Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Paragraaf 2

Inrichting van het voortgezet onderwijs

Artikel 2.10

Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op het praktijkonderwijs, indien dat nadrukkelijk is bepaald.

Artikel 2.11

  1. Het voortgezet onderwijs wordt gegeven in het Nederlands.

  2. Bij het geven van voortgezet onderwijs kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:

    1. onderwijs over die andere taal wordt gegeven;

    2. dat noodzakelijk is vanwege de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs; of

    3. dat noodzakelijk is vanwege de herkomst van de leerlingen.

  3. Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij het geven van onderwijs in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.

  4. Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.12

Het voortgezet onderwijs in de eerste twee leerjaren is zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar:

  1. het derde leerjaar van vwo en havo en vervolgens naar de profielen van vwo of havo; of

  2. de profielen van mavo en vbo.

Artikel 2.13

  1. Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld. Kerndoelen zijn de na te streven inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden door leerlingen.

  2. De kerndoelen besteden aandacht aan aspecten van:

    1. Nederlandse taal;

    2. Engelse taal;

    3. geschiedenis en staatsinrichting;

    4. aardrijkskunde;

    5. economie;

    6. wiskunde;

    7. natuur- en scheikunde;

    8. biologie;

    9. verzorging;

    10. informatiekunde;

    11. techniek;

    12. lichamelijke opvoeding; en

    13. beeldende vorming, muziek, drama en dans.

Artikel 2.14

  1. Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

  2. Het bevoegd gezag werkt in dit onderwijsprogramma de kerndoelen uit voor de verschillende schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van het onderwijsprogramma voor zover het om ander onderwijs gaat dan onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen.

  4. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.15

  1. Op de scholen in de provincie Fryslân wordt in de eerste twee leerjaren met inachtneming van de kerndoelen, ook voortgezet onderwijs gegeven in Friese taal en cultuur.

  2. Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân kunnen op aanvraag van het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht om voortgezet onderwijs te geven in Friese taal en cultuur.

  3. Gedeputeerde staten stellen in beleidsregels criteria vast voor de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, nadat zij over de inhoud van de criteria overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.

Artikel 2.16

  1. Provinciale staten van Fryslân stellen de kerndoelen Friese taal en cultuur bij verordening vast nadat gedeputeerde staten over de inhoud van de kerndoelen overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.

  2. Voor de verordening is goedkeuring vereist van Onze Minister.

Artikel 2.17

  1. Onze Minister kan aan de verordening, bedoeld in artikel 2.16, in elk geval goedkeuring onthouden indien:

    1. er naar zijn oordeel onvoldoende draagvlak in het voortgezet onderwijs in Fryslân is voor de voorgelegde kerndoelen Friese taal en cultuur; of

    2. de kerndoelen Friese taal en cultuur meer inspanningen van het voortgezet onderwijs in Fryslân vergen dan het aandeel van het onderwijs in Friese taal en cultuur binnen het onderwijsprogramma rechtvaardigt.

  2. Onze Minister kan ook aan de verordening goedkeuring onthouden indien naar zijn oordeel de kerndoelen onvoldoende aandacht schenken aan:

    1. mondelinge uitdrukkingsvaardigheid in het Fries en het verstaan van de Fries gesproken taal;

    2. schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in het Fries en het verwerven van informatie uit teksten die in het Fries zijn gesteld;

    3. het bevorderen van het begrip van de Friese taal en cultuur; of

    4. het ontwikkelen van een positieve houding over het gebruik van het Fries.

  3. Ten behoeve van het besluit, bedoeld in het eerste lid, verstrekken gedeputeerde staten aan Onze Minister gegevens over de onderwerpen, bedoeld het eerste lid.

  4. Indien Onze Minister voornemens is goedkeuring te onthouden, verzoekt hij de Onderwijsraad advies uit te brengen en geeft hij daarbij een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. De Onderwijsraad brengt binnen zes weken advies uit aan Onze Minister. Het advies wordt openbaar gemaakt.

