Wet voortgezet onderwijs 2020 Laatste controle 29-05-2026, laatste wijziging 28-05-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Onderwijs
Paragraaf 1 Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Paragraaf 2 Inrichting van het voortgezet onderwijs
Paragraaf 3 Onderwijstijd, vakanties
Paragraaf 4 Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Paragraaf 5 Toetsen en eindexamens
Paragraaf 6 Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
Paragraaf 7 Staatsexamens
Paragraaf 8 Andere vormen van voortgezet onderwijs
Paragraaf 9 Kwaliteitszorg en communicatie
Paragraaf 10 Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 11 Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen
Paragraaf 12 Beleidsinhoudelijke informatie
Hoofdstuk 3 Bestuur
Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning
Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording
Hoofdstuk 6 Huisvesting
Hoofdstuk 7 Personeel
Hoofdstuk 8 Deelname
Hoofdstuk 9 Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden
Hoofdstuk 10 Sancties
Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland
Paragraaf 1 Algemeen
Paragraaf 2 Wijze van toepassing hoofdstuk 2
Paragraaf 3 Wijze van toepassing hoofdstuk 3
Paragraaf 4 Wijze van toepassing hoofdstuk 4
Paragraaf 5 Wijze van toepassing hoofdstuk 5
Paragraaf 6 Wijze van toepassing hoofdstuk 6
Paragraaf 7 Wijze van toepassing hoofdstuk 7
Paragraaf 8 Wijze van toepassing hoofdstuk 8
Paragraaf 8a Wijze van toepassing van hoofdstuk 9
Paragraaf 9 Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES
Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1 Invoeringsrecht WVO 2020
Paragraaf 2 Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES
Paragraaf 3 Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)
Paragraaf 4 Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)
Paragraaf 5 Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs
Paragraaf 6 Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)
Paragraaf 7 Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)
Paragraaf 8 Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)
Paragraaf 9 Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)
Paragraaf 10 Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)
Paragraaf 11 Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)
Paragraaf 13 Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)
Paragraaf 15 Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)
Paragraaf 16 Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)
Paragraaf 17 Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)
Hoofdstuk 13 Voorhang en evaluaties
Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Hoofdstuk 4

Voorzieningenplanning

Artikel 4.1

  1. Bekostiging uit ’s Rijks kas van een school of scholengemeenschap neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.

  2. Een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van voortgezet onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen, en die geen stichting is als bedoeld in artikel 3.10.

  3. Artikel 4:32 Awb is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.

Artikel 4.2

  1. Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze school zal worden bezocht door ten minste:

      1. 390 leerlingen voor een school voor vwo;

      2. 325 leerlingen voor een school voor havo en 130 leerlingen voor een afdeling voor havo;

      3. 260 leerlingen voor een school voor mavo;

      4. 260 leerlingen voor een school voor vbo met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;

      5. 160 leerlingen voor elk profiel van een school voor vbo indien meer dan 1 profiel binnen de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of

      6. 120 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs; en

    2. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in deartikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  2. Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal; en

    2. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  3. Onze Minister brengt een school of scholengemeenschap die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld:

    1. in artikel 4.5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, tweede en derde lid, en artikel 4.5a, eerste lid, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid; en

    2. bij ministeriële regeling, waarin deze verplichtingen in elk geval betrekking hebben op:

      1. het aantal leerlingen op de teldatum in het jaar voorafgaand aan de aanvraag van de te splitsen school of van een of meer van de samenstellende scholen van de te splitsen scholengemeenschap;

      2. het aantal leerlingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze na de splitsing de scholen of de samenstellende scholen van de scholengemeenschap zal bezoeken; en

      3. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, aannemelijk wordt gemaakt dat op 1 januari van het elfde jaar na indiening van de aanvraag de scholen die na splitsing ontstaan, worden bezocht door ten minste het voor de desbetreffende schoolsoort in het eerste lid bedoelde aantal leerlingen.

