1. Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, heeft in beginsel een geldigheidsduur van onbepaalde tijd.

  2. Een voorlopige exploitatievergunning vervalt op de dag van beslissing op de aanvraag exploitatievergunning.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor een openbare inrichting of voor een bepaalde categorie van openbare inrichtingen een geldigheidsduur voor bepaalde tijd vaststellen.

  4. De burgemeester kan ten hoogste eens in de vijf jaar degene aan wie een exploitatievergunning is verleend, verzoeken de juistheid van de bij de burgemeester bekende gegevens omtrent degene aan wie of omtrent de activiteit waarvoor een exploitatievergunning is verleend, binnen een door de burgemeester te stellen termijn te controleren.

  5. Degene aan wie het verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan te voldoen.