  5. Onze Minister informeert beide Kamers der Staten-Generaal over het voornemen de verordening al dan niet goed te keuren.

Artikel 2.18

  1. Het bevoegd gezag kan na overleg met de ouders van de leerling die leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. In dat geval stelt het bevoegd gezag het alternatieve onderwijsprogramma voor die programmaonderdelen vast.

  2. Het bevoegd gezag kan voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen bij de inrichting van het onderwijs afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure om vast te stellen welke leerlingen in aanmerking komen voor afwijkingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.19

  1. Het bevoegd gezag richt voor het derde leerjaar aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

  2. Het onderwijsprogramma wordt zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van leerlingen de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar elk van de profielen, genoemd in artikel 2.20, vierde lid.

  3. Artikel 2.14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.20

  1. Het onderwijs aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo heeft met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend hoger onderwijs.

  2. Het bevoegd gezag richt deze periode in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma met een normatieve studielast voor de leerling van 1600 klokuren per leerjaar.

  3. Een profiel biedt:

    1. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming;

    2. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs; en

    3. een bijzondere voorbereiding op groepen opleidingen in het hoger onderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.

  4. Het bevoegd gezag van een school voor vwo of havo biedt alle profielen aan. Deze profielen zijn:

    1. natuur en techniek;

    2. natuur en gezondheid;

    3. economie en maatschappij;

    4. cultuur en maatschappij.

Artikel 2.21

  1. Elk profiel in vwo en havo bestaat uit:

    1. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen gelijk is;

    2. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel; en

    3. een vrij deel.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:

    1. de vakken van het gemeenschappelijk deel;

    2. de vakken van de profieldelen en de vakken die in het profieldeel ter keuze van de leerling zijn, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt; en

    3. vakken en andere programmaonderdelen die het vrije deel omvat of kan omvatten, niet zijnde godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen, en voor zover het bevoegd gezag deze vakken en andere programmaonderdelen aanbiedt.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de profielen het relatieve gewicht vastgesteld van elk van de vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen vwo en havo, dat wordt uitgedrukt in een normatieve studielast per vak.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

    1. leerlingen die zijn ingeschreven voor havo in plaats van de vakken op grond van het tweede lid, overeenkomstige vakken kiezen van vwo; en

    2. leerlingen een of meer extra vakken volgen.

  5. Het bevoegd gezag kan beslissen dat alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.

Artikel 2.22

  1. Het onderwijs aan scholen voor mavo en aan scholen voor vbo heeft met ingang van het derde leerjaar een periode van vmbo. Deze periode heeft vier leerwegen:

    1. de theoretische leerweg;

    2. de basisberoepsgerichte leerweg;

    3. de kaderberoepsgerichte leerweg; en

    4. de gemengde leerweg.

  2. Onderwijs in de theoretische leerweg wordt gegeven aan scholen voor mavo.

  3. Onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg wordt gegeven aan scholen voor vbo. Het bevoegd gezag van de school voor vbo biedt beide leerwegen aan.

  4. Onderwijs in de gemengde leerweg kan alleen worden gegeven aan een school voor mavo of voor vbo binnen een scholengemeenschap waar beide schoolsoorten deel van uitmaken.

Artikel 2.23

Het bevoegd gezag richt de leerwegen in de periode van vmbo in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma.

Artikel 2.24

  1. Elk profiel in het vmbo bestaat uit:

    1. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van een leerweg gelijk is;

    2. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel; en

    3. een vrij deel, dat bestaat uit vakken en andere programmaonderdelen die de leerling kiest.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:

    1. de vakken van het gemeenschappelijk deel;

    2. de vakken van de profieldelen en de vakken die in het profieldeel ter keuze van de leerling zijn, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt; en

    3. vakken en andere programmaonderdelen die het vrije deel omvat of kan omvatten, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. het tot het profiel behorende profielvak in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg; en

    2. beroepsgerichte keuzevakken in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg en de gemengde leerweg, alsmede de procedure tot goedkeuring van deze vakken.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor het derde leerjaar in de theoretische leerweg, de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg regels worden gesteld over het minimum aantal te volgen vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, en welke vakken het betreft.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

    1. leerlingen die zijn ingeschreven voor mavo of vbo vervangende vakken kiezen van een hoger niveau dan dat van de schoolsoort of leerweg van hun inschrijving; en

    2. leerlingen een of meer extra vakken volgen.

