Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 4

Algemene regels over activiteiten geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 4.1

Afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift of het beslissen op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor de afdelingen 4.2 tot en met 4.4.

Artikel 4.2

Aan de afdelingen 4.2 tot en met 4.4 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.3

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verbonden, over de afdelingen 4.2 en 4.4.

  2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 4.2 en 4.4, tenzij anders is bepaald.

  3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden verbonden.

  4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9, 8.10, 8.11, 8.17, 8.18, 8.20, 8.21, 8.22, 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4

Deze afdeling is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf als bedoeld in paragraaf 4.82 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.5

Met het oog op het beperken van emissies in de lucht voldoet een huisvestingssysteem of een aanvullende techniek aan de systeembeschrijving voor dat huisvestingssysteem of voor die aanvullende techniek, voor zover in bijlage V respectievelijk bijlage VI een aanduiding van die systeembeschrijving is opgenomen.

Artikel 4.6

  1. De emissie van ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor ammoniak voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van ammoniak per dierplaats per jaar bij toepassing van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage en de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor ammoniak volgens de formule:

    1. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek);

    2. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de emissiefactor voor ammoniak lager is dan 30% van de emissiefactor voor ammoniak voor een overig huisvestingssysteem: emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak luchtwassysteem) x 0,3; en

    3. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek A) x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek B).

  3. Als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de inwerkingtreding van de wet op grond van de Wet ammoniak en veehouderij een bijzondere emissiefactor voor ammoniak voor een huisvestingssysteem heeft vastgesteld en het huisvestingssysteem nog niet is vermeld in bijlage V of in die bijlage is vermeld met een hogere emissiefactor, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid de bijzondere emissiefactor voor ammoniak gebruikt voor het berekenen van de emissie, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 4.7

  1. De emissie van PM10, bedoeld in artikel 4.823 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor PM10, voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van PM10 per dierplaats per jaar als volgt berekend:

    1. als één aanvullende techniek wordt toegepast: met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage en de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor PM10 volgens de formule: emissie van PM10 = emissiefactor PM10 huisvestingssysteem x (100% – verwijderingspercentage PM10 aanvullende techniek); en

    2. als meer dan een aanvullende techniek wordt toegepast: met het volgens rekenmodel Vee-combistof berekende reductiepercentage voor de combinatie van aanvullende technieken volgens de volgende formule: emissie van PM10 = emissiefactor PM10 huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage PM10 aanvullende technieken).

  3. Een aanvullende techniek die voor de reductie van PM10 een oliefilm aanbrengt met een leidingensysteem met sproeikoppen wordt niet gecombineerd met een andere aanvullende techniek die PM10 reduceert.

  4. Als gebruik wordt gemaakt van een aanvullende techniek met een variabel reductiepercentage, wordt het reductiepercentage vastgesteld met het rekenmodel Vee-combistof op basis van de hoeveelheid ventilatielucht, in m3/dier/u, die vanuit de stal door de aanvullende techniek gaat.

Artikel 4.8

  1. Op het meten van de emissie van ammoniak afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast.

  2. Op het meten van de emissie van PM10 afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van fijnstofemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast.

  3. Op het meten van de emissie van geur afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast.

Artikel 4.9

De parameters van het elektronisch monitoringssysteem van het luchtwassysteem, bedoeld in artikel 4.829, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden opgeslagen in een csv-databestand met scheidingsteken line feed en onder elkaar in de volgorde van dat lid.

Artikel 4.10

Deze afdeling is van toepassing op het berekenen van afstanden voor:

  1. het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 4.16, eerste lid, onder a, 4.427, tweede lid, onder d, 4.1112, eerste lid, 4.1113, eerste lid, en 4.1115, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  2. het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in de artikelen 4.16, eerste lid, onder b, 4.897, tweede lid, onder b, en 4.1115, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.10a

In afwijking van artikel 4.10, aanhef en onder a, is afdeling 4.3 niet van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.11

Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico is van toepassing:

  1. voor het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL;

  2. voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving: module IV van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid; en

  3. voor het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101 van het Besluit activiteiten leefomgeving: module V van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en

    1. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en

    2. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL.

