Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene Bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Paragraaf Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Betoging
Paragraaf Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Paragraaf Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg
Paragraaf Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Paragraaf Afdeling 6 Veiligheid op de weg
Paragraaf Afdeling 7 Evenementen
Paragraaf Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 10 Voor publiek openstaande gebouwen
Paragraaf Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Paragraaf Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 13 Vuurwerk
Paragraaf Afdeling 14 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 15 Wijkverboden, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1.1

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet

  2. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  3. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bouwverordening Vlaardingen;

  4. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet;

  5. college: het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen;

  6. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

  7. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  8. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  9. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

  10. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  11. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  12. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  13. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  14. weg:

    1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

    2. de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

    3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

    4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;

Artikel 1.2

Beslistermijn

  1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing gemotiveerd en met redenen omkleed voor ten hoogste acht weken verdagen.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn vastgesteld.

  4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.13, derde lid, aanhef en onder a of artikel 2.14.

Artikel 1.4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5

Karakter van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  2. De exploitatievergunning voor openbare inrichtingen waarvoor de sluitingstijden gelden als genoemd in artikel 2.41, tweede lid, heeft tevens een zaaksgebonden karakter.

Artikel 1.6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

  5. de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of

  6. de houder dit verzoekt.

Artikel 1.7

Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.8

Weigeringsgronden

  1. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu.

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 2.1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op de weg

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing

  3. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  4. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.2

Aanwijzing overlastgebied

  1. De burgemeester is bevoegd om een gebied aan te wijzen waar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde.

  2. Het is verboden zich in een aangewezen gebied op te houden in een groep van meer dan vier personen indien dit leidt tot een verstoring van de openbare orde.

  3. De burgemeester trekt de aanwijzing in zodra naar zijn oordeel sprake is van een voldoende herstel van de openbare orde in het aangewezen gebied.

Artikel 2.4

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2.5

Afwijking termijn

Vervallen (opgenomen in artikel 2.4).

Artikel 2.6

Te verstrekken gegevens

Vervallen (opgenomen in artikel 2.4).

Artikel 2.7

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (folderen en flyeren)

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

  2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.10

Straatartiest en straatmuzikant

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest of straatmuzikant op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.10a

Draaiorgel

  1. Het is verboden zonder of in strijd met een vergunning van de burgemeester muziek te maken met een draaiorgel.

  2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, is geldig tot en met 31 december van het kalenderjaar waarvoor de vergunning is verleend.

  3. De burgemeester kan weggedeelten aanwijzen waar het verboden is muziek te maken met een draaiorgel ter voorkoming of beperking van overlast voor weggebruikers en gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.11

Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan

  1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. De melding geschiedt op een door het college vastgesteld formulier.

  3. De melding wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld.

  4. Het college kan het gebruik verbieden, indien:

    1. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. het gebruik afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

    3. dit in het belang is van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  5. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen over het bepaalde in het vierde lid.

  6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    1. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    2. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:

      • elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en

      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    4. voertuigen;

    5. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    6. evenementen als bedoeld in afdeling 7 van dit hoofdstuk;

    7. terrassen als bedoeld in artikel 2.39, vijfde lid;

    8. banieren die worden gebruikt voor aankondiging van evenementen en stadspromotie of door culturele semipublieke instanties die door het college worden gesubsidieerd, mits ze worden geplaatst op de door het college daartoe aangewezen plaatsen en voldoen aan de door het college ter zake te stellen beleidsregels;

    9. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.18;

    10. betonnen bergingen met een maximale afmeting van 2,00 x 1,40 x 1,60 m (lxhxb) voor de plaatsing van (rol)containers bestemd voor de openbare inzameling van huishoudelijk afval;

    11. voorwerpen als bedoeld in artikel 5.30.

  7. Voor de toepassing van het zesde lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

  9. De verbodsgrond van het vierde lid, onder a is niet van toepassing indien in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  10. De verbodsgrond van het vierde lid, onder b geldt niet voor bouwwerken.

  11. De verbodsgrond van het vierde lid, onder c is niet van toepassing indien in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.12

Winkeluitstallingen

Vervallen (valt onder artikel 2.11).

Artikel 2.13

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  3. De vergunning wordt verleend:

    1. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; of

    2. door het college in de overige gevallen.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Vlaardingen 2017.

  6. Op de vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.14

Maken, hebben of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  3. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente

    5. of indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.16

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op de weg achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

  3. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzend aan het bedrijf of winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.17

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor hen op andere wijze hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.18

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.20

Rookverbod in bossen en op natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide, veengronden of natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.21

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsen bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  2. Het verbod is niet van toepassing op prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste rand van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.23

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2.25a

(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

Het is verboden in een door het college aangewezen gebied op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Artikel 2.26

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2.10 van deze verordening;

    7. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder g.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    5. een snuffelmarkt;

    6. een straatfeest of buurtbarbecue.

    7. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  3. Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:

    1. 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;

    2. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    3. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    4. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  4. In deze afdeling wordt onder 0-evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:

    1. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;

    2. de activiteiten plaatsvinden op maandag tot en met zaterdag tussen 09:00 en 23:00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13:00 en 23:00 uur;

    3. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 22.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;

    4. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

    5. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object. Onder kleine objecten worden geen springkussens begrepen.

    6. er geen extra politiecapaciteit nodig is;

  5. Het is verboden zonder melding aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  6. De melding van een 0-evenement wordt ten minste vijf werkdagen voordat het evenement plaatsvindt, ingediend.

  7. Het evenement mag worden gehouden als de burgemeester de melding schriftelijk heeft bevestigd.

Artikel 2.27

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  2. De vergunning geldt voor één evenement.

  3. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of C evenement indien de organisator:

    1. onder curatele staat,

    2. in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of

    3. de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    1. een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement een dusdanig effect op het gemeenschapsleven heeft, dat het niet wenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet;

    2. de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd;

    3. ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt;

    4. er een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting van de hulpverleningscapaciteit wordt gedaan;

    5. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke maatregel is genomen;

    6. de bescherming van een jaar- of weekmarkt nodig is;

    7. het B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld;

    8. een volledige aanvraag voor een A-evenement niet ten minste vier weken voor het evenement plaatsvindt, is ontvangen;

    9. een volledige aanvraag voor een B- of C-evenement niet ten minste acht weken voor het evenement plaatsvindt, is ontvangen;

    10. de inhoud, frequentie of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de stad Vlaardingen.

  5. De burgemeester kan ter regulering van het evenement voorschriften aan de vergunning verbinden.

  6. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, worden door de organisator onverwijld aan de burgemeester gemeld.

  7. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de WVW 1994.

