnen vier weken na de oprichting van de school in kennis van die oprichting. De rechtspersoon overlegt daarbij de statuten en de reglementen van de rechtspersoon.
-
Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, stelt de rechtspersoon Onze Minister binnen vier weken in kennis van die wijziging of intrekking.
Artikel 3.28
-
Een rechtspersoon die een openbare school, een openbare school als bedoeld in de WPO of de WEC of een openbare instelling als bedoeld in de WEB of de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die tot deze instandhouding bevoegd is.
-
Een rechtspersoon die een bijzondere school, een bijzondere school als bedoeld in de WPO of in de WEC of een bijzondere instelling als bedoeld in de WEB of in de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 4.1, tweede lid.
-
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het een overdracht van de instandhouding betreft van:
een openbare school aan:
- 1°
een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 die is ingesteld door één gemeenteraad; of
- 2°
een stichting als bedoeld in artikel 3.10 die is opgericht door één gemeente;
- 1°
een bijzondere school aan een verkrijgende rechtspersoon in het kader van een splitsing van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 3.29
Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in stand houdt, samenvoegen tot een school of scholengemeenschap.
Artikel 3.30
-
Voor de toepassing van dit artikel en artikel 3.31 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.
-
Een fusie wordt alleen na instemming van Onze Minister tot stand gebracht.
-
Onze Minister kan aan een fusie instemming onthouden, indien als gevolg van de fusie:
de variatie van het onderwijsaanbod, waaronder schoolsoort, binnen de gemeenten waarin de leerlingen van de te fuseren scholen of rechtspersonen woonachtig zijn significant wordt belemmerd; of
het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen in het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de leerlingen van die scholen woonachtig zijn, een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage overschrijdt.
-
Onze Minister kan aan een institutionele fusie bovendien instemming onthouden indien de percentages leerlingen die zijn betrokken bij de fusie lager zijn dan de percentages, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.
-
Onze Minister vraagt een onafhankelijke adviescommissie advies over het verlenen van de instemming, tenzij de noodzaak daarvoor ontbreekt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over wanneer dit laatste het geval is.
-
Onze Minister stelt beleidsregels vast over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.
-
Instemming van Onze Minister is niet vereist:
voor de bestuursoverdracht en institutionele fusie die noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van de samenwerkingsschool, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid;
voor een fusie waarbij een school voor praktijkonderwijs is betrokken, voor zover het die school betreft.
Artikel 3.31
-
De rechtspersoon dient of de rechtspersonen samen dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor de instemming met de fusie. De aanvraag gaat vergezeld van:
een door de rechtspersoon of rechtspersonen opgestelde fusie-effectrapportage, en
een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie van de medezeggenschapsraden of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden, of
een uitspraak van de geschillencommissie als bedoeld in artikel 31, derde lid, WMS, of een uitspraak van de Ondernemingskamer als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van die wet.
-
Een aanvraag geldt ook als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.
-
De fusie-effectrapportage bevat in elk geval een weergave van:
de motieven voor de fusie;
de alternatieven voor de fusie;
het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd;
de met de fusie te bereiken doelen;
de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de rechtspersonen en vestigingen van scholen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die scholen woonachtig zijn, en op de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de betrokken gemeenten;
de financiële en personele gevolgen en de gevolgen voor leerlingen en hun ouders van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de voorzieningen;
de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd;
de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd;
een advies van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten over de wenselijkheid van de fusie.
-
Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 3.32
-
Onze Minister beslist binnen dertien weken op een aanvraag. De termijn kan met ten hoogste dertien weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager hiervan voorafgaand aan de verlenging in kennis.
-
Paragraaf 4.1.3.3 Awb is van toepassing.
Artikel 3.33
-
De bestuursoverdracht vindt plaats bij notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich ook om de rechten inzake gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt ook als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.
-
Bij de akte verbindt de verkrijgende rechtspersoon zich ook om het personeel in gelijke betrekkingen te benoemen met ingang van de datum van overdracht.
-
Door de overdracht treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle rechten en verplichtingen van de overdragende rechtspersoon met betrekking tot de school die uit de wet voortvloeien, onverminderd wat verder nog voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.
-
Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken.
