Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Paragraaf Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Betoging
Paragraaf Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Paragraaf Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg
Paragraaf Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Paragraaf Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Paragraaf Afdeling 7 Evenementen
Paragraaf Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 10 Voor publiek openstaande gebouwen
Paragraaf Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Paragraaf Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 13 Vuurwerk
Paragraaf Afdeling 14 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 15 Wijkverboden, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2.33

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt;

    3. exploitant: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.34 en 2.34a;

    4. leidinggevende(n): de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een openbare inrichting;

  2. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    1. de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in de openbare inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2.34

(Tijdelijke) Exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.39, tweede lid zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.39, tweede lid zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van de openbare inrichting schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum wordt beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.34a

Voorlopige exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Zodra een aanvraag exploitatievergunning is ingediend voor de overname van een bestaande openbare inrichting die binnen dezelfde of lichtere exploitatiecategorie zal worden geëxploiteerd, kan een voorlopige exploitatievergunning worden aangevraagd.

  2. Een voorlopige exploitatievergunning kan, in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.39, eerste, tweede en derde lid, worden geweigerd, indien:

    1. overlastklachten over de bestaande exploitatie van de inrichting zijn ontvangen bij de gemeente of de politie;

    2. jegens de aanvrager van de voorlopige exploitatievergunning of de inrichting zelf een bestuurlijke maatregel van kracht is dan wel een voornemen tot het nemen van een bestuurlijke maatregel bestaat;

    3. over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures lopen.

    4. de inrichting langer dan 6 maanden niet is geëxploiteerd.

  3. Een voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend voor de exploitatie van een coffeeshop of speelautomatenhal.

  4. De burgemeester stelt nadere regels vast over de stukken die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

Artikel 2.35

Vrijstelling vergunningplicht

  1. Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een openbare inrichting, die zich bevindt in een:

    1. schoolkantine;

    2. bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is;

    3. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Hiervan is in ieder geval sprake als wordt voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven).

    4. crematorium of rouwcentrum;

    5. museum, bejaardentehuis, ziekenhuis of verpleeghuis, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bezoekers, bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale inrichting;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt.

    6. buurt- of clubhuis waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals bij verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten;

      • er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;

      • er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;

      • de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven;

      • er vindt geen zalenverhuur plaats;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig.

    7. een gebouw in gebruik door een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in afdeling 8a van deze verordening

  2. Voor de in het eerste lid genoemde openbare inrichtingen kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie.

Artikel 2.36

Eisen exploitant en leidinggevende

  1. De exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen, met dien verstande dat de exploitant en de leidinggevende de minimale leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

  2. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.

Artikel 2.37

Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.

  2. De exploitant of leidinggevende is verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. De burgemeester kan openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

  4. Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen als genoemd in artikel 4 van de Alcoholwet.

Artikel 2.38

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.

  2. In afwijking van het eerste lid, beslist de burgemeester binnen vijf werkdagen na de datum waarop hij de aanvraag voor een voorlopige exploitatievergunning heeft ontvangen.

  3. De beslissing als in het eerste lid kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd.

  4. De beslissing op een aanvraag voor een voorlopige exploitatievergunning kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste vijf werkdagen worden verdaagd.

  5. Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.34 en 2.34a is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.39

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 en 2.34a indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 en 2.34a slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen, alsmede diens antecedenten.

  4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

    1. indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

    2. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    3. indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    4. indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    5. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid of op welke grond dan ook;

    6. indien zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    7. indien de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    8. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    9. indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen;

    10. indien blijkt dat er sprake is van een wijziging van de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.11 beslist de burgemeester in geval van een melding die betrekking heeft op een terras behorend bij een openbare inrichting voor zover dit zich op de weg bevindt, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen verbieden:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2.41

Sluitingstijden

  1. Het is de exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49a, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. De burgemeester kan ten hoogste zeven openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a aanwijzen, waarvan de eigenaar of exploitant verplicht is te zorgen dat de openbare inrichting in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is gesloten en door bezoekers is verlaten op zondag tot en met donderdag tussen 04.00 en 19.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 05.00 en 20.00 uur. De burgemeester is bevoegd van het maximum aantal openbare inrichtingen af te wijken, indien naar zijn oordeel sprake is van een zodanig bijzonder concept van bedrijfsvoering van de openbare inrichting, dat het de in dit lid genoemde sluitingstijden rechtvaardigt.

