Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Hoofdstuk 7

Personeel

Artikel 7.1

  1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

    1. benoemen: tewerkstellen zonder benoeming;

    2. benoeming: tewerkstelling zonder benoeming;

    3. vak: combinatie van vakken.

  2. De artikelen 7.34, 7.35, 7.37, 7.37a en 11.89a zijn niet van toepassing op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan een school.

Artikel 7.2

  1. Aan een school zijn leraren verbonden.

  2. Aan het hoofd van een school voor vwo staat een rector en aan het hoofd van andere scholen een directeur. Zij worden bijgestaan door conrectoren respectievelijk adjunct-directeuren, die hen bij afwezigheid vervangen.

  3. Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen.

  4. Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van schooldecaan.

  5. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.

Artikel 7.3

  1. Om te kunnen worden benoemd, overlegt ieder personeelslid van de school voorafgaand aan zijn benoeming een verklaring omtrent het gedrag. Deze verklaring is op het moment van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan 26 weken.

  2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat met lesgevende of onderwijsondersteunende taken geen personeelsleden worden belast die van die werkzaamheden zijn uitgesloten op grond van een rechterlijke uitspraak.

Artikel 7.3.a

  1. Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag van een persoon die:

    1. werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder; en

    2. werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces en die plaatsvinden:

      1. in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of

      2. onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

  2. Het bevoegd gezag bewaart het afschrift, bedoeld in het eerste lid, gedurende het schooljaar waarin de werkzaamheden worden verricht.

  3. Het bevoegd gezag controleert ieder schooljaar voorafgaand aan de eerste keer dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, werkzaamheden verricht of de verklaring omtrent het gedrag waarvan een afschrift wordt verstrekt niet ouder is dan zes maanden.

Artikel 7.4

  1. Het bevoegd gezag kan aan het hoofd van een school die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een centrale directie plaatsen.

  2. De centrale directie bestaat uit ten hoogste vijf leden en omvat ten hoogste drie volledige formatieplaatsen. Het bevoegd gezag benoemt een van de leden als voorzitter.

  3. De centrale directie leidt namens het bevoegd gezag de voorbereiding en uitvoering van het schoolbeleid, de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en het beheer van de school.

  4. Artikel 7.2, tweede lid, is niet van toepassing op een school met een centrale directie.

Artikel 7.5

  1. Het bevoegd gezag kan wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan de rector, de directeur of de centrale directie van de school.

  2. De rector of de directeur kunnen de wettelijke taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en eigen wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan de conrectoren of adjunct-directeuren.

Artikel 7.6

  1. Het bevoegd gezag stelt een managementstatuut vast, na overleg met de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie.

  2. Het managementstatuut bevat:

    1. een regeling van de bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie, over de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging;

    2. de wettelijke taken en bevoegdheden die het bevoegd gezag of de wettelijke taken en bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie deze namens het bevoegd gezag kunnen uitoefenen, en instructies voor de uitoefening daarvan.

    3. de wettelijke taken en bevoegdheden die het bevoegd gezag heeft overgedragen aan de rector, de directeur of de centrale directie;

    4. de taken en bevoegdheden die de rector, de directeur of de centrale directie aan elkaar of aan conrectoren of adjunct-directeuren hebben overgedragen; en

    5. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden.

  3. Het bevoegd gezag stelt het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling op een voor eenieder toegankelijke wijze beschikbaar.

Artikel 7.7

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

Artikel 7.8

  1. Onder het beroep van leraar wordt verstaan het dragen van verantwoordelijkheid voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school.

  2. De leraar heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen.

  3. De leraar beschikt over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap, waaronder de zeggenschap over:

    1. de inhoud van de lesstof;

    2. de wijze waarop de lesstof wordt aangeboden en de middelen die daarbij worden gebruikt;

    3. de te hanteren pedagogisch-didactische aanpak op de school en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven, waaronder de begeleiding van de leerlingen en de contacten met de ouders; en

    4. het in samenhang met de onderdelen a, b en c, onderhouden van de bekwaamheid van de leraren als onderdeel van het team.

  4. Het bevoegd gezag stelt in overleg met de leraren een professioneel statuut op met daarin de afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van leraren als bedoeld in het derde lid wordt georganiseerd.

Artikel 7.9

  1. Voortgezet onderwijs mag alleen worden gegeven door degene die daartoe op grond van deze paragraaf bevoegd is of op grond van paragraaf 3 benoembaar is.