-
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES van een rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, bepaalt de splitsingsakte dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of aan welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school wordt overgedragen. In het laatste geval zijn het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.34
-
Een centrale dienst is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die:
uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag, al dan niet samen met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de WPO of de WEC;
zich volgens de statuten of de betrokken gemeenschappelijke regeling uitsluitend ten doel stelt om werkzaamheden te verrichten voor de scholen van de betrokken bevoegde gezagsorganen in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs;
niet het maken van winst beoogt;
wordt gefinancierd uit bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht; en
Onze Minister heeft medegedeeld als centrale dienst werkzaam te willen zijn.
-
Onder werkzaamheden in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs wordt niet verstaan:
het leiden van de school;
het geven van onderwijs, met uitzondering van het geven van leerwegondersteunend onderwijs;
activiteiten op het gebied van schoolbegeleiding als bedoeld in artikel 1 WPO en WEC.
-
Op het personeel van een centrale dienst is de rechtspositieregeling, bedoeld in artikel 7.34 van toepassing, behalve op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld.
-
De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, geven Onze Minister en de personen die hij aanwijst op verzoek alle inlichtingen over de centrale dienst en de activiteiten daarvan.
-
De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, zien toe op de naleving van de voorgaande leden.
Artikel 3.35
-
Het bevoegd gezag stelt een klachtenregeling vast waarbij een klachtencommissie wordt ingesteld.
-
De klachtencommissie bestaat uit ten minste drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.
-
Ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie een klacht indienen over:
gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie; of
het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel.
-
De klachtenregeling omvat naast het instellen van de klachtencommissie in elk geval:
de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht;
de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen;
de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, en de wijze waarop bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld; en
waarborgen dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.
Artikel 3.36
-
De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten; en
zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
-
De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en deelt het oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.
-
Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd mee of hij het oordeel over de klacht deelt en of en zo ja, welke maatregelen hij zal nemen. Bij afwijking van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, doet het bevoegd gezag daarvan gemotiveerd mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn besluit bekend zal maken.
-
Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij toegang krijgt tot gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
-
Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 3.37
-
Indien het bevoegd gezag tekort schiet in zijn zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag, of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag, maatregelen treffen.
-
Tot de maatregelen hoort de mogelijkheid om het bevoegd gezag te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen worden verstrekt aan de school.
-
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag tekortschiet in zijn zorg voor de kwaliteit van de uitoefening van de taken van een samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van een samenwerkingsverband.
Artikel 3.38
-
Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
-
Onder wanbeheer wordt verstaan:
financieel wanbeleid;
het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 2.87, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;
het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 3.40, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;
het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 2.2, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
-
Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
-
De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
-
Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.
Artikel 3.38a
-
Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, volgt; en
dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
-
Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
-
De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
-
De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
-
Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.
-
Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
-
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.
Artikel 3.39
-
Indien het een bevoegd gezag bekend is geworden dat een persoon die voor zijn school met taken is belast, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of in het Tweede Boek, Titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 WOT.
-
Indien uit het overleg blijkt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 1 juncto artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES. Voordat het bevoegd gezag aangifte doet, stelt het de ouders van de leerling en de betrokken persoon hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag stelt de vertrouwensinspecteur onverwijld in kennis van de aangifte.
-
Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 3.40
-
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het in elk geval:
beleid over de veiligheid voert;
de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld hiervan geeft;
ervoor zorg draagt dat bij een persoon in elk geval de volgende taken zijn belegd:
- 1°
het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten; en
- 2°
het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
- 1°
-
Onder veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:
de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt;
de representativiteit van het instrument; en
de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
-
Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.
Artikel 3.41
-
Het bevoegd gezag stelt voor het personeel een meldcode vast waarin wordt aangegeven op welke wijze met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
-
Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
-
Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
-
Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de elementen waaruit een meldcode in elk geval bestaat.
Artikel 3.42
-
Het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente voeren ten minste jaarlijks op overeenstemming gericht overleg over:
het voorkomen van segregatie;
het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden;
de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures;
het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van de in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen.
-
Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt.
-
Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkomsten van het overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die, voordat de afspraken tot stand komen, aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijft het college van burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij het college initiatieven neemt tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het college van burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het vierde lid, om een bindend advies.
-
Onze Minister stelt een geschillencommissie in.
-
De geschillencommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden, die allen door Onze Minister worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.
-
De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.
-
De geschillencommissie brengt binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders of aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies als bedoeld in het derde lid uit. Het college van burgemeester en wethouders deelt dit advies mede aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente.
Artikel 3.43
Artikel 2:13, eerste lid, Awb is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders of leerlingen en het bevoegd gezag.