Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Paragraaf Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Betoging
Paragraaf Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Paragraaf Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg
Paragraaf Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Paragraaf Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Paragraaf Afdeling 7 Evenementen
Paragraaf Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 10 Voor publiek openstaande gebouwen
Paragraaf Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Paragraaf Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 13 Vuurwerk
Paragraaf Afdeling 14 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 15 Wijkverboden, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Artikel 5.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

  2. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  3. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994;

Artikel 5.2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. tien of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt het hart van het bedrijfsgebouw of zijn woning;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.2a

Het aanbieden van deelmobiliteit

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college (bedrijfsmatig) voertuigen ten behoeve van gebruik door derden op de weg of in de openbare ruimte te plaatsen en aan te bieden.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.

  3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanbieden en faciliteren van deelmobiliteit, in ieder geval ten aanzien van:

    1. de indieningsvereisten bij de aanvraag;

    2. de tijdsduur van de te verlenen vergunning;

    3. het aantal voertuigen per vergunning;

    4. kwaliteitseisen ten aanzien van de dienstverlening en aanverwante effecten, of;

    5. aan te wijzen gebieden die zijn uitgesloten van de mogelijkheid tot vergunningverlening zoals bedoeld in het eerste lid.

  4. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  5. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, en;

    2. een exploitatieplan met verantwoording over bijdrage aan de beleidsdoelstellingen van de gemeente Vlaardingen, in het bijzonder op het gebied van mobiliteit.

  6. Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan het college van de aanvrager verlangen dat hij aanvullende gegevens overlegt. Tot deze gegevens zijn overgelegd, is de aanvraag onvolledig ingediend.

  7. De vergunning kan slechts worden verleend voor bepaalde tijd.

  8. Het college kan, onverminderd hetgeen in de nadere regels wordt bepaald, een vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen indien niet wordt voldaan aan de nadere regels, in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of indien het ten gebruik aanbieden van de voertuigen:

    1. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen of de verkeersveiligheid;

    2. schade aan de weg toebrengt;

    3. afbreuk doet aan de directe leefomgeving;

    4. een nadelige invloed heeft op het milieu;

    5. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

    6. ernstige afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 5.3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

  1. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden of,

  2. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    2. op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze, dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd;

    3. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening of de provinciale landschapsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.7

Reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.8

Grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.9

Uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.10a

Parkeren anders dan op de rijbaan

  1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5.11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod..

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.12

Overlast van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen:

  1. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; of

  2. langer dan vier weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan.

Artikel 5.13

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    1. in besloten kring;

    2. door een organisatie die is opgenomen op het landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving.

    3. door een andere, door het college aangewezen instelling.

  4. De aanvraag voor een vergunning kan uitsluitend worden gedaan door een organisatie die erkend is door het Centraal Bureau Fondsenwerving of een ANBI-status heeft.

  5. De aanvraag moet uiterlijk twee weken voor de inzameling of werving worden gedaan.

  6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.1 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.14

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.17.

Artikel 5.15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten:

    1. bij scholen, ziekenhuizen en andere verzorgende instellingen en op de weekmarkt dan wel op andere door het college aangewezen openbare plaatsen;

    2. op maandag tot en met zaterdag vóór 09.00 uur en na 21.00 uur en op zondag vóór 12.00 uur en na 18.00 uur.

  2. Het verbod is niet van toepassing op;

    1. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;

    2. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5.17

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.26.

Artikel 5.18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van één jaar.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5.20

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5.18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5.18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5.21

Snuffelmarkten en dergelijke

Vervallen (verplaatst naar artikel 2.26, lid 2, onder e).

Artikel 5.22

Beschadigen van waterstaatwerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5.22a

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, het bepaalde bij of krachtens de Waterschapswet, de provinciale vaarwegenverordening, de Binnenhavenverordening Vlaardingen 2010 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5.22b

Verbod op magneetvissen

  1. Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen of te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op politie, Defensie en Waterschappen.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.23

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.24

Zwemverbod

  1. Het is verboden in openbare wateren c.q, waterpartijen te baden of te zwemmen binnen 25 meter van bruggen, sluizen of andere dergelijke constructies.

  2. Het college kan (gedeelten van) openbare wateren aanwijzen waar het verboden is te zwemmen of te baden.

Artikel 5.25

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5.26

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5.26a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • weg: hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

Artikel 5.27

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5.28

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d.bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.29

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, op eigen terrein met een maximale afmeting van 0,50 x 1,00 x 0,50 m (lxhxb), voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan perioden, tijden of gebieden aanwijzen wanneer of waar het gestelde in het tweede lid, onder c verboden is.

  4. Het college kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en de fauna.

  6. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º of 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.30

Reclameborden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen op of boven de weg/het weggedeelte en het bevestigen ervan aan of rond objecten, met het doel om handelsreclame te maken.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden verleend aan degene aan wie de gemeente de concessie van diensten voor de exploitatie van de reclameborden heeft verleend.

  3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien al een vergunning ingevolge het eerste lid is verstrekt.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  5. Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent de weigeringsgronden, bedoeld in het vierde lid. Voor zover beleidsregels worden vastgesteld betreffen deze in ieder geval het maximaal aantal locaties, de plaats van deze locaties en de wijze van plaatsing of bevestiging van de voorwerpen.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4 kan het college aan de vergunning voorschriften verbinden in ieder geval met betrekking tot de in de beleidsregels genoemde onderwerpen.

  7. De vergunning bedoeld in het eerste lid heeft dezelfde geldigheidsduur als de concessie.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de vergunning intrekken indien de overeenkomst tot concessieverlening is beëindigd.

  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019