  4. Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 4.7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2a

  1. Onze Minister brengt een nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:

    1. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de nevenvestiging ten minste zal worden bezocht door:

      1. 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor vwo;

      2. 195 leerlingen voor een nevenvestiging voor havo;

      3. 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor mavo;

      4. 130 leerlingen voor een nevenvestiging voor vbo; of

      5. 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;

    2. het onderwijs op de school waaraan de nevenvestiging wordt verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 WOT als onvoldoende is beoordeeld; en

    3. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  2. Onze Minister brengt een nevenvestiging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:

    1. het bevoegd gezag met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid, onder a, genoemde aantal;

    2. het onderwijs op de scholengemeenschap waaraan de nevenvestiging is verbonden niet zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid, of door de inspectie ingevolge artikel 11 WOT als onvoldoende is beoordeeld; en

    3. het bevoegd gezag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  3. Van het aantal leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging, en van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap is ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage afkomstig uit dezelfde postcodegebieden.

Artikel 4.3

  1. Onze Minister brengt een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat dit profiel zal worden bezocht door ten minste:

      1. 160 leerlingen indien de school geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap; of

      2. 120 leerlingen indien de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap; en

    2. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  2. Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

    1. met de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat deze nieuwe school zal worden bezocht door ten minste drie kwart van het daarvoor in artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal leerlingen; en

    2. voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid.

  3. De artikelen 4.6 en 4.7 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4

  1. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Zij kunnen een college van burgemeester en wethouders opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente deze wens niet heeft ingewilligd.

  2. Onze Minister kan het college van burgemeester en wethouders opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en de ouders van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.

  3. Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaat het college van burgemeester en wethouders over tot stichting van de bij het besluit voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap.

Artikel 4.5

  1. Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:

    1. een school;

    2. een scholengemeenschap;

    3. een nevenvestiging van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a;

    4. een school of scholengemeenschap die zal ontstaan na splitsing van een school of scholengemeenschap; of

    5. een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo.

  2. Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

  3. De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.5a, tweede lid, onderdeel b.

  4. Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:

    1. met inachtneming van artikel 4.2, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de school, scholengemeenschap of school of scholengemeenschap na splitsing met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;

    2. met inachtneming van artikel 4.2a, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de nevenvestiging met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;

    3. met inachtneming van artikel 4.3, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of het nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of

    4. met inachtneming van artikel 4.2, vierde lid, op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid of tweede lid, of de openbare school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.

  5. Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 4.2 of 4.2a afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.

  6. Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 2.95, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 2.95, eerste lid.

  7. Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.

  8. Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van de besluiten, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid mededeling gedaan in de Staatscourant.

  9. Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer, van een van de ouders en de leerling waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

  10. Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

  11. Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kunnen voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 4.5a

  1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, vermeldt:

    1. de schoolsoort of schoolsoorten;

    2. of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft; en

    3. de beoogde plaats van vestiging van de school, scholen, scholengemeenschap, scholengemeenschappen of nevenvestiging.

  2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    1. een belangstellingsmeting;

    2. een beschrijving van het voorgenomen beleid over de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:

      1. de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid;

      2. het totaal aantal uren en het soort activiteiten dat als onderwijstijd als bedoeld in artikel 2.38 zal worden geprogrammeerd;

      3. de inhoud van een in onderwijstijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma, geldend voor de schoolsoort en leerweg, bedoeld in de artikelen 2.12 tot en met 2.17, 2.19 tot en met 2.27 en 2.37, en de referentieniveaus, bedoeld in artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, voor zover deze schoolsoort of leerweg van toepassing is op de aanvraag;

      4. de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.2;

      5. leerlingen die extra ondersteuning behoeven, bedoeld in artikel 2.41;

      6. de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 3.1 en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7.5, een beschrijving van de over te dragen taken;

    3. een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging, het samenwerkingsverband en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en vestigingen binnen het voedingsgebied van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en

    4. een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen en die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.

  3. De aanvraag bevat tevens:

    1. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;

    2. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of het profiel;

    3. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van de leraren, onderwijsondersteunende functionarissen, de rector, directeur, conrector of adjunct-directeur;

    4. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op de school, scholengemeenschap of nevenvestiging;

    5. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren die gebaseerd is op de bekostiging die de school, scholengemeenschap of nevenvestiging zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;

    6. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting;

    7. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen;

    8. informatie over de wijze waarop het bevoegd gezag uitvoering zal geven aan de afspraken, bedoeld in artikel 3.42; en

    9. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de WMS.

  4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en wordt een model voor de aanvraag vastgesteld.