  8. In afwijking van artikel 1.2, eerste lid, beslist de burgemeester:

    1. indien er sprake is van een A-evenement, binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 2.27 is ontvangen.

    2. indien er sprake is van een B- of C- evenement, binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 2.27 is ontvangen.

  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.32c

Openbare orde en veiligheid

  1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    1. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    2. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    3. een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    4. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie, of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  3. Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement:

    1. verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    2. verboden al dan niet op het evenemententerrein – op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen - voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    3. verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    4. verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, op een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer, zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Artikel 2.33

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt;

    3. exploitant: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.34 en 2.34a;

    4. leidinggevende(n): de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een openbare inrichting;

  2. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    1. de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    3. de personen wier aanwezigheid in de openbare inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2.34

(Tijdelijke) Exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.39, tweede lid zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.39, tweede lid zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van de openbare inrichting schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum wordt beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.34a

Voorlopige exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Zodra een aanvraag exploitatievergunning is ingediend voor de overname van een bestaande openbare inrichting die binnen dezelfde of lichtere exploitatiecategorie zal worden geëxploiteerd, kan een voorlopige exploitatievergunning worden aangevraagd.

  2. Een voorlopige exploitatievergunning kan, in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.39, eerste, tweede en derde lid, worden geweigerd, indien:

    1. overlastklachten over de bestaande exploitatie van de inrichting zijn ontvangen bij de gemeente of de politie;

    2. jegens de aanvrager van de voorlopige exploitatievergunning of de inrichting zelf een bestuurlijke maatregel van kracht is dan wel een voornemen tot het nemen van een bestuurlijke maatregel bestaat;

    3. over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures lopen.

    4. de inrichting langer dan 6 maanden niet is geëxploiteerd.

  3. Een voorlopige exploitatievergunning wordt niet verleend voor de exploitatie van een coffeeshop of speelautomatenhal.

  4. De burgemeester stelt nadere regels vast over de stukken die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

Artikel 2.35

Vrijstelling vergunningplicht

  1. Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een openbare inrichting, die zich bevindt in een:

    1. schoolkantine;

    2. bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is;

    3. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Hiervan is in ieder geval sprake als wordt voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven).

    4. crematorium of rouwcentrum;

    5. museum, bejaardentehuis, ziekenhuis of verpleeghuis, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bezoekers, bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

      • het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale inrichting;

      • in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt.

    6. buurt- of clubhuis waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals bij verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten;

      • er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;

      • er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;

      • de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven;

      • er vindt geen zalenverhuur plaats;

      • er zijn geen speelautomaten aanwezig.

    7. een gebouw in gebruik door een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in afdeling 8a van deze verordening

  2. Voor de in het eerste lid genoemde openbare inrichtingen kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie.

Artikel 2.36

Eisen exploitant en leidinggevende

  1. De exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen, met dien verstande dat de exploitant en de leidinggevende de minimale leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

  2. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en tweede lid van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.

Artikel 2.37

Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.

  2. De exploitant of leidinggevende is verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

  3. De burgemeester kan openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

  4. Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen als genoemd in artikel 4 van de Alcoholwet.

Artikel 2.38

Beslistermijn

  1. De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.

  2. In afwijking van het eerste lid, beslist de burgemeester binnen vijf werkdagen na de datum waarop hij de aanvraag voor een voorlopige exploitatievergunning heeft ontvangen.

  3. De beslissing als in het eerste lid kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd.

  4. De beslissing op een aanvraag voor een voorlopige exploitatievergunning kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste vijf werkdagen worden verdaagd.

  5. Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.34 en 2.34a is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.39

Weigerings- en intrekkingsgronden

  1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 en 2.34a indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan;

    2. niet wordt voldaan aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.34 en 2.34a slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting.

  3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en van de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    2. de aard van de openbare inrichting;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting;

    4. de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de inrichting in deze of in andere openbare inrichtingen, alsmede diens antecedenten.

  4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

    1. indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

    2. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    3. indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    4. indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    5. indien de exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid of op welke grond dan ook;

    6. indien zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    7. indien de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    8. indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    9. indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.36, eerste lid gestelde eisen;

    10. indien blijkt dat er sprake is van een wijziging van de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.11 beslist de burgemeester in geval van een melding die betrekking heeft op een terras behorend bij een openbare inrichting voor zover dit zich op de weg bevindt, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen verbieden:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2.41

Sluitingstijden

  1. Het is de exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49a, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. De burgemeester kan ten hoogste zeven openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a aanwijzen, waarvan de eigenaar of exploitant verplicht is te zorgen dat de openbare inrichting in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is gesloten en door bezoekers is verlaten op zondag tot en met donderdag tussen 04.00 en 19.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 05.00 en 20.00 uur. De burgemeester is bevoegd van het maximum aantal openbare inrichtingen af te wijken, indien naar zijn oordeel sprake is van een zodanig bijzonder concept van bedrijfsvoering van de openbare inrichting, dat het de in dit lid genoemde sluitingstijden rechtvaardigt.

  3. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.35, eerste lid onder c, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  4. De burgemeester kan voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a of voor een daartoe behorend terras, die gevestigd zijn in door hem aangewezen gebieden, andere sluitingstijden vaststellen.

  5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a.

  6. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan om in afwijking van de in het eerste, vierde en vijfde lid genoemde sluitingstijden, maximaal tien keer per jaar zijn inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur op maandag tot en met zondag, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  7. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan om in afwijking van de in het tweede, vierde en vijfde lid genoemde sluitingstijden, maximaal 10 keer per jaar zijn inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur op zondag tot en met donderdag, en tot 06.00 uur op vrijdag en zaterdag, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  8. Een melding als bedoeld in het zesde en zevende lid kan alleen worden gedaan in combinatie met een kennisgeving incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4.3 van deze verordening. Nadat de melding/kennisgeving is gedaan, is het de exploitant toegestaan om:

    • af te wijken van de sluitingstijden; of

    • een incidentele festiviteit te houden; of

    • op dezelfde dag af te wijken van de sluitingstijden en een incidentele festiviteit te houden.

  9. Het is de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.34 of in artikel 2.34a, toegestaan op maximaal twaalf door de burgemeester aan te wijzen dagen, zijn openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 05.00 uur.

  10. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  11. Het eerste, tweede, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2.42

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.41 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.43

Gesloten verklaren van een openbare inrichting

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.42 kan de burgemeester een openbare inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren:

    1. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. indien deze openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. indien de burgemeester oordeelt, dat één van de in artikel 2.39, vierde lid, genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

  2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.