Artikel 4.12

  1. Op het berekenen van de afstand voor een aandachtsgebied zijn van toepassing:

    1. voor een brandaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL;

    2. voor een explosieaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen explosieaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; en

    3. voor een gifwolkaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen gifwolkaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL.

  2. In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Carola van toepassing.

Artikel 4.12a0

Op de berekeningen, bedoeld in artikel 4.1115 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die degene die een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, van dat besluit exploiteert, heeft uitgevoerd voor die buisleiding, blijven het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid versie oktober 2020 en Safeti-NL versie 8, 2021 van toepassing, mits de exploitatie van de buisleiding naar aard, omvang of locatie niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid versie januari 2025 en Safeti-NL versie 9.2, 2025.

Artikel 4.12a

  1. Afdeling 4.3 en deze afdeling zijn tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als bij ministerieel besluit is bepaald van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarvoor:

    1. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    2. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en

    3. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b.

  2. Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt.

Artikel 4.12b

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 4.430c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is artikel 6.8 van toepassing.

Artikel 4.12c

  1. De emissieterm LE, bedoeld in artikel 4.430d, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bepaald volgens onderdeel 3.1 van bijlage XXV.

  2. De windsnelheid op ashoogte, bedoeld in artikel 4.430d, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bepaald volgens paragraaf 1.6 van bijlage XXV.

Artikel 4.12d

Als voor een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin een lagere waarde voor geluidhinder was vastgesteld teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan die lagere waarde.

Artikel 4.12e

  1. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximaal geluidniveau LAmax, bedoeld in artikel 4.1121a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, bedoeld in artikel 5.39, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden bepaald volgens bijlage IVh.

  2. De artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.12f

Deze afdeling is van toepassing op het op of in de bodem brengen van meststoffen als bedoeld in paragraaf 4.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib als bedoeld in paragraaf 4.117 van dat besluit.

Artikel 4.12g

Als vroege teelten als bedoeld in de artikelen 4.1188, 4.1188a, 4.1207 en 4.1207a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage VIA.

Artikel 4.12h

Als rustgewassen als bedoeld in de artikelen 4.1194a en 4.1212a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage VIB.

Artikel 4.14

  1. De maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage VII.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de maatregelen in bijlage VIIaa, als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 4.14a

  1. De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

  3. Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in bijlage XV en de artikelen 3.3a, derde lid, 5.15, derde lid, onder a, 5.15a, eerste lid, onder e, en 5.15b, tweede lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende waarden gehanteerd:

    1. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent;

    2. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent;

    3. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent;

    4. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent;

    5. 1 m3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m3;

    6. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm3 aardgasequivalent;

    7. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent; en

    8. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent.

  4. Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.

  5. De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

Artikel 4.14aa

  1. Het aanleveren van de gegevens en bescheiden en het onderzoek, bedoeld in artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage XVb.

  2. Aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door het toepassen van:

    1. een energiebeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 50001; of

    2. een milieubeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 14001 in samenhang met NEN-EN-ISO 14051.

  3. In aanvulling op het tweede lid kan aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door de in bijlage XVb opgenomen keurmerken.

  4. Als gebruik wordt gemaakt van de in het tweede of derde lid opgenomen mogelijkheid om invulling te geven aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt van het van toepassing zijnde energiebeheersysteem of milieubeheersysteem of keurmerk een afschrift overgelegd.

Artikel 4.14b

Bij het bepalen van de kosten en van de technieken, bedoeld in artikel 5.24, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is bij emissies naar de lucht de methode, bedoeld in Bijlage XVc, van toepassing.

Artikel 4.14c

  1. Dit artikel is van toepassing op het openbaar maken van gegevens over de energie-efficiëntie van datacentra, bedoeld in afdeling 5.4.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  2. Het verzamelen en openbaar maken van de gegevens, bedoeld in artikel 5.16b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage XVd.

Artikel 4.15

  1. Dit artikel is van toepassing op het bepalen van de stikstofdepositie bij het vaststellen of een activiteit door het veroorzaken van stikstofdepositie als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt.