  5. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, bevat een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs een document waaruit blijkt dat deze aanvraag in overeenstemming is met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en wordt deze ingediend na overleg met de gemeente van de beoogde plaats van vestiging.

Artikel 4.6

  1. De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij ouderverklaringen dan wel, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.

  2. De belangstellingsmeting:

    1. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid; en

    2. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat een gebied omvat dat bestaat uit viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen een straal van vijftien kilometer van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging.

  3. Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

    1. voor de ouderverklaring geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor;

    2. voor het marktonderzoek geldt: y = aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar ten aanzien van wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school, scholengemeenschap of nevenvestiging in de aanvraag; x = totaal aantal leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen; w = het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 jaar en in de leeftijd van 13 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal verblijfsjaren, die de landelijke verhouding tussen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen in leerjaar 1 weergeeft van de schoolsoort, schoolsoorten of nevenvestiging waarop de aanvraag betrekking heeft; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.

    De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomsten van de formules, bedoeld onder a, of b, hebben geleid.

  4. De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

  5. Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

    1. heeft betrekking op leerlingen in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar;

    2. wordt afgenomen onder de ouders van leerlingen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;

    3. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de leerlingen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die leerlingen; en

    4. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.

  6. Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de betrokken postcodegebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in de overlappende voedingsgebieden, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

    1. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en

    2. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 4.7

  1. De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

  2. De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 4.2, 4.2a en 4.3 vervalt, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

  3. In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven. De aanspraak op bekostiging vervalt in dat geval, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het in het tweede lid bedoelde besluit geen onderwijs wordt gegeven.

Artikel 4.8

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

  1. dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs; en

  2. de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het betrokken samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.

Artikel 4.9

  1. Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school.

  2. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school.

  3. Onze Minister brengt een bijzondere school waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een andere richting voor bekostiging in aanmerking.

  4. Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.

  5. Dit artikel is mede van toepassing op een scholengemeenschap.

Artikel 4.10

  1. Met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, kan Onze Minister een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien:

    1. voor alle bij de samenvoeging betrokken scholen of scholengemeenschappen ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden als de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap; of

    2. voor ten minste een van de bij de samenvoeging betrokken scholen of scholengemeenschappen sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4.25, vierde lid.

  2. Indien niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan Onze Minister met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien de bij de samenvoeging betrokken vestigingen van de scholen of scholengemeenschappen zijn gelegen in dezelfde gemeente dan wel in aangrenzende gemeenten.

  3. Na een samenvoeging kan op een vestiging in elk geval onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging werd verzorgd.

  4. Samenvoeging vindt plaats met ingang van 1 augustus.

Artikel 4.12

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging zijn verbonden:

  1. een of meer nevenvestigingen; of

  2. een of meer tijdelijke nevenvestigingen.

Artikel 4.13

  1. De eerste vestiging van een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.2 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, wordt aangeduid als hoofdvestiging.

  2. Naast het onderwijsaanbod dat mag worden verzorgd door het voor bekostiging in aanmerking brengen van een scholengemeenschap, kan op een hoofdvestiging van een scholengemeenschap in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in artikel 4.14, tweede tot en met vierde lid, genoemde leerjaren van de schoolsoorten die de scholengemeenschap omvat.

Artikel 4.14

  1. Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2a.

  2. Op een nevenvestiging van een school voor vwo of havo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 3 leerjaren van die schoolsoort.

  3. Op een nevenvestiging van een school voor mavo of vbo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 2 leerjaren van die schoolsoort.

  4. Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoort die ingevolge artikel 4.2a, eerste of tweede lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

Artikel 4.15

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor mavo of vbo indien:

  1. op de desbetreffende vestiging onderwijs in de eerste drie respectievelijk twee leerjaren van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd; en

  2. de desbetreffende vestiging ligt binnen een hemelsbreed gemeten afstand van 3 kilometer van een andere vestiging van de school waar onderwijs vanaf het vierde respectievelijk derde leerjaar van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd.

Artikel 4.16

  1. Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging.

  2. Onze Minister brengt een tijdelijke nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat het college van burgemeester en wethouders de benodigde huisvesting ter beschikking zal stellen. De verplichting in de eerste volzin is niet van toepassing op verticale scholengemeenschappen en scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 6.21.

