1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.42 kan de burgemeester een openbare inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren:

    1. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat één van de in artikel 2.39, vierde lid, genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.