  3. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.35, eerste lid onder c, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  4. De burgemeester kan voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a of voor een daartoe behorend terras, die gevestigd zijn in door hem aangewezen gebieden, andere sluitingstijden vaststellen.

  5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a.

  6. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan om in afwijking van de in het eerste, vierde en vijfde lid genoemde sluitingstijden, maximaal tien keer per jaar zijn inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur op maandag tot en met zondag, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  7. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan om in afwijking van de in het tweede, vierde en vijfde lid genoemde sluitingstijden, maximaal 10 keer per jaar zijn inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur op zondag tot en met donderdag, en tot 06.00 uur op vrijdag en zaterdag, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  8. Een melding als bedoeld in het zesde en zevende lid kan alleen worden gedaan in combinatie met een kennisgeving incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4.3 van deze verordening. Nadat de melding/kennisgeving is gedaan, is het de exploitant toegestaan om:

    • af te wijken van de sluitingstijden; of

    • een incidentele festiviteit te houden; of

    • op dezelfde dag af te wijken van de sluitingstijden en een incidentele festiviteit te houden.

  9. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan op maximaal twaalf door de burgemeester aan te wijzen dagen, zijn openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur.

  10. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  11. Het eerste, tweede, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2.42

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.41 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.43

Gesloten verklaren van een openbare inrichting

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.42 kan de burgemeester een openbare inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren:

    1. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat één van de in artikel 2.39, vierde lid, genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2.44

Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting

  1. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat deze inrichting krachtens artikel 2.41 of ingevolge een op grond van artikel 2.42 of 2.43 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

  2. Het is de exploitant of de leidinggevende van de openbare inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 2.45

Glazen drinkgerei

  1. De exploitant en leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.33 alsmede de leidinggevende van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de besloten ruimte en het terras van de inrichting brengen.

  2. Het is de exploitant en leidinggevende van een inrichting als bedoeld in het eerste lid die door de burgemeester is aangewezen of die is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen weg, verboden drank in glas te verstrekken binnen de besloten ruimte en op het terras van de inrichting gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.

  4. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.45a

Verbod verkoop bier in blik voor openbare inrichtingen

Het is verboden in door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen, tijdens een evenement als bedoeld in artikel 2.26, in de door de burgemeester aangewezen periode, bedrijfsmatig of anders dan om niet bier in blik te verstrekken.

Artikel 2.45b

Lachgasverbod openbare inrichting

Het is verboden, om als exploitant, leidinggevende en bezoeker, in en om een openbare inrichting lachgas voor recreatief gebruik te verkopen, aanwezig te hebben en/of te gebruiken.

Artikel 2.46

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2.47

Ordeverstoring

  1. Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

  2. Degene die naar het oordeel van een ambtenaar van politie of de exploitant van de openbare inrichting handelt in strijd met het eerste lid is verplicht die openbare inrichting op bevel van die ambtenaar c.q. op aanzegging van die exploitant terstond te verlaten.

Artikel 2.48

Geldigheidsduur vergunning

  1. Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, heeft in beginsel een geldigheidsduur van onbepaalde tijd.

  2. Een voorlopige exploitatievergunning vervalt op de dag van beslissing op de aanvraag exploitatievergunning.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor een openbare inrichting of voor een bepaalde categorie van openbare inrichtingen een geldigheidsduur voor bepaalde tijd vaststellen.

  4. De burgemeester kan ten hoogste eens in de vijf jaar degene aan wie een exploitatievergunning is verleend, verzoeken de juistheid van de bij de burgemeester bekende gegevens omtrent degene aan wie of omtrent de activiteit waarvoor een exploitatievergunning is verleend, binnen een door de burgemeester te stellen termijn te controleren.

  5. Degene aan wie het verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 2.48a

Beëindiging exploitatie

De exploitatievergunning vervalt

  1. zodra de exploitant of exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft of hebben beëindigd;

  2. indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd.

Artikel 2.49

Proeverijen in slijterijen

Met inachtneming van artikel 3, eerste lid van de Winkeltijdenwet is het toegestaan proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld te houden. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan een proeverij moet voldoen.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019