Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 5

Algemene regels over activiteiten en bouwwerken geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 5.1

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op technische bouwsystemen als bedoeld in paragraaf 4.7.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.2

De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in de artikelen 4.248, eerste lid, en 5.21, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald op basis van de in bijlage VIII opgenomen rekenmethodiek.

Artikel 5.3

Het verslag van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in

artikel 4.249 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bevat de volgende gegevens en bescheiden:

  1. de berekende waarde voor de energieprestatie als bedoeld in artikel 5.2;

  2. de naam en het adres van degene die opdracht geeft tot het laten vaststellen van de energieprestatie;

  3. het adres van het gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt;

  4. een aanduiding van het soort gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt: woning of overig;

  5. de naam en het registratienummer van degene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd en het verslag heeft opgesteld of, als diegene geen registratienummer heeft, de naam en het adres;

  6. een beschrijving van het soort technisch bouwsysteem;

  7. een beschrijving van het type en serienummer van het technische bouwsysteem of componenten daarvan, of, bij het ontbreken van dergelijke gegevens, een nauwkeurige beschrijving van de locatie waar het technisch bouwsysteem zich in het gebouw bevindt;

  8. een beschrijving van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem;

  9. de datum van de werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem; en

  10. de ondertekening door diegene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd.

Artikel 5.4

  1. Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimteverwarmingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

    1. heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw;

    2. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem;

    3. is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden; en

    4. is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2014, C 207/02).

  2. Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming.

Artikel 5.5

  1. Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimtekoelingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

    1. heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt, waarbij de temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarmee het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw;

    2. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;

    3. is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans als het gaat om hydraulische systemen of heeft geoptimaliseerde luchtstromen als het gaat om lucht-distributiesystemen, en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden;

    4. heeft een ruimtethermostaat als het gaat om een centraal aangestuurd systeem; en

    5. heeft een door de gebruiker in te stellen thermostaat als het gaat om individueel geregelde units.

  2. Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.

Artikel 5.6

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ventilatiesysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  1. sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;

  2. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;

  3. heeft een ventilatiedebiet dat is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit; en

  4. is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte.

Artikel 5.7

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar warmtapwatersysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  1. sluit aan bij de warmtapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt;

  2. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem;

  3. heeft een warmtapwatertemperatuur, gemeten bij de warmteopwekker, die is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella; en

  4. is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld.

Artikel 5.8

Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  1. heeft een hoeveelheid en type armaturen die voldoende zijn, maar niet meer dan nodig, voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt;

  2. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; en

  3. is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie.

Artikel 5.9

Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is voor oplevering getest en ingesteld op energetisch optimale prestatie onder typische gebruiksomstandigheden.

Artikel 5.10

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op energielabels als bedoeld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.11

  1. De energieprestatie van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-W.

  2. Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.

  3. Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor die woonfunctie, dat woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  4. Het primair fossiel energiegebruik van de woonfunctie, het woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt met behulp van de als bijlage IX opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met forfaitaire waarden voor deze maatregelen.

Artikel 5.12

  1. De energieprestatie van een gebruiksfunctie of gebouw, niet zijnde een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-U.

  2. Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501.

  3. Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor dat utiliteitsgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  4. Het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt met behulp van de als bijlage X opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met kwaliteitsverklaringen voor deze maatregelen.

Artikel 5.13

Het energielabel, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, en artikel 5.12, derde lid, wordt vastgesteld op basis van in ieder geval:

  1. gegevens over de algemene gebouwkenmerken, waaronder gebruiksfunctie, bouwjaar, gebruiksoppervlakte in m2 en, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, woningtype;

  2. gegevens over de aanwezige isolatie, waaronder beglazing, isolatie van de gevel, isolatie van het dak en isolatie van de vloer;

  3. gegevens over de aanwezige installaties, waaronder verwarmingstoestel, tapwatertoestel, koelsysteem, ventilatiesysteem, zonneboiler, zonnepanelen en, in het geval van een utiliteitsgebouw, verlichting; en

  4. gegevens over de berekende indicatoren van de energieprestatie, waaronder de energielabelklasse, het primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw de oververhitting in de zomer en de warmtebehoefte en, in het geval van een utiliteitsgebouw, de energiebehoefte.

