Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Afdeling 6.2

Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsplannen regels zijn gesteld

Artikel 6.3a

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, voor zover het gaat om het bouwen en in stand houden van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen.

Artikel 6.3b

Als een omgevingsplan met het oog op het waarborgen van de veiligheid regels over het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor het verblijven van personen bevat met betrekking tot de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, is op het bepalen van die vuurbelasting NEN 6090 van toepassing.

Artikel 6.3c

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater, voor zover het gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater of afvalwater bij:

  1. sanering of ontwatering;

  2. het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen;

  3. het maken van betonmortel;

  4. het uitwassen van beton;

  5. het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal;

  6. het wassen van motorvoertuigen; en

  7. het fokken, houden, of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

Artikel 6.3d

  1. Als een omgevingsplan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater bevat:

    1. is op het bemonsteren van afvalwater NEN 6600-1 van toepassing, en is een monster niet gefiltreerd;

    2. is op het conserveren van een monster NEN-EN_ISO 5667-3 van toepassing;

    3. worden bij het analyseren van een monster onopgeloste stoffen meegenomen, en is op het analyseren daarvan NEN-EN 872 van toepassing.

  2. In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij sanering of ontwatering van toepassing:

    1. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    2. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    3. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    4. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    5. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    6. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    7. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    8. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    9. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    10. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    11. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    12. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    13. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    14. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    15. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    16. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    17. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    18. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    19. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    20. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    21. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

  3. In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van huishoudelijk afvalwater van toepassing:

    1. voor biomedisch zuurstofgebruik: ISO 5815-1/2; en

    2. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705.

  4. In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij het maken van betonmortel van toepassing:

    1. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705; en

    2. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

  5. In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van zilver in een monster van afvalwater bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

  6. In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van olie in een monster van afvalwater bij het wassen van motorvoertuigen NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Artikel 6.3e

Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van huishoudelijk afvalwater door een septic tank, is op het bepalen van de nominale inhoud NEN-EN 12566-1 van toepassing en op het bepalen van het hydraulisch rendement annex B van NEN-EN 12566-1.

Artikel 6.3f

Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen door een slibvangput en olieafscheider, is NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2 van toepassing.

Artikel 6.3g

  1. Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden door een vetafscheider en slibvangput van vethoudend afvalwater afkomstig van:

    1. het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur;

    2. het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur;

    3. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen;

    4. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW;

    5. het slachten van ten hoogste 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    6. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    7. het uitsnijden van vis; of

    8. het uitsnijden en pekelen van organen,

    zijn NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004.

  2. In afwijking van het eerste lid kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 6.4

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door een activiteit, anders dan het wonen, met uitzondering van het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen:

  1. op een geluidgevoelig gebouw;

  2. in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw; en

  3. op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, locatie of begrenzing als bedoeld in artikel 5.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 6.5

  1. Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt:

    1. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag;

    2. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden;

    3. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en

    4. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld.

  2. In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 6.6

  1. Het geluid door een activiteit wordt bepaald volgens bijlage IVh als sprake is van:

    1. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, onder a, tweede, derde of vierde lid, 5.66, eerste lid, of 5.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat; of

    2. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde bevat gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein.

  2. De bedrijfsduurcorrectie, bedoeld in bijlage IVh, wordt niet toegepast voor muziek.

  3. In afwijking van het eerste lid wordt het geluid door een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking bepaald volgens bijlage XVIIIb.

  4. Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

  5. Bij het bepalen van het geluid worden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidniveau LAmax afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal.

Artikel 6.7

  1. Op het bepalen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 van toepassing.

  2. Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 6.8

  1. Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.74, eerste of tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage IVi.

  2. Op het berekenen van het gecumuleerde geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark in combinatie met een andere activiteit, is artikel 3.25 van toepassing.

  3. Bij het berekenen worden de waarden in dB Lden, dB Lnight en dB Lcum afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

  4. Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6.8a

Artikel 6.8, eerste lid, is ook van toepassing op het berekenen van het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.75a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat.

Artikel 6.9

  1. Het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele of militaire schietbaan of militair springterrein, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.76, tweede of derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage XVIIIc.

  2. In afwijking van het eerste lid kan het geluid door het exploiteren van een civiele schietbaan, als het gaat om een kleiduivenschietbaan of een schermenbaan voor het toepassingsgebied, bedoeld in bijlage XVIIId, ook volgens die bijlage worden berekend.

  3. Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6.10

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de trillingen door een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.

Artikel 6.11

  1. Op het bepalen van de trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw waarvoor een omgevingsplan waarden als bedoeld in artikel 5.87, 5.87a, 5.88 of 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, is paragraaf 6.2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B, van toepassing.

  2. De waarden worden afgerond op twee decimalen.

Artikel 6.11a

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de kwaliteitseisen van het eindonderzoek bodem en het herstel van de bodemkwaliteit na het beëindigen van:

  1. het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; en

  2. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 6.11b

Als een omgevingsplan regels bevat over het verrichten van een eindonderzoek bodem om de kwaliteit van de bodem vast te stellen, voldoet het bodemonderzoek aan NEN 5725 en NEN 5740 en wordt het veldwerk verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 6.11c

Als een omgevingsplan regels bevat over het herstel van de bodemkwaliteit, wordt dat herstel verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 6.12

Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk of het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, op een geurgevoelig gebouw.

Artikel 6.13

  1. Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.100, eerste of tweede lid, 5.101 of 5.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 van toepassing.

  2. Bij het toepassen van de standaardrekenmethode is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende procesonderdelen.

  3. De emissie van geur per seconde door een procesonderdeel wordt:

    1. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe een geuremissiefactor is vastgesteld: berekend door de geuremissiefactor te vermenigvuldigen met de oppervlakte of, als het gaat om overstorten, de lengte van het procesonderdeel; en

    2. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe geen geuremissiefactor is vastgesteld: bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065.

Artikel 6.14

  1. Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of het houden van landbouwhuisdieren, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.109, eerste, tweede of derde lid, of 5.117, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning van toepassing.

  2. Bij het toepassen van het verspreidingsmodel:

    1. is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende diercategorieën, gehouden in de verschillende dierenverblijven;

    2. geldt als emissiepunt het emissiepunt, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    3. wordt bij een dierenverblijf met meer dan een emissiepunt het geometrisch gemiddelde van die punten aangemerkt als emissiepunt.

  3. De emissie van geur per seconde door een diercategorie wordt berekend door het aantal dieren van die diercategorie in een dierenverblijf te vermenigvuldigen met de voor die diercategorie geldende emissie van geur per dierplaats per seconde.

  4. De emissie van geur per dierplaats per seconde is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem.

  5. In afwijking van het vierde lid wordt de emissie van geur per dierplaats per seconde bij het toepassen van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage voor geur en de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor volgens de formule:

    1. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek);

    2. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de geuremissiefactor lager is dan 30% van de geuremissiefactor voor een overig huisvestingssysteem: emissie voor geur = geuremissiefactor overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur luchtwassysteem) x 0,3; en

    3. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek A) x (100% - reductiepercentage geur aanvullende techniek B).

Artikel 6.14a

Als het omgevingsplan regels bevat over de lichtschittering van een windturbine, is op het uitvoeren van de meting van reflectiewaarden NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

← terug naar Omgevingsregeling