-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen, en om die vogels opzettelijk te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende vogels te bestrijden, bedoeld in 11.43, eerste lid, onder b, van dat besluit:
de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);
de houtduif (Columba palumbus);
de kauw (Corvus monedula); of
de zwarte kraai (Corvus corone corone).
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:
- 1°
belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of
- 2°
schade aan flora of fauna; en
- 1°
wordt voldaan aan artikel 4.19.
Omgevingsregeling Actueel
Inhoud
Afdeling 4.7
Artikel 4.19
-
Als middelen als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii), de houtduif (Columba palumbus), de kauw (Corvus monedula) en de zwarte kraai (Corvus corone corone) worden aangewezen:
geweren;
honden, met uitzondering van lange honden; en
aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds.
-
Als methoden als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die mogen worden gebruikt voor het bestrijden van vogels van de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen:
het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels;
het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en
het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is.
-
De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen.
Artikel 4.20
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet als de vogels aantoonbaar zijn verkregen:
in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende vogels, bedoeld in de artikelen 11.43, eerste lid, onder b, en 11.44, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en
in overeenstemming met:
- 1°
een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning;
- 2°
de regels in een omgevingsverordening op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de wet en artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen; of
- 3°
de artikelen 4.18 en 4.19.
- 1°
Artikel 4.21
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of voor verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of vervoeren van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.
-
Het eerste en tweede lid gelden alleen als:
de vogel aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de daar geldende regelgeving; en
als de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen.
Artikel 4.22
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te vangen of om opzettelijk die vogels te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het eerste en tweede lid gelden alleen als de zieke of gewonde vogel binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige vogels onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens:
een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.
Artikel 4.23
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dode uit het wild afkomstige vogel met het oog op het prepareren ervan.
-
Het eerste lid geldt alleen als:
de vogel buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven;
degene die de vogel onder zich heeft:
- 1°
de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie; of
- 2°
de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219; en
- 1°
de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben van een geprepareerde uit het wild afkomstige vogel.
-
Het derde lid geldt alleen als:
de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219, vierde en vijfde lid; en
de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing.
Artikel 4.23a
-
Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, of 11.39, eerste lid, van dat besluit, die:
worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en
betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode.
-
Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.23a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.
Artikel 4.24
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als de dieren aantoonbaar zijn verkregen:
in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende dieren, bedoeld in artikel 11.52, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en
in overeenstemming met:
- 1°
een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; of
- 2°
de regels in een omgevingsverordening op grond van artikelen 5.2, eerste lid, van de wet en 11.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen.
- 1°
Artikel 4.25
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of planten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht.
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving; en
als het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen.
-
Het eerste lid geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris).
Artikel 4.26
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, opzettelijk te vangen of om dieren opzettelijk te verstoren, geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
In afwijking van het eerste en tweede lid kan vervoer van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn ook anders plaatsvinden dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het eerste en tweede lid geldt alleen als het zieke of gewonde dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens:
een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.
Artikel 4.26a
-
Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.53 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, of 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, van dat besluit, die:
worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en
betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode.
-
Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.53, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.26a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.
Artikel 4.27
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende dieren te bestrijden als bedoeld in 11.57, onder b, van dat besluit:
het konijn (Oryctolagus cuniculus); of
de vos (Vulpes vulpes).
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als:
- 1°
schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of
- 2°
schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en
- 1°
wordt voldaan aan de in artikel 4.28 gestelde eisen en beperkingen.
Artikel 4.27a
-
Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.109a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden vastgesteld:
degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan de in onderdeel a bedoelde voorwaarde.
-
Als passende maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.
Artikel 4.28
-
Als middelen als bedoeld in artikel 11.58, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de vos (Vulpes vulpes) worden aangewezen:
geweren;
honden, met uitzondering van lange honden;
aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds;
kastvallen;
vangkooien;
fretten; en
buidels.
-
Aardhonden worden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus.
-
De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. Dit geldt niet voor fretten, kastvallen, vangkooien en buidels.
Artikel 4.29
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het eerste lid geldt alleen als:
het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens:
- 1°
een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en
- 2°
artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en
- 1°
als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.
-
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer:
in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of
anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
-
Het derde lid geldt alleen als:
de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties:
- 1°
Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;
- 2°
Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;
- 3°
Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog;
- 4°
Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of
- 5°
Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling;
- 1°
de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en
de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over:
- 1°
kennis van:
- i
gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving;
- ii
het beheer van de gewone en grijze zeehond;
- iii
de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en
- iv
het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en
- i
- 2°
bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond.
- 1°
Artikel 4.30
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A.
-
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B.
-
Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten.
Artikel 4.31
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als:
de Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is op grond van artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit;
het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en
het gaat om handelingen in het kader van:
- 1°
bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
- 2°
bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;
- 3°
bestendig gebruik; of
- 4°
de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
- 1°
Artikel 4.31a
-
Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit, die:
worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en
betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedagscode.
-
Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.31a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode.
Artikel 4.31b
De paragraaf is van toepassing op het treffen van maatregelen ter invulling van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij de vaststelling van de aanwezigheid van, of het gebruik door soorten, genoemd in artikel 4.31c, tweede lid, bij de na-isolatie van de spouwmuur van een grondgebonden woning.
Artikel 4.31c
-
Aan de verplichting om voorafgaand aan het na-isoleren van de spouwmuur van een grondgebonden woning na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van soorten op de locatie waarop die activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie of van het gebruik door soorten van die locatie, bedoeld in artikel 11.27, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt in ieder geval voldaan als voorafgaand aan die flora- en fauna-activiteit de Beoordelingsrichtlijn omgevingsDNA-methode wordt toegepast.
-
Voor de toepassing van het eerste lid worden onder soorten verstaan dieren als bedoeld in tabel 4.31c.
-
Het eerste lid is niet van toepassing als de na-isolatie plaatsvindt op een locatie waarvoor geldt dat door gedeputeerde staten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor na-isolatie van spouwmuren is verleend dat samenhangt met een soortenmanagementplan voor vleermuizen dat is vastgesteld door het gemeentebestuur of het provinciebestuur.