  3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2.44

Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting

  1. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat deze inrichting krachtens artikel 2.41 of ingevolge een op grond van artikel 2.42 of 2.43 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

  2. Het is de exploitant of de leidinggevende van de openbare inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 2.45

Glazen drinkgerei

  1. De exploitant en leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.33 alsmede de leidinggevende van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de besloten ruimte en het terras van de inrichting brengen.

  2. Het is de exploitant en leidinggevende van een inrichting als bedoeld in het eerste lid die door de burgemeester is aangewezen of die is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen weg, verboden drank in glas te verstrekken binnen de besloten ruimte en op het terras van de inrichting gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.

  4. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.45a

Verbod verkoop bier in blik voor openbare inrichtingen

Het is verboden in door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen, tijdens een evenement als bedoeld in artikel 2.26, in de door de burgemeester aangewezen periode, bedrijfsmatig of anders dan om niet bier in blik te verstrekken.

Artikel 2.45b

Lachgasverbod openbare inrichting

Het is verboden, om als exploitant, leidinggevende en bezoeker, in en om een openbare inrichting lachgas voor recreatief gebruik te verkopen, aanwezig te hebben en/of te gebruiken.

Artikel 2.46

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2.47

Ordeverstoring

  1. Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

  2. Degene die naar het oordeel van een ambtenaar van politie of de exploitant van de openbare inrichting handelt in strijd met het eerste lid is verplicht die openbare inrichting op bevel van die ambtenaar c.q. op aanzegging van die exploitant terstond te verlaten.

Artikel 2.48

Geldigheidsduur vergunning

  1. Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, heeft in beginsel een geldigheidsduur van onbepaalde tijd.

  2. Een voorlopige exploitatievergunning vervalt op de dag van beslissing op de aanvraag exploitatievergunning.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor een openbare inrichting of voor een bepaalde categorie van openbare inrichtingen een geldigheidsduur voor bepaalde tijd vaststellen.

  4. De burgemeester kan ten hoogste eens in de vijf jaar degene aan wie een exploitatievergunning is verleend, verzoeken de juistheid van de bij de burgemeester bekende gegevens omtrent degene aan wie of omtrent de activiteit waarvoor een exploitatievergunning is verleend, binnen een door de burgemeester te stellen termijn te controleren.

  5. Degene aan wie het verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 2.48a

Beëindiging exploitatie

De exploitatievergunning vervalt

  1. zodra de exploitant of exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft of hebben beëindigd;

  2. indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd.

Artikel 2.49

Proeverijen in slijterijen

Met inachtneming van artikel 3, eerste lid van de Winkeltijdenwet is het toegestaan proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld te houden. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan een proeverij moet voldoen.

Artikel 2.49a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • alcoholhoudende drank;

  • horecabedrijf;

  • horecalokaliteit;

  • inrichting;

  • paracommerciële rechtspersoon;

  • zwak-alcoholhoudende drank;

datgene wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2.49b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, zoals een handbal-, korfbal-, tennis-, schiet-, jeu de boules en watersportvereniging, met uitzondering van een voetbal- en hockeyvereniging, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op maandag tot en met zondag van 12.00 tot 24.00 uur.

  2. Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van voetbal- of hockeyactiviteiten, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met vrijdag van 12.00 tot 24.00 uur;

    2. zaterdag en zondag van 12.00 tot 20.00 uur.

  3. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op recreatieve activiteiten, zoals een volkstuin-, vogel-, honden- en duivensportvereniging, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met vrijdag van 12.00 tot 24.00 uur;

    2. zaterdag en zondag van 12.00 tot 19.00 uur.

  4. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het bevorderen van sociale interactie en waarbij het samenzijn in een ontspannen sfeer een kenmerkend onderdeel is van de hoofdactiviteit, zoals een wijk- en jeugdvereniging, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met vrijdag van 12.00 tot 24.00 uur;

    2. zaterdag en zondag van 12.00 tot 22.00 uur.

  5. Een poppodium dat een paracommerciële rechtspersoon is, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:

    1. maandag tot en met donderdag en zondag van 12.00 tot 01.00 uur;

    2. vrijdag van 12.00 tot 02.00 uur

    3. zaterdag van 12.00 tot 04.00 uur.

  6. Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op culturele activiteiten, zoals het organiseren van voorstellingen en andere theateractiviteiten, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op maandag tot en met zondag van 12.00 tot 24.00 uur.

  7. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens in haar inrichting plaatsvindende bijeenkomsten van persoonlijke aard.

  8. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens in haar inrichting plaatsvindende bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  9. In afwijking van het bepaalde in het achtste lid kan een paracommerciële rechtspersoon tijdens de voor haar geldende schenktijden, alcoholhoudende drank verstrekken tijdens bijeenkomsten waar activiteiten plaatsvinden conform de statutaire doelstelling van rechtspersonen, niet zijnde een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richten op activiteiten van recreatieven, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.

Artikel 2.49c

Sluitingstijden inrichtingen van paracommerciële rechtspersonen

  1. De sluitingstijden van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, eerste tot en met het vierde lid, en het zesde lid zijn van 24.00 tot 07.00 uur.

  2. De sluitingstijden van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, vijfde lid zijn:

    1. op maandag tot en met donderdag en zondag van 01.00 tot 08.00 uur;

    2. op vrijdag van 02.00 tot 08.00 uur;

    3. op zaterdag van 04.00 tot 08.00 uur.

  3. Het is de exploitant van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, eerste tot en met het vierde lid, en het zesde lid, toegestaan maximaal 6 keer per jaar zijn inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot maximaal 01.00 uur op maandag tot en met donderdag en zondag en tot maximaal 02.00 uur op vrijdag en zaterdag ten behoeve van een bijzondere aan de instelling gerelateerde activiteit overeenkomstig de statutaire doelstelling of bestemming, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  4. Het is de exploitant van een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2.49b, vijfde lid, toegestaan maximaal 6 keer per jaar zijn inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot maximaal 02.00 uur op maandag tot en met donderdag en zondag en tot maximaal 05.00 uur op vrijdag en zaterdag ten behoeve van een bijzondere aan de instelling gerelateerde activiteit overeenkomstig de statutaire doelstelling of bestemming, mits de exploitant dit op de dag waarop de afwijking sluitingstijden geldt, aan de burgemeester heeft gemeld.

  5. Een melding als bedoeld in het derde en vierde lid kan alleen worden gedaan in combinatie met een kennisgeving incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4.3 van deze verordening. Nadat de melding/kennisgeving is gedaan, is het de exploitant toegestaan om:

    • af te wijken van de sluitingstijden; of

    • een incidentele festiviteit te houden; of

    • op dezelfde dag af te wijken van de sluitingstijden en een incidentele festiviteit te houden.