  6. Het bevoegd gezag kan beslissen dat in het vrije deel alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.

Artikel 2.25

  1. Een profiel in de theoretische leerweg is zo ingericht dat het:

    1. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt;

    2. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel; en

    3. voorbereidt op het havo.

  2. Het bevoegd gezag van een school voor mavo biedt alle profielen in de theoretische leerweg aan. De profielen zijn:

    1. techniek;

    2. zorg en welzijn;

    3. economie;

    4. groen.

Artikel 2.26

  1. Een profiel in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg is zo ingericht dat het:

    1. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt; en

    2. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.

  2. Het bevoegd gezag van een school voor vbo biedt een of meer profielen in basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg aan. De profielen zijn:

    1. bouwen, wonen en interieur;

    2. produceren, installeren en energie;

    3. mobiliteit en transport;

    4. media, vormgeving en ICT;

    5. maritiem en techniek;

    6. zorg en welzijn;

    7. economie en ondernemen;

    8. horeca, bakkerij en recreatie;

    9. groen;

    10. dienstverlening en producten.

  3. De basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg kunnen een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.

Artikel 2.27

  1. Een profiel in de gemengde leerweg is zo ingericht dat het:

    1. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt; en

    2. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.

  2. Het bevoegd gezag van een school met een gemengde leerweg biedt een of meer profielen in de gemengde leerweg aan. De profielen zijn:

    1. bouwen, wonen en interieur;

    2. produceren, installeren en energie;

    3. mobiliteit en transport;

    4. media, vormgeving en ICT;

    5. maritiem en techniek;

    6. zorg en welzijn;

    7. economie en ondernemen;

    8. horeca, bakkerij en recreatie;

    9. groen;

    10. dienstverlening en producten.

  3. De gemengde leerweg kan een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.

Artikel 2.29

Praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie vaststaat dat:

  1. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en

  2. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, niet zal leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58.

Artikel 2.30

  1. Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of van de school waaraan de leerling is ingeschreven kan aan de ouders van een leerling van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze behoort tot de doelgroep van artikel 2.29, voorstellen dat deze leerling praktijkonderwijs volgt.

  2. Het bevoegd gezag kan bij het samenwerkingsverband een aanvraag indienen voor een leerling die:

    1. rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als bedoeld in de WPO of de WEC;

    2. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs; of

    3. voldoet aan criteria die zijn gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

  3. In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag voor een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onderdeel b of c, die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is, uitsluitend worden ingediend na dat schooljaar.

  4. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders.

  5. Het samenwerkingsverband beslist op de aanvraag of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

  6. Op de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing.

  7. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, na overleg met de ouders van de leerling, over de toelating van de leerling die toelaatbaar is verklaard tot het praktijkonderwijs.

Artikel 2.31

  1. Praktijkonderwijs omvat:

    1. aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden;

    2. voorbereiding op het uitoefenen van functies op de regionale arbeidsmarkt; en

    3. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding als bedoeld in artikel 2.31a.

  2. Praktijkonderwijs wordt zoveel mogelijk verzorgd op basis van de kerndoelen, en op de scholen voor praktijkonderwijs in de provincie Fryslân ook zoveel mogelijk op basis van de kerndoelen Friese taal en cultuur, bedoeld in artikel 2.15.

  3. Praktijkonderwijs is erop gericht dat leerlingen zoveel mogelijk de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

  4. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs richt voor dat onderwijs een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het praktijkonderwijs regels gesteld over

    de vakken die dat onderwijs ten minste omvat en het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep.

  6. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van het tweede en derde lid en van artikel 2.38, zevende lid, indien dat voor de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.39.

  7. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.31a

  1. Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar de arbeidsmarkt.