Artikel 5.14

  1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan registreren:

    1. gegevens over voor welke gebouwen de energieprestatie is geregistreerd, waaronder adresgegevens, identificerend objectnummer van het pand of verblijfsobject als bedoeld in artikel 19 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen en de opleverstatus van het gebouw;

    2. kenmerken van de registratie van de energieprestatie bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, waaronder de aanduiding van het soort opname van de energieprestatie, de opnamedatum van de energieprestatie en gegevens over de energieadviseur, de NL-EPBD-certificaathouder en de geattesteerde software;

    3. de registratiedatum van de energieprestatie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het unieke registratienummer van het energielabel; en

    4. de gegevens, bedoeld in artikel 5.13, op basis waarvan het energielabel is vastgesteld.

  2. De minister beheert de registratie.

  3. De registratie heeft tot doel het toezicht op de naleving en handhaving van de voorschriften op het gebied van energielabels te kunnen waarborgen en de verstrekking van de gegevens aan de instellingen en organisaties, bedoeld in het vijfde lid, mogelijk te maken voor zover de gegevens noodzakelijk zijn in verband met hun werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid.

  4. De minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie.

  5. De minister kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan:

    1. certificatie-instellingen, voor zover de gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun taak zoals omschreven in BRL 9500-W;

    2. het centraal bureau voor de statistiek, voor zover de gegevens noodzakelijk zijn voor het van overheidswege uitvoeren van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap; en

    3. andere onderzoeksinstellingen en -organisaties, voor zover de gegevens gebruikt worden voor wetenschappelijke, statistische of historische doeleinden en de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig geschaad wordt.

  6. De minister kan het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan de eigenaar van het gebouw waarvoor het energielabel is afgegeven en aan de persoon die in de basisregistratie personen op het woonadres van dat gebouw staat ingeschreven.

  7. De gegevens in de registratie worden ten hoogste vijftien jaar bewaard, gerekend vanaf de opnamedatum van de energieprestatie voor een energielabel.

Artikel 5.15

Bij de toepassing van artikel 6.30, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt ten minste een weergave van de numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/(m2.jaar) en de in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van dat energiegebruik opgehangen op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in het gebouw.

Artikel 5.16

Onder energielabel wordt niet verstaan het document dat is opgesteld op basis van de energieprestatie en is geregistreerd in het kader van een vergunningaanvraag als bedoeld in BRL 9500-W.

Artikel 5.17

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de keuring van airconditioningsystemen, bedoeld in paragraaf 6.5.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, en verwarmingssystemen, bedoeld in paragraaf 6.5.4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.18

  1. De keuring van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW, wordt verricht door deskundigen met een diploma EPBD A-airconditioningsystemen en een diploma EPBD-B airconditioningsystemen.

  2. De keuring wordt gedaan volgens de inspectiemethodiek zoals opgenomen in bijlage XI.

  3. Het keuringsverslag van een in het eerste lid bedoelde keuring wordt opgesteld door een deskundige met het diploma EPBD B-airconditioningsystemen.

  4. De deskundige:

    1. registreert de datum van de keuring van het systeem in het bij het systeem behorende logboek;

    2. verstrekt het keuringsverslag binnen vier weken na de keuring aan de opdrachtgever; en

    3. meldt de keuring binnen vier weken nadat deze is verricht af bij een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instantie.

  5. De deskundige en de opdrachtgever bewaren het keuringsverslag ten minste vijf jaar.

Artikel 5.18a

  1. Een technisch bouwsysteem dat zowel ruimteverwarming als ruimtekoeling verzorgt en waarbij de warmtegenerator nuttige warmte genereert door het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatie van afvoerlucht of een water- of aardwarmtebron met een warmtepomp wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  2. Een technisch bouwsysteem met een ventiliatiesysteem gecombineerd met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  3. Een ventilatiesysteem als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt alleen gekeurd als dit het primaire afgiftesysteem is voor ruimteverwarming of ruimtekoeling.