  6. Wanneer op grond van het derde of vierde lid wordt afgeweken van de sluitingstijden, mag de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon, in afwijking van de in artikel 249b, eerste tot en met zesde lid genoemde schenktijden, alcoholhoudende drank verstrekken tot de in het derde of vierde lid genoemde sluitingstijden.

  7. De burgemeester kan afwijking van de sluitingstijden als bedoeld in het derde en vierde lid verbieden indien hierdoor naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2.49d

Verbod extreme prijsacties horeca (‘happy hours’)

Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter, lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende openbare inrichting of op het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2.49e

Voorschriften en beperkingen voor de vergunning

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en deze vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:49f

Proeverijen in slijterijen

Met inachtneming van artikel 3, eerste lid van de Winkeltijdenwet is het toegestaan proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld te houden. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan een proeverij moet voldoen.

Artikel 2.50

Definitie

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2.51

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.53

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2.54

Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting als bedoeld in afdeling 8 - of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is een ieder verboden een gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid, te betreden, te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven, waarvan de sluiting is bevolen.

  5. Het in lid 4 genoemde verbod kan door de burgemeester tijdelijk worden opgeheven voor degene wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden wordt vereist.

  6. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2.54a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

  3. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2.54b

Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit artikel 2.54c van toepassing is.

  2. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

  3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

  4. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

Artikel 2.54c

Vergunning uitoefening bedrijf

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van artikel 2.54b, lid 1 aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    2. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2.54b, lid 1 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien de exploitant of beheerder van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken;

    6. indien niet voldaan is aan de in artikel 2.54d gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    7. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

Artikel 2.54d

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning als bedoeld in artikel 2.54c, lid 1 wordt aangevraagd door de exploitant.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en/of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2.54e

Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2.54c, lid 1 intrekken of wijzigen indien:

  1. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

  2. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

  3. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of

  4. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

  5. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

  7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

  8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

  9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

  10. de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

Artikel 2.54f

Sluiting bedrijf

  1. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit artikel 2.54c wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2.54e van toepassing is.

  2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2.54g

Geboden en verboden exploitant

  1. De exploitant is verplicht ‘bij elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk een wijzigingsaanvraag in te dienen.

  2. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.

  3. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  4. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of een op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is.

Artikel 2.54h

Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen

In afwijking van artikel 2.54c, lid 1 geldt het daarin gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2.54b genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

Artikel 2.54i

Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.54c is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.55

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

  4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.56

Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.57

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.56.

Artikel 2.58

Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  3. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, bij zich te hebben of te vervoeren.

  4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de tas of andere voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.60

Hinderlijk gedrag op of aan de weg

  1. Het is verboden op of aan de weg:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere weggebruikers of bewoners en gebruikers van nabij die weg gelegen woningen of andere gebouwen onnodig overlast of hinder berokkent.

  2. De burgemeester kan ter voorkoming van hinderlijk gedrag openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door hem te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.62

Uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen

  1. Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op een plaats, zichtbaar vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats, iemand door woord, houding, gebaar of op enigerlei andere wijze tot ontuchtige handelingen uit te nodigen, dan wel aan te lokken.

  2. Een ieder die van een opsporingsambtenaar in het belang van de naleving van het eerste lid, het bevel krijgt zich van de daar bedoelde plaats te verwijderen is verplicht dit bevel onmiddellijk op te volgen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.63

Bouwmaterialen op of aan de weg

Het is verboden op of aan de weg bouw- en/of sloopmaterialen te laten staan of te laten liggen op zodanige wijze dat deze materialen kunnen worden gebruikt voor het plegen van baldadigheden.

Artikel 2.64

Verboden drankgebruik

  1. Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 10 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    4. andere door het college aangewezen gebieden.

  3. Het is verboden alcoholhoudende drank te gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken.

  4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:

    1. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  5. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van de verboden in het eerste of het tweede lid.

Artikel 2.65

Verboden drankgebruik op scholen en dergelijke

Vervallen (opgenomen in artikel 2.64).

Artikel 2.66

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. zich in een portiek of poort op te houden;

    2. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.67

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in, bij of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor het openbaar vervoer, parkeergarage, winkel(passage), rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd.

Artikel 2.67a

Messen en andere voorwerpen als wapen

  1. Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2.68

Neerzetten van fietsen en dergelijke

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt, of als daardoor anderszins hinder wordt of kan worden veroorzaakt.

Artikel 2.69

Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.69a

Overig hinderlijk gedrag

Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden, pallets, brandbare en brandversnellende vloeistoffen en andere voorwerpen of stoffen te vervoeren en/of bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben met het kennelijke doel deze op de weg te verbranden.

Artikel 2.70

Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2.72

Het aanlijnen en het laten verblijven van honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    2. zowel binnen als buiten de bebouwde kom op de weg en in natuur- en recreatiegebieden als de hond niet is aangelijnd, uitgezonderd en op eigen risico in door het college als zodanig aangewezen hondenlosloop- en uitlaatgebieden;

    3. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.73

Verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    1. op de weg;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    3. op een andere door het college aangewezen plaats.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die aan een rolstoel is gebonden of die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. De strafbaarheid wegens overtreding van het verbod in het eerste lid wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond ervoor zorgdraagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  4. Het college kan plaatsen aanwijzen waar de plicht tot het opruimen van de uitwerpselen niet geldt.

  5. De eigenaar of houder van een hond is verplicht een doelmatig opruimmiddel bij zich te dragen dat is bestemd voor het verwijderen van uitwerpselen. Dat geldt zowel aan het begin van de uitlaatronde als aan het eind ervan. De eigenaar of houder is verplicht dit opruimmiddel op eerste vordering te tonen aan de met toezicht belaste ambtenaar.

Artikel 2.74

Gevaarlijke en hinderlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op de weg of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.72, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  5. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

Artikel 2.74a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    3. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2.75

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op de door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.76

Loslopend vee

  1. De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting indien de weg het weiland of het terrein doorkruist.

Artikel 2.77

Bijen

  1. Het is verboden bijen te houden:

    1. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    2. binnen een afstand van dertig meter van de weg.

  2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.78

Voederverbod (stads)duiven

  1. Het is verboden (stads)duiven of andere overlast veroorzakende vogels te voeren.

  2. Het is verboden anderen de gelegenheid te bieden (stads)duiven of andere overlast veroorzakende vogels te kunnen voeren.

  3. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de eigenaar of de houder die hobbymatig of beroepsmatig duiven houdt en zijn duiven voert.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden in het eerste en tweede lid.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.78a

Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2.79

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • handelaar: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • gewaarmerkt register: het Digitaal Opkopersregister of een ander door of namens de burgemeester gewaarmerkt register.

Artikel 2.80

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. Het Digitaal Opkopersregister (DOR) geldt hierbij in ieder geval als een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register.

  3. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.