  3. Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging.

Artikel 4.17

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres:

  1. een vestiging verplaatst; of

  2. een deel van het onderwijsaanbod op een vestiging verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school of scholengemeenschap.

Artikel 4.18

  1. Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste een ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio.

  2. Een regio omvat een aaneengesloten grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:

    1. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen per gemeente ten minste 60 procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen; en

    2. ten minste 65 procent van de bevoegde gezagsorganen met een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen binnen die gemeente, bij de samenwerking betrokken is.

Artikel 4.19

  1. De samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast, dat een gezamenlijk gedragen visie bevat op het onderwijs in de regio.

  2. Het plan omvat in elk geval:

    1. de omvang en begrenzing van de regio;

    2. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen;

    3. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen die de bevoegde gezagsorganen binnen de looptijd van het plan voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging;

    4. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt; en

    5. de opvattingen van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in het vierde en vijfde lid, over het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.

  3. Een regionaal plan onderwijsvoorzieningen geldt voor een periode van vijf jaar, die begint op 1 augustus van enig kalenderjaar.

  4. Voordat een regionaal plan onderwijsvoorzieningen wordt vastgesteld, overleggen de samenwerkende bevoegde gezagsorganen over een concept van het plan met:

    1. de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio;

    2. de desbetreffende provincie of provincies; en

    3. voor zover het gaat om het vbo, met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de instellingen voor beroepsonderwijs in de regio.

  5. Voordat de samenwerkende bevoegde gezagsorganen een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vaststellen, wordt over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg gevoerd met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders. Daartoe wordt een procedure vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en de colleges van burgemeester en wethouders. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

Artikel 4.20

  1. Onverminderd artikel 4.21, brengt Onze Minister voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen en indien nodig ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden. Een bevoegd gezag kan voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:

    1. een vestiging die wordt verplaatst of een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging dat wordt verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school, beide over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats;

    2. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap;

    3. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofd- of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo indien niet binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer een andere vestiging van de school is gelegen waaraan dit onderwijs wordt verzorgd;

    4. onderwijs in de gemengde leerweg op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo, indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld; of

    5. op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor vbo: een profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, onderdelen a, b, c, f, g, h en j, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.

  2. Onze Minister kan een onderwijsvoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen, voor bekostiging in aanmerking brengen indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de regionale samenwerking instemmen met de aanvraag en ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden.

  3. Onze Minister beslist voor 1 mei volgend op de aanvraag of de onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.

  4. Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van een besluit tot bekostiging van een onderwijsvoorziening mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4.21

Onze Minister wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.20 af indien een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking aantoont dat de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan 10 procent leerlingverlies op een vestiging van een school of scholengemeenschap van dat bevoegd gezag.

Artikel 4.22

  1. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 6.4 een aanvraag indient, stelt het college van burgemeester en wethouders uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking te brengen, huisvesting ter beschikking. Het college van burgemeester en wethouders maakt het besluit daartoe uiterlijk een jaar voor het beschikbaar stellen van de huisvesting bekend.

  2. Na een besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20 voor bekostiging in aanmerking te brengen vangt de bekostiging van de betrokken onderwijsvoorziening aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.

Artikel 4.23

Op de voorbereiding van de besluiten bedoeld in artikel 4.20, eerste en tweede lid, is afdeling 3.4 Awb van toepassing, met uitzondering van artikel 3:18.

Artikel 4.24

  1. Een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd indien de school in elk van drie achtereenvolgende schooljaren op 1 oktober is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan:

    1. voor een school voor praktijkonderwijs: 70 leerlingen;

    2. voor een school voor vbo met een of twee profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid: 195 leerlingen;

    3. voor een school voor vbo met drie of vier profielen: 240 leerlingen;

    4. voor een school voor vbo met vijf of meer profielen: 360 leerlingen; en

    5. voor de overige scholen: 3/4 van het aantal leerlingen dat voor de betrokken schoolsoort is genoemd in artikel 4.2, eerste lid.