Artikel 5.19

  1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst de instellingen aan die zijn belast met:

    1. het afnemen van het examen airconditioningsysteemdeskundige;

    2. het afnemen van het herexamen; en

    3. het afnemen van het bijscholingsexamen.

  2. Een exameninstelling voor airconditioningsysteemdeskundigen:

    1. bezit rechtspersoonlijkheid;

    2. heeft een vestiging in Nederland;

    3. beschikt over voldoende deskundigheid om examens op te stellen en af te nemen;

    4. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld; en

    5. beschikt over faciliteiten om examens af te nemen.

  3. De minister kan een adviescommissie instellen die adviseert over de beoordeling van de deskundigheid, bedoeld in het tweede lid, onder c.

  4. De adviescommissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden.

  5. De minister kan aan de aanwijzing voorschriften verbinden.

  6. De minister kan de aanwijzing intrekken als een exameninstelling niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde eisen of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften.

Artikel 5.20

  1. Een exameninstelling voor airconditioningsysteemdeskundige stelt een examenreglement en een huishoudelijk reglement vast.

  2. Een exameninstelling treft doeltreffende maatregelen om fraude bij het examen te voorkomen.

  3. Een exameninstelling verstrekt op verzoek aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden die hij voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.

  4. Als een exameninstelling niet voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister.

Artikel 5.21

  1. Het examen airconditioningsysteemdeskundige bestaat uit theorietoetsen en praktijktoetsen als bedoeld in bijlage XII.

  2. De exameninstelling bericht de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen drie weken welke deelnemers het examen met goed gevolg hebben afgelegd.

  3. Na ontvangst van het bericht geeft de minister het diploma EPBD A-airconditioningsystemen of het diploma EBPD B-airconditioningsystemen af aan de deelnemers.

  4. De exameninstelling registreert de uitslagen van de afgelegde examens.

Artikel 5.22

  1. Als een deelnemer bij een of meer onderdelen van het examen airconditioningsysteemdeskundige in onvoldoende mate voldoet aan de in bijlage XII opgenomen eisen, wordt de deelnemer een keer in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor dat onderdeel of die onderdelen.

  2. Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat de deelnemer van de uitslag van het afgelegde examen op de hoogte is gesteld.

  3. De artikelen 5.20, tweede lid, en 5.21 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.23

  1. Een diploma voor airconditioningsysteemdeskundige vermeldt ten minste:

    1. de volledige naam, geboortedatum en geboorteplaats van de houder van het diploma;

    2. de datum van afgifte en de ondertekening door de minister; en

    3. de geldigheidsduur.

  2. Een diploma is vijf jaar geldig.

Artikel 5.24

  1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties registreert:

    1. aan welke personen een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of een diploma EBPD B-airconditioningsystemen is afgegeven;

    2. de datum van afgifte van het diploma; en

    3. de geldigheidsduur van het diploma.

  2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beheert de registratie.

  3. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie.

  4. De gegevens uit de registratie worden door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gesteld op www.rvo.nl.

  5. De gegevens in de registratie worden zeven jaar bewaard.

Artikel 5.25

  1. Een airconditioningsysteemdeskundige kan een bijscholingsexamen afleggen tot uiterlijk twee jaar nadat de geldigheidsduur van het diploma is verstreken.

  2. De artikelen 5.20, tweede lid, 5.21 en 5.22 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van examen wordt gelezen: bijscholingsexamen.

  3. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verlengt de geldigheidsduur van een diploma met vijf jaar als een airconditioningsysteemdeskundige voldoet aan de in bijlage XIII opgenomen eisen zoals blijkt uit een bijscholingsexamen.

  4. De minister geeft een getuigschrift af van de verlenging, bedoeld in het derde lid.

  5. Het eerste en derde lid en de artikelen 5.23 en 5.24 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van diploma wordt gelezen: getuigschrift.