  2. Op het berekenen van de stikstofdepositie is AERIUS Calculator van toepassing.

Artikel 4.16

Als organisaties die een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in voldoende mate verzekeren als bedoeld in artikel 11.64, eerste lid, onder d, onder 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen:

  1. G.A. van der Lugt Stichting;

  2. Heerlijkheid Mariënwaerdt B.V.;

  3. It Fryske Gea;

  4. Staat der Nederlanden, voor zover het betreft de militaire luchthavens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit militaire luchthavens;

  5. Staatsbosbeheer;

  6. Stichting Edwina van Heek;

  7. Stichting Flevo-Landschap;

  8. Stichting Het Drentse Landschap;

  9. Stichting Het Geldersch Landschap;

  10. Stichting het Goois Natuurreservaat;

  11. Stichting Het Groninger Landschap;

  12. Stichting het Limburgs Landschap;

  13. Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe;

  14. Stichting Het Noordbrabants Landschap;

  15. Stichting Het Utrechts Landschap;

  16. Stichting Het Zeeuwse Landschap;

  17. Stichting “Het Zuid-Hollands Landschap”;

  18. Stichting Huis Deelerwoud;

  19. Stichting Landgoed Windesheim;

  20. Stichting Landschap Noord-Holland;

  21. Stichting Landschap Overijssel;

  22. Stichting Marke Vragender Veen; en

  23. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland.

Artikel 4.17

De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is gedurende de daarbij vermelde tijdvakken en, voor zover van toepassing, in de daarbij aangegeven gebieden geopend als bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit activiteiten leefomgeving:

  1. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;

  2. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;

  3. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland;

  4. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari; en

  5. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.

Artikel 4.18

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen, en om die vogels opzettelijk te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende vogels te bestrijden, bedoeld in 11.43, eerste lid, onder b, van dat besluit:

    1. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);

    2. de houtduif (Columba palumbus);

    3. de kauw (Corvus monedula); of

    4. de zwarte kraai (Corvus corone corone).

  2. Het eerste lid geldt alleen als:

    1. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;

    2. de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:

      1. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of

      2. schade aan flora of fauna; en

    3. wordt voldaan aan artikel 4.19.

Artikel 4.19

  1. Als middelen als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii), de houtduif (Columba palumbus), de kauw (Corvus monedula) en de zwarte kraai (Corvus corone corone) worden aangewezen:

    1. geweren;

    2. honden, met uitzondering van lange honden; en

    3. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds.

  2. Als methoden als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die mogen worden gebruikt voor het bestrijden van vogels van de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen:

    1. het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels;

    2. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en

    3. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is.

  3. De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen.

Artikel 4.20

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet als de vogels aantoonbaar zijn verkregen:

  1. in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende vogels, bedoeld in de artikelen 11.43, eerste lid, onder b, en 11.44, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en

  2. in overeenstemming met:

    1. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning;

    2. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de wet en artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen; of

    3. de artikelen 4.18 en 4.19.

Artikel 4.21

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of voor verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of vervoeren van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.

  3. Het eerste en tweede lid gelden alleen als:

    1. de vogel aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de daar geldende regelgeving; en

    2. als de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen.

Artikel 4.22

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te vangen of om opzettelijk die vogels te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  3. Het eerste en tweede lid gelden alleen als de zieke of gewonde vogel binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige vogels onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens:

    1. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en

    2. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.

Artikel 4.23

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dode uit het wild afkomstige vogel met het oog op het prepareren ervan.

  2. Het eerste lid geldt alleen als:

    1. de vogel buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven;

    2. degene die de vogel onder zich heeft:

      1. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie; of

      2. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219; en

    3. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing.

  3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben van een geprepareerde uit het wild afkomstige vogel.

  4. Het derde lid geldt alleen als:

    1. de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219, vierde en vijfde lid; en

    2. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing.

Artikel 4.23a

  1. Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, of 11.39, eerste lid, van dat besluit, die:

    1. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en

    2. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode.

  2. Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.23a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.

Artikel 4.24

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als de dieren aantoonbaar zijn verkregen:

  1. in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende dieren, bedoeld in artikel 11.52, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en

  2. in overeenstemming met:

    1. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; of

    2. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikelen 5.2, eerste lid, van de wet en 11.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen.

Artikel 4.25

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of planten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.

  2. Het eerste lid geldt alleen als:

    1. het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving; en

    2. als het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen.