  2. Het eerste lid heeft geen betrekking op voortgezet onderwijs in een vak of ander programmaonderdeel dat het bevoegd gezag heeft vastgesteld, behalve godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Voor het geven van deze vakken of die programmaonderdelen kunnen bij algemene maatregel van bestuur de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk van toepassing of van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Artikel 7.10

  1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen voor leraren gesteld.

  2. De bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval voorschriften op het gebied van:

    1. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden; en

    2. vakbekwaamheid.

  3. De bekwaamheidseisen kunnen worden onderscheiden naar schoolsoort en naar samenhangende leerjaren. Zij worden in elk geval specifiek vastgesteld voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid.

  4. Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaren een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel, in de gelegenheid hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen. Uit het voorstel blijkt in hoeverre het voorstel ook steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen, van ouders en van leerlingen.

Artikel 7.11

  1. Bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in enig vak is de leraar die in het bezit is van:

    1. een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven;

    2. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die zijn verleend voor van het onderwijs dat de leraar zal geven;

    3. een buiten de Europese Economische Ruimte of Zwitserland behaald bewijs van bekwaamheid op grond waarvan Onze Minister de leraar, al dan niet onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorwaarden, een bevoegdheid heeft verleend tot het geven van voortgezet onderwijs; of

    4. een verklaring afgelegde vakken en opgedane bekwaamheid die is afgegeven op grond van artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW, waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.

  2. Bij ministeriële regeling worden de getuigschriften en verklaringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d aangewezen die zijn afgegeven op grond van de WHW en die een bevoegdheid geven voor algemeen gebruikelijke vakken waarvoor die bevoegdheid niet rechtstreeks op grond van het betreffende getuigschrift of verklaring kan worden vastgesteld. In de ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over bij- of nascholing.

  3. Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag of van de leraar schriftelijk verklaren dat de leraar bevoegd is tot het geven van voortgezet onderwijs in een vak of ander programmaonderdeel waarvoor de bevoegdheid:

    1. niet kan worden aangetoond met een bestaand getuigschrift op grond van de WHW; en

    2. niet blijkt uit de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid.

  4. Tot het geven van praktijkonderwijs in een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, is ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift op grond van de WHW waaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen op grond van artikel 32a WPO of artikel 35 WPO BES.

  5. Tot het geven van onderwijs in de entreeopleiding, bedoeld in artikel 2.102, is ook bevoegd degene die beschikt over een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, WEB of als bedoeld in artikel 4.2.5, eerste lid, WEB BES, en die bovendien beschikt over een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 WHW.

  6. Degene die voor een vak beschikt over een bevoegdheid voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is daarmee voor dat vak ook bevoegd voor het overige voortgezet onderwijs.

  7. In bijzondere gevallen kan Onze Minister aan personen die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, een bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in dit vak of dit onderdeel.

Artikel 7.12

  1. Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, waaruit blijkt dat betrokkene:

    1. ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt; en

    2. heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat hij zal geven.

  2. Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die blijkens een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW of blijkens een certificaat dat is afgegeven op basis van artikel 27, vierde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt en waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.

  3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over welke getuigschriften van de bacheloropleidingen, bedoeld in het eerste lid, en over welke verklaringen en certificaten, bedoeld in het tweede lid, de bevoegdheid verlenen tot het geven van de daarbij aan te wijzen vakken.

Artikel 7.13

  1. Indien in de eerste twee leerjaren vakoverstijgende programmaonderdelen voorkomen, kan worden gewerkt met teams van leraren die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van die onderdelen.

  2. Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.

  3. De leraren van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.

  4. De leraren van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs van het vakoverstijgende onderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.

  5. Het vakoverstijgende onderdeel kan worden verzorgd door:

    1. leden van het team, al dan niet in combinatie met

    2. andere leraren die daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt zijn.

  6. Als het vakoverstijgende onderdeel ook wordt verzorgd door andere leraren, stelt het bevoegd gezag met inachtneming van de opvattingen van de leden van het team vast of de inhoudelijke of didactische kennis en vaardigheden van deze leraren voldoende zijn. Indien dat niet het geval is, wordt vastgesteld op welke wijze hierin alsnog wordt voorzien.

Artikel 7.13a

  1. Indien in het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l sprake is van vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen als bedoeld in artikel 2.107d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk c, kan worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen.