  2. Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap in elk van drie achtereenvolgende schooljaren is bezocht door een kleiner aantal leerlingen dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 4.2, eerste lid, is vereist voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het voor scholen voor vbo binnen een scholengemeenschap gaat om:

    1. 130 leerlingen voor een school met een of twee profielen;

    2. 160 leerlingen voor een school met drie of vier profielen;

    3. 240 leerlingen voor een school met vijf of zes profielen; en

    4. 360 leerlingen voor een school met zeven of meer profielen.

  3. Een openbare school binnen een scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school binnen een scholengemeenschap wordt beëindigd indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren:

    1. door 0 leerlingen is bezocht indien het gaat om een school voor praktijkonderwijs; of

    2. door 0 leerlingen is bezocht voor zover het gaat om de hoogste twee leerjaren, indien het gaat om een school voor vwo, havo, mavo of vbo.

  4. Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

  5. Indien een profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, of artikel 2.27, tweede lid, aan een school voor vbo gedurende drie achtereenvolgende schooljaren door 0 leerlingen gevolgd is, wordt dat profiel aan een openbare school opgeheven, of eindigt de aanspraak op bekostiging voor dat profiel aan een bijzondere school met ingang van 1 augustus volgend op die drie achtereenvolgende schooljaren.

Artikel 4.25

  1. Ontbreekt voor de leerlingen binnen redelijke afstand plaatsruimte op een gelijksoortige school, dan past Onze Minister artikel 4.24 zo toe dat de leerlingen van elk leerjaar het onderwijs kunnen voltooien.

  2. Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de school nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen is ingeschreven:

    1. 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;

    2. 195 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;

    3. 195 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;

    4. 195 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;

    5. 120 leerlingen voor elk profiel voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of

    6. 72 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.

  3. Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de langste cursusduur van een van de samenstellende scholen. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school die deel uitmaakt van de scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze scholengemeenschap in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen op de desbetreffende school is ingeschreven:

    1. 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;

    2. 146 leerlingen voor een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs;

    3. 146 leerlingen voor een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;

    4. 146 leerlingen voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid;

    5. 90 leerlingen voor elk profiel voor een scholengemeenschap met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met meer dan 1 profiel; of

    6. 54 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.

  4. In bijzondere gevallen kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder dan in artikel 4.24 is vermeld of op grond van artikel 11.53, tweede of vierde lid, is vastgesteld, dan wel als sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of derde lid, tweede volzin. De toestemming geldt voor een door Onze Minister te bepalen tijd. Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

  5. Binnen acht weken nadat de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs zijn bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek of door Onze Minister, stellen gedeputeerde staten vast welke scholen uit hun provincie die door de gemeente in stand worden gehouden al een jaar lang niet meer voldoen aan de norm van artikel 4.24 die voor hen geldt. Wanneer gedeputeerde staten van oordeel zijn dat er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een voldoende aantal scholen, geven gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht om een aanvraag te doen op grond van het vierde lid.

Artikel 4.26

  1. Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het gaat om een profiel als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel e, al dan niet met gebruikmaking van artikel 4.20, tweede lid. De bekostiging blijft in dat geval nog 1 jaar gehandhaafd voor het onderwijs in het derde leerjaar en nog 2 jaar voor het onderwijs in het vierde leerjaar.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het betrokken profiel voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 of op grond van artikel 4.3, eerste lid.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op een profiel dat met ingang van 1 augustus 2016 voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van artikel 118bb in samenhang met artikel 118cc, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die wet op die datum luidde.

Artikel 4.27

De artikelen 4.24 en 4.25 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor havo, van overeenkomstige toepassing op afdelingen als bedoeld in artikel 2.5.

Artikel 4.28

  1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, voor zover het niet gaat om vbo, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.

  2. Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.

  3. Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels over de verdeling gesteld.

  4. Indien een cursus voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 2.110 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.29

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

  1. aanvraagprocedures voor onderwijsvoorzieningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar aanvragen binnen en buiten regionale samenwerking als bedoeld in paragraaf 3;

  2. meldingen bij omzetting als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, of uitbreiding met een richting als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, opening van een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16, of verplaatsing van een vestiging of van een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan drie kilometer van het huidige vestigingsadres als bedoeld in artikel 4.17; en

  3. de berekening van leerlingverlies als bedoeld in artikel 4.21.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020