1. Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op een plaats, zichtbaar vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats, iemand door woord, houding, gebaar of op enigerlei andere wijze tot ontuchtige handelingen uit te nodigen, dan wel aan te lokken.

  2. Een ieder die van een opsporingsambtenaar in het belang van de naleving van het eerste lid, het bevel krijgt zich van de daar bedoelde plaats te verwijderen is verplicht dit bevel onmiddellijk op te volgen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.