  2. Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vak- of secoroverstijgende programmaonderdeel of voldoet aan de vereisten voor benoeming of tewerkstelling als docent als bedoeld in artikel 4.2.1 WEBen artikel 4.2.1 WEB BES.

  3. De leraren en docenten van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken en programmaonderdelen binnen het vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel.

  4. De leraren en docenten van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs in het desbetreffende vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.

Artikel 7.14

  1. Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan deze voor ten hoogste een jaar, met inbegrip van tussenperioden van niet meer dan drie maanden, worden vervangen door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.

  2. Indien een vacature niet direct kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  3. De termijn van een jaar kan met ten hoogste twee jaar worden verlengd indien het bevoegd gezag en de betrokkene schriftelijk overeenkomen dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog zijn bevoegdheid te halen voor het door hem gegeven onderwijs. Het bevoegd gezag kan deze termijn onder dezelfde voorwaarde met nog twee jaar verlengen indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs op de school.

Artikel 7.15

  1. Het bevoegd gezag kan een leraar die in het bezit is van een bevoegdheid voor enig vak, ten hoogste twee jaar onderwijs laten geven in een vak waarvoor de leraar niet bevoegd is. Deze termijn kan het bevoegd gezag met ten hoogste twee jaar verlengen, indien het bevoegd gezag dit noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs.

  2. Bij toepassing van het eerste lid komen het bevoegd gezag en de betrokken leraar schriftelijk overeen dat de leraar zich ervoor inspant om binnen de genoemde termijnen alsnog de bevoegdheid te halen voor het onderwijs in dat andere vak.

  3. De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag in de eerste twee leerjaren ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 7.16

  1. Het bevoegd gezag kan voor maximaal vijf procent van het samenhangende onderwijsprogramma in de periode van voorbereidend hoger onderwijs bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, toestaan dat leraren die voor een vak in het vwo of het havo wel bevoegd zijn voor de eerste drie leerjaren maar niet voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, dat onderwijs voor een periode van ten hoogste een schooljaar ook geven in die hogere leerjaren.

  2. Binnen de betrekkingsomvang van deze leraren moet het grootste deel van hun werkzaamheden zijn gelegen buiten de periode van voorbereidend hoger onderwijs.

Artikel 7.17

  1. Ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die ten minste 180 studiepunten hebben behaald, of ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een universiteit, kunnen tijdelijk worden benoemd voor het geven van dat onderwijs waarvoor zij in opleiding zijn, voor een periode die ten hoogste een arbeidstijd omvat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden.

  2. De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor een ho-student in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die minder dan 180, maar ten minste 166 studiepunten heeft behaald indien de hogeschool heeft verklaard dat de ho-student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De tijdelijke benoeming vervalt in dat geval indien de ho-student niet binnen vier weken na begin van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt.

  3. De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor ho-studenten die een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs aan een universiteit volgen. In dat geval bedraagt de benoemingsperiode maximaal een schooljaar voor de ho-student die een voltijdse opleiding volgt en maximaal twee schooljaren voor de ho-student die een deeltijdse opleiding volgt.

  4. Bij de tijdelijke benoeming van een ho-student tot leraar voortgezet onderwijs wordt een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, WHW. De overeenkomst vermeldt de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken ho-student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.

Artikel 7.18

  1. Het bevoegd gezag kan degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 7.27 voor ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren tot leraar benoemen. Het bevoegd gezag kan deze periode, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaar als dat bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht.

  2. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor het eerst na afgifte van diens geschiktheidsverklaring tot leraar benoemt, registreert de benoeming en de datum daarvan op de geschiktheidsverklaring.

Artikel 7.19

  1. Het bevoegd gezag kan een gastdocent die naar zijn oordeel bekwaam is op grond van specifieke kennis uit de praktijk, benoemen voor het geven van onderwijs in vakken waarop die kennis betrekking heeft.

  2. Deze gastdocent kan alleen worden belast met lesgevende taken voor een beperkte betrekkingsomvang van in totaal ten hoogste gemiddeld zes uur per week op jaarbasis, onder de verantwoordelijkheid van een leraar die het bevoegd gezag heeft aangewezen.

  3. De vereisten in dit hoofdstuk over bekwaamheid, bevoegdheid of benoembaarheid van leraren, zijn niet van toepassing op de leraar die alleen is belast met contractactiviteiten.

Artikel 7.20

  1. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan voor elk personeelslid met een functie of werkzaamheden waarvoor bekwaamheidseisen als bedoeld in 7.10, eerste lid, artikel 7.23, vierde lid, of artikel 7.24, tweede lid, zijn vastgesteld.