  2. Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan gedurende de inschrijving op de school en tot twee jaar na het verlaten van de school.

  3. Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de leerling, met uitzondering van de leerling met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs.

  4. Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding. Het bevoegd gezag houdt bij het vaststellen van het beleid rekening met de afspraken uit het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b, van de WEB.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vierde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding.

  6. Van de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden afgeweken indien daar gerechtvaardigde belangen voor zijn.

  7. Indien in het eerste jaar na het verlaten van de school de leerling geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod tot loopbaanbegeleiding, doet het bevoegd gezag in het tweede jaar opnieuw een aanbod tot loopbaanbegeleiding.

Artikel 2.31b

  1. Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft, betrekken bij de loopbaanbegeleiding, bedoeld in artikel 2.31a, om de leerling ondersteuning te bieden op grond van artikel 7a van de Participatiewet.

  2. Het bevoegd gezag kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft, verzoeken de ondersteuning van een leerling na het verlaten van de school voort te zetten op grond van artikel 7a van de Participatiewet, mits de betrokkene die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dan wel de ouders, daarmee instemt.

  3. Indien de ondersteuning met toepassing van het tweede lid wordt voortgezet door het college van burgemeester en wethouders, stelt het bevoegd gezag een overgangsdocument op overeenkomstig artikel 14e van de WEC en verstrekt dit document aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.32

  1. Het onderwijsprogramma van een school kan een maatschappelijke stage omvatten.

  2. Deze stage is gericht op het verwerven van vaardigheden voor het functioneren in de maatschappij. De stage bestaat uit onbezoldigde vrijwilligersactiviteiten die geen stage zijn als bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid.

  3. Het bevoegd gezag sluit een schriftelijke stage-overeenkomst met de leerling of diens ouders, en de stagebieder. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de stageovereenkomst.

  4. Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.33

  1. Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding:

    1. bestaat uit praktische bewegingsactiviteiten;

    2. wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van het voortgezet onderwijs;

    3. wordt gespreid verzorgd over de schoolweken.

  2. Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding heeft per schoolsoort een minimaal aantal klokuren:

    1. voor het vmbo: 268;

    2. voor de havo: 305;

    3. voor het vwo: 340.

  3. Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding wordt afgesloten na de maand november van het laatste leerjaar.

  4. Het bevoegd gezag kan een leerling ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding indien de leerling op grond van zijn lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van een verleende ontheffing en vermeldt daarbij de gronden waarop het berust.

Artikel 2.34

Het voortgezet onderwijs en het praktijkonderwijs worden zo ingericht dat het op structurele en herkenbare wijze aandacht besteedt aan het bestrijden van achterstanden, vooral in de beheersing van de Nederlandse taal.

Artikel 2.35

  1. Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van kerkelijke gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren die deze gemeenten of kerken daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld. Met kerkelijke gemeenten worden voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs als doel stellen.

  2. Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van genootschappen op geestelijke grondslag die Onze Minister daarvoor aanwijst, de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen van leraren die deze genootschappen daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld.

  3. Bij een geschil over het vaststellen van lessen of het beschikbaar stellen van ruimten van openbare scholen beslist Onze Minister.

  4. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het onderwijs alleen wordt gegeven door een leraar die volgens een schriftelijke verklaring daarover van de aanwijzende kerkelijke gemeente, plaatselijke kerk of het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:

    1. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 7.10, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn gesteld; en

    2. zijn bekwaamheid onderhoudt.

  5. Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.36

  1. Het bevoegd gezag kan leerlingen die op grond van artikel 8.3 zijn toegelaten tot een bijzondere school, er niet toe verplichten, de lessen te volgen in de vakken of andere programmaonderdelen die worden gegeven in verband met de levensovertuiging waarvan de school uitgaat.

  2. Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.37

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

  1. leerlingen zijn vrijgesteld van het volgen van een deel van het onderwijsprogramma; en

  2. het bevoegd gezag leerlingen ontheffing verleent van het volgen van een deel van het onderwijsprogramma.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020