  4. Op de aanvraag om vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.81

Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.82

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Vervallen (opgenomen in artikel 2.81).

Artikel 2.83

Handel in horecabedrijven

Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 onder artikel 2.46.

Artikel 2.84

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder

  1. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit);

  2. vergunninghouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  3. beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in het vuurwerkverkooppunt.

Artikel 2.85

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden zonder een vergunning van het college.

  2. Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen.

  3. Onverminderd de artikelen 1.6 en 1.8 kan de burgemeester de vuurwerkverkoopvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien:

    1. in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;

    2. de vergunninghouder of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;

    3. de vergunninghouder of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer

    5. de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn.

    6. geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit.

  4. De vuurwerkverkoopvergunning kan tevens worden ingetrokken indien:

    1. door de vergunninghouder ten minste een jaar lang geen vuurwerk wordt afgeleverd of verkocht;

    2. onvoorziene situaties of wijzigingen van de regelgeving dit noodzakelijk maken.

  5. De vergunningaanvraag wordt ingediend door de vergunninghouder van de inrichting.

  6. De vergunning is in de inrichting aanwezig.

  7. De vergunning vervalt:

    1. indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden;

    2. zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd.

  8. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van een jaar.

  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.86

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden in het eerste en tweede zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.86a

Carbid schieten

  1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

  2. Het is verboden carbid te schieten op een openbare plaats.

  3. Het is verboden materialen te vervoeren of voorhanden te hebben op een openbare plaats die klaarblijkelijk bestemd zijn voor het schieten van carbid.

Artikel 2.87

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.88

Verzamelingen van personen in verband met drugs

  1. Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

  3. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.89

Openlijk drugsgebruik

  1. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  2. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw dat deel uitmaakt van de navolgende gebieden, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben:

    1. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    2. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    3. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 10 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    4. schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken.

Artikel 2.89a

Lachgasverbod

  1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  2. Het is verboden op een openbare plaats die of openbaar water dat deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2.90

Weggooien van spuiten en dergelijke

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Artikel 2.91

Wijkverbod

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste dertig dagen te bevinden op de in dat wijkverbod aangewezen plaatsen.

  3. Een wijkverbod als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  4. De burgemeester beperkt het in het eerste en tweede lid genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

Artikel 2.92

Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren)

De burgemeester kan in overeenstemming met artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.93

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van voor ieder toegankelijke parkeerterreinen.

Artikel 2.94

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 3.1

Afbakening

De artikelen 1.2 en 1.5 tot en met 1.8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3.2

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  1. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  2. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  3. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  4. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

  5. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  6. leidinggevende: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  7. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  8. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  9. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het tot bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  10. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting van een seksbedrijf;

  11. seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

  12. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Artikel 3.2a

Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3.7 genoemde belangen kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Artikel 3.3

Vergunning

  1. Het is verboden een seksbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

  4. Er wordt voor ten hoogste één seksbedrijf een vergunning verleend. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.

  5. De vergunning voor een nieuwe exploitant wordt voor één jaar verleend en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.

  6. Na verlenging van de vergunning heeft deze een geldigheidsduur van vijf jaar.

  7. Het bevoegd bestuursorgaan kan ten hoogste eens in de vijf jaar, degene aan wie een vergunning is verleend, verzoeken de juistheid van de bij het bestuursorgaan bekende gegevens omtrent degene aan wie of omtrent de activiteit waarvoor een vergunning is verleend, binnen een door een bestuursorgaan te stellen termijn te controleren.

  8. Degene aan wie het in het zevende lid genoemde verzoek is gedaan, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 3.5

Maximum aantal vergunningen

Het bevoegd bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend.

Artikel 3.6

Aanvraag

  1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens van de exploitant;

    2. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    3. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    6. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    7. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

    8. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    11. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.15;

    12. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    13. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

  3. Als een leidinggevende is aangesteld, is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de leidinggevende.

  4. Het bevoegd bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3.7

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd als:

    1. de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat;

    2. de exploitant of de leidinggevende is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

    3. de exploitant of de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    6. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    7. de exploitant of de leidinggevende onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    8. de exploitant of de leidinggevende minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    9. de exploitant of de leidinggevende minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen;

      2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

      4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto artikel 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      6. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

      7. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    10. een maximum als bedoeld in artikel 3.5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt.

    11. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, de leefmilieuverordening, het stadsvernieuwingsplan of een beheersverordening.

  2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h wordt gelijkgesteld:

    1. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    2. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

  3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking en/of weigering van deze vergunning.

  4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het seksbedrijf of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    2. er aanwijzingen zijn dat in het seksbedrijf of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

    3. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met g, of tweede lid, aanhef onder a tot en met k, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    4. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3.6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

    5. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    6. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    7. indien de exploitant of leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    8. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3.15, eerste en tweede lid;

    9. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3.17 gestelde verplichtingen zal naleven.

Artikel 3.8

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    1. de naam van de exploitant;

    2. voor zover van toepassing, die van de leidinggevende;

    3. voor welke activiteit de vergunning wordt verleend;

    4. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    6. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

    7. de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden;

    8. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

    9. het nummer van de vergunning.

  2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.

Artikel 3.9

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken als:

    1. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    2. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    3. is gehandeld in strijd met de artikelen 3.10, 3.13, aanhef en onder a, 3.14, eerste lid, 3.15 en 3.17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

    4. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

    5. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder a tot en met i;

    6. de vergunninghouder dat verzoekt;

    7. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan of een beheersverordening.

  2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

    1. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    2. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    3. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of leidinggevende is geworden;

    4. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

    5. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    6. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

    7. er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in het seksbedrijf werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;

    8. aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het seksbedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat;

    9. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    10. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    11. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3.9a

Sluiting van een seksinrichting

  1. Het bevoegd bestuursorgaan kan een seksinrichting, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren:

    1. Indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    2. Indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. Indien het bevoegd bestuursorgaan oordeelt, dat één van de in artikel 3.9 eerste lid onder d en artikel 3.9 tweede lid onder f, g en h genoemde situaties zich voordoet.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat de in het tweede lid bedoelde bekendmaking wordt aangebracht en aangebracht blijft door middel van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de exploitant of leidinggevende van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegd bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3.10

Melding gewijzigde omstandigheden

De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3.8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3.11

Verlenging vergunning

  1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3.4, 3.5 tot en met 3.8 en 3.15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

  2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Artikel 3.12

Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

  1. Het is de exploitant en de leidinggevende verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    1. op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 en 07.00 uur;

    2. op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 en 07.00 uur.

  2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.

  3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten moet zijn voor bezoekers.

  4. Het is de exploitant en de leidinggevende verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3.13

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en

  3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken, vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen;

  4. andere foto’s te gebruiken dan van de daadwerkelijk in het seksbedrijf werkzame prostituées.