Artikel 5.27

  1. Het verslag van de keuring van een verwarmingssysteem, bedoeld in artikel 6.42 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt ten minste zes jaar bewaard.

  2. Degene die de keuring verricht, meldt deze binnen vier weken na het verrichten ervan af bij een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instantie.

Artikel 5.28

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.29

  1. De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 5.30

  1. De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

  3. Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in de artikelen 3.84 en 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage XV, worden de volgende waarden gehanteerd:

    1. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent;

    2. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent;

    3. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent;

    4. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent;

    5. 1 m3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m3;

    6. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm3 aardgasequivalent;

    7. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent; en

    8. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent.

  4. Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.

  5. De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

Artikel 5.31

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op bijna energieneutrale nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.149 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.31a

De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald door een bedrijf dat is gecertificeerd volgens BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname, of BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname.

Artikel 5.31b

De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald aan de hand van een rekenprogramma dat is geattesteerd volgens BRL 9501.

Artikel 5.31c

De berekening van de gewogen overschrijdingsuren, bedoeld in artikel 4.149b, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voldoet aan de in bijlage XVI opgenomen eisen.

Artikel 5.33

Deze afdeling is van toepassing op in het Besluit bouwwerken leefomgeving genoemde normen.

Artikel 5.34

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat onderdeel 6.1 wordt gelezen als: Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.

Artikel 5.35

Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.36

  1. Bij de toepassing van NEN 2575 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  2. Waar in de artikelen 3.119 en 4.213 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2575 geldt het volgende:

    1. het in onderdeel 4, tabel 1, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van toonsignalen van 65 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;

    2. het in onderdeel 4, tabel 2, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van gesproken berichten van 60 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt;

    3. onderdeel 12.4.2 Specificatie Luidsprekers is niet van toepassing;

    4. onderdeel 17 Bekabeling is niet van toepassing.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in de artikelen 3.115 en 4.208 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 is opgeleverd of gewijzigd.

Artikel 5.37

  1. Waar in artikel 3.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is bepaald dat de brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas wordt bepaald volgens NEN 8062 geldt bij de toepassing van onderdeel 4 van die norm dat materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rookgas is samengesteld onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064, voor zover in dat materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. In afwijking van ‘onbrandbaar’ volgens NEN 6064 mogen ook materialen die voldoen aan de brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 zijn toegepast.

  2. Bij de toepassing van onderdeel 5 van NEN 8062 geldt dat de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rookgas kleiner is dan 25 m3/m2/h.

  3. Als bij het bouwen de voorziening is gerealiseerd met toepassing van NEN 6062 en de bestaande voorziening aan dat normblad voldoet, is voldaan aan het eerste en het tweede lid.

Artikel 5.39

Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater.

Artikel 5.40

Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 5.41

  1. Waar in artikel 4.122 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de hoofdstukken 5 en 8 van die norm.

  2. Waar in artikel 4.137, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de onderdelen 5.1 en 5.3 van die norm.

Artikel 5.41a

Bij de toepassing van NEN 1594 is de derde alinea van onderdeel 4.2.2.2 van NEN 1594 niet van toepassing op een brandslangaansluiting in de eerste ruimte als bedoeld in artikel 4.221, vijfde en zesde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.42

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat in vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057

‘A e,i = A d,i x C b,i x C u,i x CLTA’ wordt gelezen als: A e,i = A d,i x C b,i x C u,i.