  2. Voor de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting en wijze van ordening van de gegevens.

  3. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de toepassing van de artikelen 7.14, 7.15 en 7.18.

Artikel 7.21

De periode waarvoor een leraar op grond van artikel 7.5, 7.13, 7.16, 7.17 of 7.18, eerste lid, maximaal kan worden benoemd, gaat niet opnieuw lopen door eenzelfde benoeming.

Artikel 7.22

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welke gronden en volgens welke procedure voor leraren in vaste dienst aan een school kan worden afgeweken van artikel 7.9, eerste lid.

Artikel 7.23

  1. Het bevoegd gezag kan tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur benoemen degene die:

    1. op grond van artikel 7.11 als leraar bevoegd is tot het geven van voortgezet onderwijs in een van de vakken die aan de school worden onderwezen, en

    2. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van het vierde lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, waaruit blijkt dat is voldaan aan die eisen, of

    3. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor de werkzaamheden die hij zal verrichten, of

    4. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.

  2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de leden van de centrale directie als bedoeld in artikel 7.4.

  3. Het bevoegd gezag van een school zonder centrale directie kan voor ten hoogste de helft van het aantal personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, aan die school afwijken van het eerste lid, onderdeel a.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten.

  5. Onze Minister kan een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht, in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het vierde lid kunnen worden vastgesteld.

Artikel 7.24

  1. Het bevoegd gezag kan met onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, belasten degene die:

    1. in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, de WEB, of de WEB BES waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld op grond van het tweede lid;

    2. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend voor die werkzaamheden; of

    3. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor onderwijsondersteunende werkzaamheden die bij die maatregel worden aangewezen en die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.

  3. Het bevoegd gezag kan het onderwijsondersteunende personeelslid dat niet voldoet aan het eerste lid, toch voor ten hoogste twee jaar belasten met werkzaamheden waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld. De eerste volzin wordt alleen toegepast indien het bevoegd gezag en betrokkene schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog te voldoen aan die bekwaamheidseisen.

  4. Voor ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, WHW en mbo-studenten in de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan het bevoegd gezag voor de duur van die werkzaamheden afwijken van het eerste lid.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de onderwijsondersteunende functionaris is belast met contractactiviteiten.

Artikel 7.25

Bij algemene maatregel voor bestuur worden regels gesteld voor een scholengemeenschap of een verticale scholengemeenschap over de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 4.

Artikel 7.26

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. instelling voor hoger onderwijs: instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, WHW;

  2. instellingsbestuur: instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, WHW.

Artikel 7.27

  1. Een geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die is erkend op grond van artikel 7.29.

  2. Het geschiktheidsonderzoek kan worden aangevraagd door het bevoegd gezag dat een zij-instromer wil benoemen, of door degene die als zij-instromer wil worden benoemd. Het instellingsbestuur betrekt bij het onderzoek het bevoegd gezag dat de aanvraag indient of, indien de aanvraag door betrokkene zelf is ingediend, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met de aanvrager wordt uitgenodigd.

  3. Bij de aanvraag wordt aangetoond dat betrokkene beschikt over:

    1. een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor overeenkomstig onderwijs;

    2. een diploma van een vakopleiding, middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, WEB BES, indien betrokkene beoogt onderwijs te geven in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beroepsgerichte vakken, of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor overeenkomstig onderwijs; of

    3. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a of b.

  4. Het geschiktheidsonderzoek bestaat uit:

    1. de beoordeling of de gevolgde opleiding en in samenhang daarmee de maatschappelijke ervaring of de beroepservaring van betrokkene voldoende relevant zijn voor de beoogde werkzaamheden aan een school, en indien dat het geval is;

    2. het onderzoek naar de geschiktheid van betrokkene voor het beroep van leraar; en

    3. de beoordeling van de scholing en begeleiding die betrokkene nodig heeft om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek.

  5. In het onderzoek naar de geschiktheid voor het beroep van leraar wordt vastgesteld of betrokkene over voldoende kennis, inzicht en vaardigheden beschikt om onderwijs te geven dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de betrokkene als zij-instromer wordt begeleid en verder wordt geschoold. De kennis, het inzicht en de vaardigheden zijn afgeleid van de bekwaamheidseisen die gelden voor leraren en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden. In elk geval wordt ook beoordeeld of betrokkene in de feitelijke onderwijssituatie in staat is om verantwoord les te geven.

