Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

§ 5.1.4

Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen

Artikel 5.28

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.29

  1. De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV.

  2. In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 5.30

  1. De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek.

  2. In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van:

    1. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    2. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

  3. Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in de artikelen 3.84 en 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage XV, worden de volgende waarden gehanteerd:

    1. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent;

    2. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent;

    3. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent;

    4. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent;

    5. 1 m3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m3;

    6. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm3 aardgasequivalent;

    7. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent; en

    8. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent.

  4. Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.

  5. De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels.

← terug naar Omgevingsregeling