Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2.54c, lid 1 intrekken of wijzigen indien:

  1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

  2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

  3. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of

  4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

  5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

  7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

  8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

  9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

  10. de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.