  3. Het eerste lid geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris).

Artikel 4.26

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, opzettelijk te vangen of om dieren opzettelijk te verstoren, geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan vervoer van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn ook anders plaatsvinden dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  4. Het eerste en tweede lid geldt alleen als het zieke of gewonde dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens:

    1. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en

    2. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.

Artikel 4.26a

  1. Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.53 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, of 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, van dat besluit, die:

    1. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en

    2. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode.

  2. Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.53, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.26a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.

Artikel 4.27

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende dieren te bestrijden als bedoeld in 11.57, onder b, van dat besluit:

    1. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of

    2. de vos (Vulpes vulpes).

  2. Het eerste lid geldt alleen als:

    1. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;

    2. de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:

      1. schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of

      2. schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en

    3. wordt voldaan aan de in artikel 4.28 gestelde eisen en beperkingen.

Artikel 4.27a

  1. Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.109a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden vastgesteld:

    1. degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;

    2. degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan de in onderdeel a bedoelde voorwaarde.

  2. Als passende maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.

Artikel 4.28

  1. Als middelen als bedoeld in artikel 11.58, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de vos (Vulpes vulpes) worden aangewezen:

    1. geweren;

    2. honden, met uitzondering van lange honden;

    3. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds;

    4. kastvallen;

    5. vangkooien;

    6. fretten; en

    7. buidels.

  2. Aardhonden worden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus.

  3. De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. Dit geldt niet voor fretten, kastvallen, vangkooien en buidels.

Artikel 4.29

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  2. Het eerste lid geldt alleen als:

    1. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens:

      1. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en

      2. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en

    2. als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.

  3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:

    1. in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of

    2. anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

  4. Het derde lid geldt alleen als:

    1. de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties:

      1. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;

      2. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;

      3. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;

      4. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of

      5. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;

    2. de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en

    3. de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over:

      1. kennis van:

        1. i

          gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;

        2. ii

          het beheer van de gewone en grijze zeehond;

        3. iii

          de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en

        4. iv

          het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en

      2. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.

Artikel 4.30

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A.

  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.

  3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.

Artikel 4.31

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als:

  1. de Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is op grond van artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit;

  2. het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en

  3. het gaat om handelingen in het kader van:

    1. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

    2. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;

    3. bestendig gebruik; of

    4. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.

Artikel 4.31a

  1. Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit, die:

    1. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en

    2. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedagscode.

  2. Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.31a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.

Artikel 4.31b

De paragraaf is van toepassing op het treffen van maatregelen ter invulling van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij de vaststelling van de aanwezigheid van, of het gebruik door soorten, genoemd in artikel 4.31c, tweede lid, bij de na-isolatie van de spouwmuur van een grondgebonden woning.

Artikel 4.31c

  1. Aan de verplichting om voorafgaand aan het na-isoleren van de spouwmuur van een grondgebonden woning na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van soorten op de locatie waarop die activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie of van het gebruik door soorten van die locatie, bedoeld in artikel 11.27, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt in ieder geval voldaan als voorafgaand aan die flora- en fauna-activiteit de Beoordelingsrichtlijn omgevingsDNA-methode wordt toegepast.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder soorten verstaan dieren als bedoeld in tabel 4.31c.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing als de na-isolatie plaatsvindt op een locatie waarvoor geldt dat door gedeputeerde staten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor na-isolatie van spouwmuren is verleend dat samenhangt met een soortenmanagementplan voor vleermuizen dat is vastgesteld door het gemeentebestuur of het provinciebestuur.

Artikel 4.32

  1. Dit artikel is van toepassing op degene die een levend gefokt dier, een levende gekweekte plant of een uit het wild afkomstig levend dier onder zich heeft, en de daar bijbehorende administratie als bedoeld in artikel 11.103 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijhoudt als het dier of de plant behoort tot:

    1. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;

    2. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;

    3. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:

      1. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien; en

      2. de soorten, genoemd in bijlage X bij het Besluit activiteiten leefomgeving;

    4. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven; of

    5. een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.

  2. De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:

    1. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;

    2. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;

    3. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;

    4. het land van herkomst van het dier of de plant, als dit afwijkt van het land, bedoeld onder c;

    5. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende cites-document;

    6. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;

    7. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;

    8. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende cites-document;

    9. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;

    10. gegevens over de soort en de code van de merktekens;

    11. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant; en

    12. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant, voor zover van toepassing.