Artikel 5.43

Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.44

Waar in de artikelen 4.136, 4.138 en 4.141 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2757, wordt bedoeld:

  1. NEN 2757-1 voor verbrandingsinstallaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde; en

  2. NEN 2757-2 voor verbrandingsinstallaties met een belasting groter dan 130 kW op bovenwaarde.

Artikel 5.45

Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van de tabellen 3, 5, 6 en 7 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 5.46

Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de waarden, aangegeven in tabel 5.46, voor de correctiefactor CEPC;mn;U/W:

Tabel 5.46 Correctiefactor NEN 7120

Gebruiksfunctie

C EPC;mn;U/W

1

Woonfunctie

a. woonwagen

0,99

b. andere woonfunctie

1,10

2

Bijeenkomstfunctie

0,73

3

Celfunctie

0,98

4

Gezondheidszorgfunctie

a. met bedgebied

1,17

b. andere gezondheidszorgfunctie

0,98

6

Kantoorfunctie

1,05

7

Logiesfunctie

a. logiesfunctie in logiesgebouw

0,90

b. logiesfunctie niet in logiesgebouw

0,88

8

Onderwijsfunctie

1,44

9

Sportfunctie

0,86

10

Winkelfunctie

0,85

Artikel 5.47

Waar in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN-EN 1838, wordt bedoeld onderdeel 5.4.5 van die norm.

Artikel 5.48

Bij de toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als:

Ontwerplevensduur

Toepassing

Klasse

Jaren

1A

5

Tijdelijke bouwwerken, anders dan een woonfunctie:

waarbij de termijn, genoemd in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, niet langer is dan 5 jaar, of die vergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen.

Bouwwerken in gevolgklasse CC2 of CC3: binnen deze klasse moeten de in rekening te brengen belastingen zijn gebaseerd op een referentieperiode van 15 jaar. Voor CC1 is dit 5 jaar.

1B

15

Tijdelijke bouwwerken, anders dan bouwwerken die vallen in klasse 1A.

2

15

Constructies en bouwwerken voor landbouw en tuinbouw en soortgelijke toepassingen, alleen voor productiedoeleinden, waarbij het aantal personen dat in het gebouw aanwezig is, beperkt is.

Industriebouwwerken, al dan niet tijdelijk, met 1 of 2 bouwlagen.

3

50

Bouwwerken anders dan bedoeld onder 1A, 1B en 2.

Artikel 5.50

  1. Bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens NTA 8800 mag restwarmte en -koude als bedoeld in NTA 8800 worden meegerekend.

  2. Bij het bepalen van de koelbehoefte en de ten minste benodigde koelcapaciteit in woningen is in plaats van bijlage AA bij NTA 8800 de Rekentool Koelbehoefte NTA 8800 van toepassing.

Artikel 5.51

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van dat besluit.

Artikel 5.52

De concentratie koolmonoxide, bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt 20 ppm.

Artikel 5.53

  1. Het beeldmerk, bedoeld in artikel 6.47, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is het beeldmerk, opgenomen in bijlage XVIII.

  2. Certificaathouders voeren het beeldmerk op alle uitingen die betrekking hebben op de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties en bij het zich legitimeren bij klanten.

  3. Het is verboden het beeldmerk te voeren wanneer niet wordt beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.54

De risicomatrix, bedoeld in artikel 7.5a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is de risicomatrix, opgenomen in bijlage XVIIIa.

Artikel 5.55

De noodzaak tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving en het opstellen van een bouw- en sloopveiligheidsplan, bedoeld in artikel 7.5a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is aanwezig als het invullen van de risicomatrix, bedoeld in artikel 5.54, resulteert in opgeteld twaalf of meer punten.

Artikel 5.56

Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.57

Als het gezamenlijke geluid bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leegomgeving wordt bepaald op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.103a of 5.23a, aanhef en onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en voor het bepalen van de karakteristieke geluidwering gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, is artikel 3.26, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.58

Op het berekenen van het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied, bedoeld in artikel 4.103c, tweede lid, aanhef, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de artikelen 3.26 en 3.27 van toepassing.

Artikel 5.59

  1. Het geluidsniveau van een installatie voor warmte- of koudeopwekking, bedoeld in de artikelen 4.107, tweede lid, en 4.108, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald berekend volgens bijlage XVII.

  2. Op het berekenen van het geluidsniveau is artikel 6.6, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.60

  1. De dagwaarden, bedoeld in de artikelen 7.17, tweede lid, en 7.39, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald volgens bijlage IVh.