Artikel 3.14

Leeftijd en verblijfstitel prostituee

  1. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

    1. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    2. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

  2. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3.15

Bedrijfsplan

  1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    1. op het gebied van hygiëne;

    2. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    3. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    4. ter voorkoming van strafbare feiten.

  2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, sub a en b waarborgen dat:

    1. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    2. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    3. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    4. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    5. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    6. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    7. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    8. de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken;

    9. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    10. aan de voor de exploitant werkzame leidinggevende voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    11. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    12. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    13. de exploitant of leidinggevende zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    14. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    15. er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf;

    16. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

  5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3.17

Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf

  1. De exploitant of de leidinggevende is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval:

      1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      2. de verhuuradministratie;

      3. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, onder l;

      4. de werkroosters van de leidinggevenden.

    3. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    4. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    5. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

    6. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

    7. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Artikel 3.18

Raamprostitutie

Het is een prostituee verboden:

  1. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

  2. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3.19

Straatprostitutie

Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3.20

Handhaving straatprostitutie

Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in artikel 3.19 kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 3.21

Verbodsbepalingen klanten

  1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

  2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3.22

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 3.23

Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 4.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  2. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet;

  5. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  6. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  7. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  8. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  9. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit direct als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Het geluidsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan de in de tabel opgenomen waarden.

  6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  7. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.

  8. De in het vijfde lid genoemde geluidswaarde op de gevel geldt ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

  9. De collectieve festiviteit ziet uitsluitend op activiteiten in het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting, niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon, toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting, niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon, toegestaan om tijdens maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het is een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon toegestaan maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.

  4. Het is een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon toegestaan om tijdens maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.

  5. Het geluidsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan de in de tabel opgenomen waarden.

  6. Op de dagen als bedoeld in het eerste en derde lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  7. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.

  8. De in het vijfde lid genoemde geluidsnorm op de gevel geldt ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

  9. De incidentele festiviteit, artikel 4.3, ziet uitsluitend op activiteiten in het bebouwde gedeelte van de inrichting. Voor de buitenruimte geldt artikel 4.3a.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.3a

Geluid tijdens collectieve en incidentele festiviteiten in de buitenruimte

  1. De ontheffing van de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste lid geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor het niet bebouwde deel van de inrichting tot 23.00 uur.

  2. Het geluidsniveau gedurende 1 minuut (LAr,LT) veroorzaakt door muziek- en zanggeluid afkomstig van het niet bebouwde deel van de inrichting mag tussen 9.00 en 23.00 uur op een afstand van 10 meter van de geluidsbron niet meer bedragen dan 85 dB(A).

  3. De geluidsnormen als bedoeld in het tweede lid zijn inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.

  4. Het college kan voor het gestelde in het tweede lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 4.5

Onversterkte muziek

  1. Gelet op artikel 2.18, eerste lid onder f en krachtens artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt onversterkte muziek tussen 23.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting.

  2. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek.

  3. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.5a

Geluidhinder in de openlucht

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de provinciale milieuverordening.

Artikel 4.6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het verbod geldt niet voor 0-evenementen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit of de provinciale milieuverordening.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.7

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat

Artikel 4.8

Routering (nachtelijk rijverbod)

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

  2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4.9

Geluidhinder door handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden te verrichten of te laten verrichten tussen 23.00 en 07.00 uur op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, of de provinciale milieuverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4.39

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4.40

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4.41

Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.42

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.46 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke Ordening of de provinciale verordening.

Artikel 4.44

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit.

Artikel 4.45

Graffiti

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.56, tweede lid, is de rechthebbende op een (gedeelte van een) onroerende zaak die vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkbare werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken.

  2. Het gebod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.

Artikel 4.46

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4.47

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stadsgezicht.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.48

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4.47, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.47, vierde lid.

Artikel 5.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

  2. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  3. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994;

Artikel 5.2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    1. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    2. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    1. tien of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt het hart van het bedrijfsgebouw of zijn woning;

    2. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.2a

Het aanbieden van deelmobiliteit

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college (bedrijfsmatig) voertuigen ten behoeve van gebruik door derden op de weg of in de openbare ruimte te plaatsen en aan te bieden.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.

  3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanbieden en faciliteren van deelmobiliteit, in ieder geval ten aanzien van:

    1. de indieningsvereisten bij de aanvraag;

    2. de tijdsduur van de te verlenen vergunning;

    3. het aantal voertuigen per vergunning;

    4. kwaliteitseisen ten aanzien van de dienstverlening en aanverwante effecten, of;

    5. aan te wijzen gebieden die zijn uitgesloten van de mogelijkheid tot vergunningverlening zoals bedoeld in het eerste lid.

  4. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  5. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, en;

    2. een exploitatieplan met verantwoording over bijdrage aan de beleidsdoelstellingen van de gemeente Vlaardingen, in het bijzonder op het gebied van mobiliteit.

  6. Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan het college van de aanvrager verlangen dat hij aanvullende gegevens overlegt. Tot deze gegevens zijn overgelegd, is de aanvraag onvolledig ingediend.

  7. De vergunning kan slechts worden verleend voor bepaalde tijd.

  8. Het college kan, onverminderd hetgeen in de nadere regels wordt bepaald, een vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen indien niet wordt voldaan aan de nadere regels, in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of indien het ten gebruik aanbieden van de voertuigen:

    1. gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen of de verkeersveiligheid;

    2. schade aan de weg toebrengt;

    3. afbreuk doet aan de directe leefomgeving;

    4. een nadelige invloed heeft op het milieu;

    5. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

    6. ernstige afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

Artikel 5.3

Te koop aanbieden van voertuigen

  1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

  1. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden of,

  2. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.5

Voertuigwrakken

  1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    1. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    2. op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze, dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd;

    3. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening of de provinciale landschapsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.7

Reclamevoertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.8

Grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.9

Uitzicht belemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.10a

Parkeren anders dan op de rijbaan

  1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5.11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    1. de weg;

    2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod..

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.12

Overlast van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen:

  1. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; of

  2. langer dan vier weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan.

Artikel 5.13

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    1. in besloten kring;

    2. door een organisatie die is opgenomen op het landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving.

    3. door een andere, door het college aangewezen instelling.

  4. De aanvraag voor een vergunning kan uitsluitend worden gedaan door een organisatie die erkend is door het Centraal Bureau Fondsenwerving of een ANBI-status heeft.

  5. De aanvraag moet uiterlijk twee weken voor de inzameling of werving worden gedaan.

  6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.1 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.14

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  2. Onder venten wordt niet verstaan:

    1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.17.