  3. De administratie, bedoeld in het eerste lid:

    1. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;

    2. wordt gevoerd op een zodanige wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken; en

    3. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren of planten als bedoeld in het eerste lid.

  4. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de documenten, bedoeld in het derde lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.

Artikel 4.33

  1. De gesloten pootring, bedoeld in artikel 11.104, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor gefokte vogels:

    1. is een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat zij, nadat zij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;

    2. heeft een diameter die niet groter is dan de in bijlage VIId voor de betrokken soort vastgestelde diameter;

    3. voldoet aan de volgende eisen:

      1. een ring met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; of

      2. een ring met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; en

    4. is voorzien van een kleurlaag die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht verschillend is.

  2. In afwijking van het eerste lid:

    1. kan de gesloten pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage VIId vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.35, noodzakelijk is; of

    2. kunnen gesloten pootringen voor papegaaiachtigen en roofvogels zijn vervaardigd van roestvrij staal.

  3. Een aanvrager van een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35:

    1. brengt een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid alleen aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de gesloten pootring heeft aangevraagd; en

    2. verschaft een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid niet aan derden.

Artikel 4.34

  1. Als organisaties als bedoeld in artikel 11.104, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn belast met de afgifte van gesloten pootringen worden aangewezen:

    1. Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht;

    2. Nederlandse Bond voor Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom;

    3. Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem;

    4. Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen; en

    5. Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven.

  2. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar gesteld automatiseringssysteem.

  3. De administratie wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar en bevat per soort de volgende gegevens:

    1. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;

    2. als het gaat om gefokte vogels:

      1. het aantal verstrekte gesloten pootringen;

      2. de ringmaat; en

      3. de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, onder b, en derde lid;

    3. als het gaat om gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de cites-basisverordening:

      1. de gegevens onder b, onder 1° en 2°; en

      2. het aantal ouderparen;

    4. de datum van toekenning van de gesloten pootringen; en

    5. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.

  4. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister op verzoek, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie over de afgifte van gesloten pootringen.

Artikel 4.35

  1. Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door een van de organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.

  2. De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, verstrekken alleen gesloten pootringen:

    1. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 4.33; en

    2. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de gesloten pootring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.

  3. In afwijking van het tweede lid, onder b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.

  4. De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, geven geen gesloten pootring af als:

    1. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een gesloten pootring aanvraagt, fokt; of

    2. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 4.33, derde lid.

Artikel 4.36

Als plantensoorten waarvoor een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 3.70, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij de Minister voor Natuur en Stikstof kan worden aangevraagd, worden aangewezen:

  1. Apocynaceae: Pachypodium spp;

  2. Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;

  3. Droseraceae: Dionaea muscipula;

  4. Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;

  5. Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;

  6. Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening;

  7. Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum; en

  8. Sarraceniaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening.

Artikel 4.37

  1. Als diersoorten als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, aanhef, van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening worden aangewezen:

    1. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);

    2. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);

    3. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);

    4. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);

    5. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia); en

    6. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).

  2. Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de beheersmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld:

    1. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoelde handelingen verricht, draagt er zorg voor dat:

      1. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;

      2. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;

      3. het beheren van afval, het onderhoud en schoonmaken van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; en

      4. wordt voorkomen dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen; en

    2. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in artikel 11.108, eerste en tweede lid, van dat besluit bedoelde regels.

  3. Als passende maatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a, onder 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.

Artikel 4.38

  1. Als douanekantoren als bedoeld in artikel 11.94 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening binnen of buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht, worden aangewezen:

    1. voor het binnen Nederland brengen van levende dieren:

      1. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;

      2. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; en

      3. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;

    2. voor het buiten Nederland brengen van levende dieren:

      1. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;

      2. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol;

      3. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;

      4. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); en

      5. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam;

    3. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.

  2. Als veterinaire voorschriften gelden voor dieren of producten, nesten of eieren van dieren die behoren tot de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die daarvoor als inspectiepost aan de grens zijn erkend op grond van de verordening officiële controles.

Artikel 4.39

Als gedragscode als bedoeld in artikel 11.131, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangewezen de Gedragscode houtopstanden TenneT, voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

← terug naar Omgevingsregeling