  2. Op het bepalen van de dagwaarden zijn de artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.61

  1. Als bouwwerk waarop artikel 3.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met breedplaatvloeren die:

    1. een overspanning hebben van meer dan 8,5 m; of

    2. zijn toegepast in niet-geïsoleerde daken.

  2. Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk:

    1. als bedoeld in artikel 4.1.2a van de Invoeringsregeling Omgevingswet;

    2. dat voor 1 januari 2000 gereed is gemeld; of

    3. waarvoor na 1 januari 2018 een omgevingsvergunning is verleend.

  3. Onder de aanwijzing vallen ook niet gedeelten van een bouwwerk met alleen een woonfunctie of een nevengebruiksfunctie daarvan, anders dan een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.

  4. Het onderzoek wordt verricht volgens het Stappenplan beoordeling bestaande gebouwen met breedplaatvloeren.

  5. De uitkomsten van het onderzoek worden voor 1 juli 2025 in een rapport vastgelegd.

  6. Met een onderzoek en rapport als bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld een ander onderzoek en rapport dat naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoont dat de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren in het bouwwerk voldoet aan paragraaf 3.2.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.62

  1. Als bouwwerk waarop artikel 3.6a van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met:

    1. een bijeenkomstfunctie;

    2. een onderwijsfunctie;

    3. een sportfunctie; of

    4. een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer,

    niet zijnde een nevengebruiksfunctie daarvan, als het bouwwerk voor deze gebruiksfuncties is bestemd om te worden gebruikt door ten minste 5.000 personen.

  2. Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk dat voor 1 januari 1950 nieuw is gebouwd, tenzij het:

    1. op of na 1 januari 1950 is verbouwd met een verandering van de draagconstructie;

    2. op of na 1 januari 1950 een wijziging van de gebruiksfunctie heeft ondergaan; of

    3. een gebruiksgebied heeft dat niet in zijn geheel is voorzien van uitwendige scheidingsconstructies.

Artikel 5.63

  1. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt uiterlijk drie jaar na de gereedmelding beoordeeld volgens NTA 8790 door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65.

  2. Het rapport met de bevindingen van de initiële beoordeling bevat:

    1. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten;

    2. een verklaring van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel:

      1. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel;

      2. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of

      3. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 2° bedoelde eisen , onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en

    3. een plan voor de periodieke beoordeling van het bouwwerk als bedoeld in NTA 8790, als sprake is van een verklaring als bedoeld onder b, onder 2° of 3°.

  3. Het rapport van de initiële beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf.

Artikel 5.64

  1. Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt na de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65 periodiek beoordeeld volgens NTA 8790 en het voor het bouwwerk opgestelde plan voor de periodieke beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, tweede lid, onder c.

  2. Het rapport van de bevindingen van de periodieke beoordeling bevat:

    1. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten;

    2. een verklaring van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel:

      1. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of

      2. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 1° bedoelde eisen, onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en

    3. een actualisering van het plan voor de periodieke beoordeling als dit naar het oordeel van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, nodig is.

  3. Het rapport van de periodieke beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op een bouwwerk waarvan het rapport van de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, een verklaring bevat van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel.

Artikel 5.65

  1. De beoordeling van een bouwwerk als bedoeld in deze afdeling wordt uitgevoerd door een bedrijf dat, anders dan via de overeenkomst tot het uitvoeren van die beoordeling, niet organisatorisch, financieel of juridisch betrokken is bij het eigendom of het gebruik van het bouwwerk en dat niet betrokken is of is geweest bij de nieuwbouw of verbouw van het bouwwerk of het toezicht daarop.

  2. De beoordeling wordt uitgevoerd door een persoon met een registratie voor het deskundigheidsgebied registerontwerper of registertoetser B in het register van de Stichting Constructeursregister.

Artikel 5.66

Een bouwwerk dat voor de inwerkingtreding van deze afdeling gereed is gemeld, wordt in afwijking van artikel 5.63, eerste lid, beoordeeld voor 1 juli 2025.

← terug naar Omgevingsregeling