Artikel 5.15

Ventverbod

  1. Het is verboden te venten:

    1. bij scholen, ziekenhuizen en andere verzorgende instellingen en op de weekmarkt dan wel op andere door het college aangewezen openbare plaatsen;

    2. op maandag tot en met zaterdag vóór 09.00 uur en na 21.00 uur en op zondag vóór 12.00 uur en na 18.00 uur.

  2. Het verbod is niet van toepassing op;

    1. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;

    2. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5.17

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.26.

Artikel 5.18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    1. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of

    2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van één jaar.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5.20

Afbakeningsbepalingen

  1. Artikel 5.18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.

  2. De weigeringsgrond van artikel 5.18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5.21

Snuffelmarkten en dergelijke

Vervallen (verplaatst naar artikel 2.26, lid 2, onder e).

Artikel 5.22

Beschadigen van waterstaatwerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5.22a

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, het bepaalde bij of krachtens de Waterschapswet, de provinciale vaarwegenverordening, de Binnenhavenverordening Vlaardingen 2010 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5.22b

Verbod op magneetvissen

  1. Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen of te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op politie, Defensie en Waterschappen.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.23

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5.24

Zwemverbod

  1. Het is verboden in openbare wateren c.q, waterpartijen te baden of te zwemmen binnen 25 meter van bruggen, sluizen of andere dergelijke constructies.

  2. Het college kan (gedeelten van) openbare wateren aanwijzen waar het verboden is te zwemmen of te baden.

Artikel 5.25

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5.26

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5.26a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • weg: hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

Artikel 5.27

Crossterreinen

  1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen of beperken van overlast;

    2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5.28

Beperking verkeer in natuurgebieden

  1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    1. het voorkomen van overlast;

    2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    3. de veiligheid van het publiek.

  3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    1. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    2. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    3. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    4. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    5. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d.bedoelde personen.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    1. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    2. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.29

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, op eigen terrein met een maximale afmeting van 0,50 x 1,00 x 0,50 m (lxhxb), voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het college kan perioden, tijden of gebieden aanwijzen wanneer of waar het gestelde in het tweede lid, onder c verboden is.

  4. Het college kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en de fauna.

  6. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º of 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.30

Reclameborden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen op of boven de weg/het weggedeelte en het bevestigen ervan aan of rond objecten, met het doel om handelsreclame te maken.

  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden verleend aan degene aan wie de gemeente de concessie van diensten voor de exploitatie van de reclameborden heeft verleend.

  3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien al een vergunning ingevolge het eerste lid is verstrekt.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  5. Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent de weigeringsgronden, bedoeld in het vierde lid. Voor zover beleidsregels worden vastgesteld betreffen deze in ieder geval het maximaal aantal locaties, de plaats van deze locaties en de wijze van plaatsing of bevestiging van de voorwerpen.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4 kan het college aan de vergunning voorschriften verbinden in ieder geval met betrekking tot de in de beleidsregels genoemde onderwerpen.

  7. De vergunning bedoeld in het eerste lid heeft dezelfde geldigheidsduur als de concessie.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de vergunning intrekken indien de overeenkomst tot concessieverlening is beëindigd.

  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 6.1

Sanctiebepaling

  1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:

    • 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden: lid 1, lid 2 en lid 3;

      2.2 Aanwijzing overlastgebied: lid 2;

      2.4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen: lid 1;

      2.11 Het zonder melding plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan: lid 1;

      2.16 Winkelwagentjes: lid 1, lid 2 en lid 3;

      2.18 Openen straatkolken en dergelijke;

      2.20 Rookverbod in bossen en natuurterreinen: lid 1 en lid 2;

      2.21 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp: lid 1;

      2.23 Voorzieningen voor verkeer en verlichting: lid 1;

      2.25a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen;

      2.27 Evenementenvergunning: lid 1 en lid 7;

      2.32a 0-evenementen: lid 1;

      2.32c Openbare orde en veiligheid: lid 2 en lid 3;

      2.34 (Tijdelijke) Exploitatievergunning openbare inrichting: lid 1;

      2.36 Eisen exploitant en leidinggevende: lid 2;

      2.37 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende: lid 1 en lid 2;

      2.41 Sluitingstijden: lid 1, lid 2, lid 3 en lid 10

      2.44 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting: lid 1 en lid 2;

      2.45 Glazen drinkgerei: lid 1 en lid 2;

      2.45a Verbod verkoop bier in blik voor openbare inrichtingen;

      2.46 Handel binnen openbare inrichtingen: lid 2;

      2.47 Ordeverstoring: lid 1 en lid 2;

      2.48 Geldigheidsduur vergunning: lid 4;

      2.48a Beëindiging exploitatie: lid 2;

      2.49b Regulering paracommerciële rechtspersonen; lid 1 tot en met lid 7;

      2.49c Sluitingstijden paracommerciële rechtspersonen: lid 1 en lid 2;

      2.49d Verbod extreme prijsacties horeca;

      2.54 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen: lid 3, lid 4 en lid 5;

      2.55 Betreden gesloten woning of lokaal: lid 1 en lid 2;

      2.56 Plakken en kladden: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 7;

      2.62 Uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen: lid 1 en lid 2;

      2.64 Verboden drankgebruik: lid 1, lid 2 en lid 3;

      2.67a Messen en andere voorwerpen als wapen;

      2.69a Overig hinderlijk gedrag;

      2.70 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen; lid 1, lid 2 en lid 3;

      2.72 Het aanlijnen en het laten verblijven van honden: lid 1;

      2.73 Verontreiniging door honden: lid 1 en lid 4;

      2.74 Gevaarlijke en hinderlijke honden: lid 2, lid 3, lid 4 en lid 5;

      2.78a Bedelarij

      2.85 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen: lid 1;

      2.86 Afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling: lid 1 en lid 2;

      2.86a Carbid schieten

      2.87 Drugshandel op straat;

      2.88 Verzamelingen van personen in verband met drugs: lid 1 en lid 3;

      2.89 Openlijk drugsgebruik;

      2.90 Weggooien van spuiten en dergelijke;

      2.91 Wijkverbod: lid 5;

      3.3 Vergunning seksbedrijf: lid 1;

      3.10 Melding gewijzigde omstandigheden;

      3.12 Sluitingstijden, aanwezigheid, toegang: lid 1 tot en met lid 3;

      3.13 Adverteren;

      3.14 Leeftijd en verblijfstitel prostituee;

      3.15 Bedrijfsplan: lid 4 tot en met 6;

      3.17 Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf;

      3.18 Raamprostitutie;

      3.19 Straatprostitutie;

      3.21 Verbodsbepalingen klanten;

      3.22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke: lid 1 en lid 3;

      4.2 Collectieve festiviteiten: lid 5;

      4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 6;