  6. Bij het geschiktheidsonderzoek zijn in gelijke mate betrokken:

    1. personen die aan een lerarenopleiding onderwijs geven of hebben verzorgd; en

    2. leraren in het betrokken vak of vakgebied die niet werkzaam zijn voor het bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek.

  7. De aanvrager is aan de uitvoerder van het onderzoek een vergoeding verschuldigd, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld.

  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de uitvoering van het vierde lid, onderdeel b, en het vijfde lid, en kunnen regels worden gesteld ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren, regels over de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en regels voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.

Artikel 7.28

  1. Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 7.27 voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat wordt geacht binnen twee jaar na benoeming met goed gevolg deel te nemen aan het bekwaamheidsonderzoek, bedoeld in artikel 7.31, geeft het bestuur van een instelling die daartoe op grond van artikel 7.29 is erkend, een geschiktheidsverklaring af.

  2. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld.

Artikel 7.29

  1. Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur van de instelling besluiten dat een instelling bevoegd is tot:

    1. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek;

    2. het afgeven van geschiktheidsverklaringen; of

    3. het doen van voorstellen over de scholing en begeleiding die volgens het geschiktheidsonderzoek nodig zijn.

  2. Onze Minister erkent de instelling indien het bestuur van die instelling bij de aanvraag voldoende aannemelijk maakt dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag en over de behandeling en beoordeling ervan.

  3. Onze Minister kan voor de behandeling van de aanvraag een vergoeding in rekening brengen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

  4. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling het geschiktheidsonderzoek naar zijn oordeel niet meer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.

Artikel 7.30

  1. Degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat hem benoemt en het bestuur van de instelling, bedoeld in artikel 7.32, sluiten een scholings- en begeleidingsovereenkomst.

  2. In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de drie betrokken partijen vastgelegd over de scholing en begeleiding die op grond van de afgegeven geschiktheidsverklaring noodzakelijk worden geacht.

  3. Indien blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag respectievelijk het bestuur van de instelling tijdig een toereikende vervangende voorziening.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval regels ter waarborging van de kwaliteit van de scholings- en begeleidingsovereenkomst.

  5. Voor zover betrokkene de werkzaamheden waarvoor hij in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, bij twee of meer bevoegde gezagsorganen verricht, zorgen deze bevoegde gezagsorganen ervoor dat de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, waarbij zij wat de betrokkene betreft partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zo nodig wordt met dat doel een al gesloten overeenkomst gewijzigd.

Artikel 7.31

Het bekwaamheidsonderzoek heeft tot doel vast te stellen of de zij-instromer voldoet aan de in artikel 7.10, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat betrokkene als leraar wil gaan geven.

Artikel 7.32

  1. Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, WHW die opleidt voor bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, en daartoe door het bestuur bij Onze Minister is gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:

    1. het verzorgen of doen verzorgen van de scholing en begeleiding, bedoeld in 7.27, vierde lid, onderdeel c, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt; of

    2. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van een bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het betrokken getuigschrift.

  2. Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, biedt degene die zich daarvoor meldt en wiens scholing en begeleiding overeenkomstig de scholings- en begeleidingsovereenkomst zijn afgerond, tijdig de gelegenheid om deel te nemen aan dat onderzoek.

  3. Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat aan de aanvrager een vergoeding in rekening wordt gebracht voor de uitvoering van het bekwaamheidsonderzoek. Bij ministeriële regeling kan aan deze bijdrage een maximum worden gesteld.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de scholing en begeleiding, en over het bekwaamheidsonderzoek, waaronder regels ter waarborging van de kwaliteit.

Artikel 7.33

  1. De besturen van instellingen die bevoegd zijn tot het uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, bekwaamheidsonderzoeken of het verzorgen van scholing en begeleiding op grond van geschiktheidsverklaringen, dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden die daarmee samenhangen.

  2. Deze besturen verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig vindt voor een goede naleving van deze paragraaf. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van de geschiktheidsverklaringen die in deze periode zijn afgegeven en van de bekwaamheidsonderzoeken waaraan in die periode met goed gevolg is deelgenomen.

  3. Onze Minister kan beslissen dat aan een instelling een of meer van de in artikel 7.29 of artikel 7.32, eerste lid, bedoelde bevoegdheden wordt ontnomen, indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, of als niet meer wordt voldaan aan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over de uitoefening van die bevoegdheden. Op de ontneming van bevoegdheden is artikel 6.10, vierde lid, WHW van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.34

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.

