Omgevingsregeling Actueel

Inhoud

Afdeling 3.5

Certificering van werkzaamheden aan gasvebrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide

Artikel 3.43

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 3.44

  1. Een aanvraag tot aanwijzing als certificatie-instelling wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de vestigingsplaats van de aanvrager;

    2. het nummer waarmee de certificatie-instelling is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en

    3. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft en het bewijs van accreditatie voor dat schema.

  3. In plaats van het bewijs van accreditatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, kan, in het geval de aanvrager nog niet geaccrediteerd is, tot 1 januari 2023 een bewijs van de nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, worden verstrekt dat de aanvraag voor het verkrijgen van accreditatie voor dat schema volledig is en door de nationale accreditatie-instantie in behandeling is genomen.

  4. Een aanwijzing als certificatie-instelling heeft betrekking op de werkzaamheden die zijn opgenomen in het certificatieschema waarvoor de certificatie-instelling is geaccrediteerd.

Artikel 3.45

Een certificatieschema vermeldt in ieder geval:

  1. voor welk type of welke typen gasverbrandingsinstallaties het schema is bedoeld; en

  2. welke van de in het schema opgenomen eisen voor certificaathouders voorgeschreven zijn door paragraaf 6.5.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en deze afdeling.

Artikel 3.46

Een certificatieschema schrijft in ieder geval voor dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 6.45, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving:

  1. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert;

  2. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is;

  3. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan:

    1. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel;

    2. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of

    3. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel;

  4. door de certificaathouder wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, als dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; en

  5. de certificaathouder de werkzaamheden uitvoert volgens de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze afdeling is bepaald.

Artikel 3.47

Een certificatieschema schrijft voor dat de persoon die de inbedrijfstelling uitvoert, met het oog op het kunnen voldoen aan de in artikel 3.46 bedoelde eisen, aantoonbaar in staat is:

  1. de opstelruimte voor gasverbrandingsinstallaties, in ieder geval inhoudende de ventilatievoorziening, te beoordelen;

  2. rookgasafvoerkanalen en -leidingen inclusief uitmonding, te beoordelen en te beproeven;

  3. collectieve rookgasafvoeren te beoordelen en te beproeven, in het geval van werkzaamheden daaraan;

  4. de toevoer van verbrandingslucht te beoordelen;

  5. de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties te beoordelen daar waar het gaat om het vrijkomen van koolmonoxide;

  6. gasverbrandingsinstallaties in bedrijf te stellen;

  7. de metingen en controles, bedoeld in artikel 3.46, onder a, b en c, te verrichten alsmede de resultaten van deze metingen en controles te interpreteren; en

  8. voorlichting te geven aan de gebruiker over het functioneren van de gasverbrandingsinstallatie in samenhang met het systeem, inclusief luchttoevoer, rookgasafvoer en plaatsing in het gebouw.

Artikel 3.48

  1. Een aanvraag tot aanwijzing van een certificatieschema als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    1. de vestigingsplaats van de aanvrager;

    2. het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en

    3. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.49

  1. De certificatie-instelling zendt jaarlijks voor 1 maart het verslag, bedoeld in artikel 10.14b, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  2. In het verslag worden in ieder geval de volgende onderwerpen behandeld:

    1. een overzicht van de controles die de certificatie-instelling heeft uitgevoerd, inclusief de resultaten van elke controle;

    2. de door de instelling afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten;

    3. wijzigingen in de voor de instelling relevante accreditaties, reglementen en procedures;

    4. knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;

    5. de hoeveelheid en aard van de door de certificatie-instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan; en

    6. ingediende bezwaren op beslissingen van de certificatie-instelling over al dan niet verleende certificaten en de ingestelde beroepen tegen de beslissingen op bezwaar, alsmede de wijze van afhandeling daarvan.

  3. Over iedere melding als bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt in het verslag ten minste de volgende informatie verstrekt:

    1. de gemeten concentratie koolmonoxide; en

    2. een beschrijving van de ruimte waarin de concentratie is gemeten.

Artikel 3.50

  1. In het register, bedoeld in artikel 10.14a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de volgende gegevens over certificaathouders opgenomen:

    1. het nummer waarmee de certificaathouder geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    2. een beschrijving van de werkzaamheden die door de certificaathouder mogen worden uitgevoerd;

    3. het schema waarvoor het certificaat is verleend; en

    4. de datum waarop een certificaat is verleend, geschorst of ingetrokken, de geldigheidsduur van het certificaat en, in het geval van schorsing, de termijn van de schorsing.

  2. De certificatie-instelling verstrekt de gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

← terug naar Omgevingsregeling