      4.6 Overige geluidhinder: lid 1;

      4.7 Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke;

      4.8 Routering (nachtelijk rijverbod): lid 1;

      4.9 Geluidhinder door handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden: lid 1;

      4.41 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen;

      4.42 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enz.: lid 1 en lid 2;

      4.44 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame;

      4.45 Graffiti: lid 1;

      4.47 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen: lid 1;

      5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke: lid 3;

      5.3 Te koop aanbieden van voertuigen: lid 1;

      5.4 Defecte voertuigen;

      5.5 Voertuigwrakken: lid 1;

      5.6 Kampeermiddelen en andere: lid 1;

      5.7 Reclamevoertuigen: lid 1;

      5.8 Grote voertuigen: lid 1 en lid 2;

      5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen: lid 1;

      5.11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen: lid 1;

      5.12 Overlast van fiets en bromfiets;

      5.13 Inzameling van geld en goederen: lid 1;

      5.15 Ventverbod: lid 1;

      5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden: lid 1

      5.19 Toestemming rechthebbende;

      5.22 Beschadigen van waterstaatwerken en bruggen; lid 1;

      5.23 Reddingsmiddelen;

      5.27 Crossterreinen: lid 1;

      5.28 Beperking verkeer in natuurgebieden: lid 1;

      5.29 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken: lid 1 en lid 3;

      5.30 Reclameborden: lid 1.

  2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:

    • 2.7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen: lid 1;

    • 2.10 Straatmuzikant: lid 1 en lid 2;

    • 2.17 Hinderlijke beplanting of voorwerp;

      2.45b Lachgasverbod openbare inrichting;

    • 2.51 Kennisgeving exploitatie;

    • 2.53 Verschaffing gegevens nachtregister;

    • 2.57 Vervoer plakgereedschap en dergelijke: lid 1;

    • 2.58 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal: lid 1 en lid 3;

    • 2.60 Hinderlijk gedrag op of aan de weg: lid 1;

    • 2.60a Hinderlijk voetballen en dergelijke;

    • 2.63 Bouwmaterialen op of aan de weg;

    • 2.66 Verboden gedrag bij of in gebouwen: lid 1 en lid 2;

    • 2.67 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten;

    • 2.68 Neerzetten van fietsen en dergelijke;

    • 2.69 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke;

    • 2.75 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren: lid 2;

    • 2.76 Loslopend vee: lid 1;

    • 2.77 Bijen: lid 1;

    • 2.78 Voederverbod (stads)duiven: lid 1 en lid 2;

      2.89a Lachgasverbod;

    • 4.39 Straatvegen;

    • 4.40 Natuurlijke behoefte doen:

    • 5.24 Zwemverbod: lid 1;

    • 5.25 Veiligheid op het water: lid 1;

    • 5.26 Overlast aan vaartuigen: lid 1 en lid 2;

  3. Overtreding van het bepaalde in de artikelen:

    • 2.80 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister: lid 1;

    • 2.81 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  4. wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.

  5. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.13, derde lid, en artikel 2.14, eerste lid.

  6. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 6.1a

Boetebepaling bestuurlijke boete

  1. Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete: 2.7, lid 1, 2.10, leden 1 en 2, 2.10a, leden 1 en 3, 2.11, lid 1, 2.13, lid 1, 2.14, lid 1, 2.16, leden 1, 2 en 3, 2.17, 2.18, 2.20, lid 1 sub a en sub b, 2.21, lid 1, 2.25a, 2.27 lid 1, 2.34, lid 1, 2.36, lid 2, 2.37, leden 1 en 2, 2.41, leden 1 en 10, 2.44, leden 1 en 2, 2.45b, 2.46, lid 2, 2.47, leden 1 en 2, 2.49c, leden 1 en 2, 2.49f, 2.55, leden 1 en 2, 2.56, leden 1, 2, 5 en 7, 2.57, lid 1, 2.60 leden 1a, 1b en 2, 2.64, leden 2 en 3, 2.66, leden 1a, 1b en 2, 2.67, 2.68, 2.69, 2.69a, 2.70, leden 1 en 2, 2.72 lid 1, 2.73 leden 1 en 5, 2.74, leden 1, 4 en 5, 2.75 lid 1, 2.76, lid 1, 2.77, leden 1a en 1b, 2.78, leden 1 en 2, 2.85, lid 1, 2.86, leden 1 en 2, 2.86a leden 2 en 3, 2.89 (slechts voor art. 3 Opiumwet), 2.89a, leden 1 en 2, 3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 4.6, lid 1, 4.40, 4.41, 4.42, lid 1, 4.47, lid 1, 5.2, leden 3a en 3b, 5.3, lid 1, 5.4, 5.5, lid 1, 5.6, leden 1a, 1b en 1c, 5.7, lid 1, 5.8, leden 1 en 2, 5.9, lid 1, 5.10a, 5.11, lid 1, 5.12, 5.13, 5.15, lid 1, 5.18, lid 1, 5.22, 5.22a, 5.22b, 5.23, 5.24, 5.25, lid 1, 5.26, lid 1, 5.27, lid 1, 5.28, lid 1, 5.29, leden 1 en 3, en 5.30, lid 1.

  2. De hoogte van de bestuurlijke boete bij overtreding wordt bepaald door de Verordening bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte Vlaardingen.

Artikel 6.2

Toezichthouders

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de medewerkers van het team Veiligheid, Toezicht en Handhaving.

  2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.

  3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafverordening, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

Artikel 6.3

Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.4

Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

  2. Op dat moment worden de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 en de 1e, 2e, 3e, 4e, 5e en 6e Wijzigingsverordeningen Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 ingetrokken.

Artikel 6.5

Overgangsbepaling

  1. Besluiten die van kracht waren op grond van de APV 2014 en waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  2. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor de uitoefening van een bedrijf dat op grond van artikel 3.2 van deze verordening wordt aangemerkt als seksbedrijf en die op het tijdstip van inwerkingtreding niet is ingetrokken of vervallen, wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening met een geldigheidsduur van 28 weken, gerekend vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening is gedaan, blijft deze vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist.

  3. De artikelen 3.4, eerste lid, en 3.13 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 zijn gedurende 28 weken na inwerkingtreding van deze verordening niet van toepassing op de uitoefening van een seksbedrijf dat voor het tijdstip van inwerkingtreding, rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 is gedaan, dan zijn deze artikelen niet van toepassing tot het moment dat op de aanvraag is beslist.

  4. Artikel 3.14, eerste lid, aanhef onder a is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf:

    1. aan welk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een vergunning voor de uitoefening van dat bedrijf verleend was die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, of

    2. dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet.

Artikel 6.6

Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019.

← terug naar wetten