Artikel 7.35

Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 7.34 te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.

Artikel 7.36

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het verrichten van contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51 procent van de personeelskosten van de school uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Artikel 7.37

  1. Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

  2. Het bevoegd gezag benoemt het personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.

  3. Onder benoeming in algemene dienst wordt verstaan een benoeming voor het verrichten van werkzaamheden aan scholen die het bevoegd gezag in stand houdt.

Artikel 7.37a

  1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag en van de arbeidsovereenkomsten van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming.

Artikel 7.38

In afwijking van artikel 7.37 leggen gedeputeerde staten van de betrokken provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.

Artikel 7.41

Wie zich bij het geven van onderwijs aan een openbare school schuldig maakt aan plichtsverzuim bij het eerbiedigen van ieders godsdienst of levensovertuiging, kan bij koninklijk besluit voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd worden geschorst in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school.

Artikel 7.42

  1. Het bevoegd gezag laat ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding op grond van de WHW voor het beroep van leraar of die op een andere manier studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen voor een functie in het voortgezet, beroeps- of primair onderwijs tot de school toe om de ervaring in de school te verkrijgen die als onderdeel van hun opleiding is vereist. Van deze verplichting kan Onze Minister het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk ontheffing voor een schooljaar verlenen.

  2. Deze verplichting voor het bevoegd gezag geldt voor in totaal per schooljaar vijf procent van het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd in dat jaar verzorgde onderwijsprogramma. Bij ministeriële regeling kan het percentage lager worden vastgesteld.

  3. De rector, de directeur of de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de begeleiding van de ho-studenten in de school door de leraren, in overeenstemming met de leraren en de betrokken opleidingsinstellingen.

  4. De scholen waartoe de ho-studenten zijn toegelaten, zijn voor zover dat nodig is voor het toezicht op, of de begeleiding van de praktische vorming van deze ho-studenten, toegankelijk voor:

    1. de inspectie die is belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen;

    2. de directieleden en de docenten van die opleidingsinstellingen, aan te wijzen door de directieleden; en

    3. leden van het College voor toetsen en examen.

  5. Een bevoegd gezag kan een ho-student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien de ho-student in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Het bevoegd gezag motiveert de beslissing tot ontzegging en maakt deze schriftelijk bekend aan de ho-student. Het bevoegd gezag zendt aan het bevoegd gezag van de opleidingsinstelling een afschrift van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school.

Artikel 7.43

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    1. het maximum aantal lessen in een vak van een schoolsoort waarvoor het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42 toe te laten, welk maximum niet meer is dan twintig procent;

    2. het maximum aantal ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, dat bij dezelfde les kan worden toegelaten, welk maximum, behalve in bijzondere omstandigheden, niet meer is dan drie; en

    3. de gevolgen van het toelaten van meer dan één ho-student bij dezelfde les voor het maximum, bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, en het maximum, bedoeld in onderdeel a.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de wijze van aanmelden van ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, en de termijn voor de aanmelding die het bevoegd gezag mag stellen;

    2. de wijze waarop de school bekendheid geeft aan opleidingsinstellingen en het College voor toetsen en examens over de beschikbaarheid en de aard van schoolpracticumplaatsen;

    3. de categorieën ho-studenten voor wie de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt;

    4. regulering in de situatie dat, bij een beperkte beschikbaarheid van schoolpracticumplaatsen aan de school, gelijktijdig ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, en ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs, worden aangemeld; of

    5. de vakken van een schoolsoort waarvoor in verband met de geringe omvang van het onderwijs daarin, de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt.

Artikel 7.44

  1. Voortgezet onderwijs wordt alleen gegeven door wie voldoet aan de artikelen 7.2, eerste lid, 7.3, 7.9, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, en 7.11, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c. De artikelen 7.8, 7.11, eerste lid, onderdeel c, tweede tot en met vierde lid, zevende lid, 7.12 tot en met 7.15, 7.19, eerste en tweede lid, 7.20, tweede lid, en 7.21 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.24 worden voor het algemeen voortgezet onderwijs aan niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alleen verricht door degene die voldoet aan de artikelen 7.3 en 7.24, eerste lid. Artikel 7.24, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.46

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Artikel 7.54

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Artikel 7.55

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Artikel 7.63

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020