-
Voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
-
Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op horecabedrijven
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
- Artikel 2:44
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 2:50a
- Artikel 2:51
- Artikel 2:51a
- Artikel 2:51b
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:55a
- Artikel 2:56
- Artikel 2:56a
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:62a
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:64a
- Artikel 2:64b
- Artikel 2:64c
- Artikel 2:64d
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het Milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs-, en slotbepalingen
Hoofdstuk
Artikel 5:2
Parkeren van 3 of meer voertuigen
-
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
-
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
-
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd of die in de reguliere bedrijfsvoering plegen te worden ingezet, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 10 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
-
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5:3
Te koop aanbieden van voertuigen
-
Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
-
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5:4
Defecte voertuigen
-
Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden (defect voertuig), langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
-
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien voertuig, voorzover voor het rijden van het betrokken voertuig het voeren van zodanig kenteken verplicht is.
Artikel 5:5
Voertuigwrakken
-
Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
-
Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig of chassis dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6
Kampeermiddelen e.a.
-
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
-
Het is de rechthebbende op een voertuig als genoemd in lid 1 verboden het voertuig binnen 14 dagen nadat het is verplaatst, opnieuw neer te zetten op de in lid 1 bedoelde plaats.
Artikel 5:7
Parkeren van reclamevoertuigen
-
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
-
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:8
Parkeren van grote voertuigen
-
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
-
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
-
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
-
De uitzondering van het derde lid geldt niet voor parkeerterreinen aangeduid door verkeersbord E12 (P+R) van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.
Artikel 5:9
Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
-
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10
Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen
-
Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5:11
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
-
Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
-
Dit verbod is niet van toepassing:
op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;
op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
-
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:12a Stallen van (brom) fietsen
-
Het is verboden een (brom-/snor-) fiets, of een vergelijkbaar vervoermiddel zodanig te parkeren dat daardoor:
op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;
de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;
de doorgang op de geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten gehinderd of belemmerd wordt;
het in- en uitstappen bij bus, taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;
schade ontstaat of;
de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;
het verwijderen van een dranghek wordt gehinderd of belemmerd.
-
Het is verboden op of aan de weg een (brom)fiets of vergelijkbaar vervoermiddel te plaatsen of te laten staan tegen een raam(kozijn), een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, tegen een parkeermeter, tegen een monument, gedenksteen, beeldhouwwerk of ander ter verfraaiing van het stadsschoon aangebracht werk, indien:
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de eigenaar of de gebruiker van dat gebouw, portiek, monument of werk;
daardoor die ingang versperd wordt, danwel het gebruik van de parkeermeter wordt belemmerd of verhinderd.
-
Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen, snorfietsen of vergelijkbare vervoermiddelen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
-
Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare vervoermiddelen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
-
Het is verboden (brom-/snor-) fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeren, op de weg te laten staan of in de voor (brom-/ snor-) fietsen bestemde ruimten te plaatsen.
-
Het is verboden om (brom)fietsen of vergelijkbare vervoersmiddelen in door of namens het college geplaatste tijdelijke fietsenstallingen te laten staan buiten de op de borden bij die fietsenstalling aangegeven periode.
Artikel 5:12b Deelvoertuigen
-
Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan de weg voertuigen bedrijfsmatig ter gebruik aan derden aan te bieden;
-
Het college kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren of intrekken indien het aanbieden:
gevaar of hinder oplevert voor de veiligheid van de gebruikers;
de verkeersveiligheid in gevaar brengt;
een nadelige invloed heeft op het milieu;
afbreuk doet aan de directe leefomgeving;
onevenredig beslag legt op de openbare ruimte;
afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
-
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden ingetrokken als de vergunninghouder handelt in strijd met de voorschriften die deel uitmaken van de vergunning.
-
Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het aanbieden van deelvoertuigen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 5:13
Parkeren met gevaarlijke stoffen
In andere gevallen dan die waarin de Wet gevaarlijke stoffen of de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is, is het verboden een voertuig, dat wordt gebezigd voor het vervoeren van (en) door het college bij openbaar te maken besluit als gevaarlijk aangewezen stof(fen), en waarin deze stof(fen) in een grotere hoeveelheid aanwezig is (zijn), dan door dit college toegestaan, op de weg te parkeren daar, waar de veiligheid van bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen in gevaar kan worden gebracht.
Artikel 5:14
Inzameling van geld of goederen
-
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
-
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten delen voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
-
Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
-
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:15
Begripsomschrijvingen
-
In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;
-
Onder venten wordt niet verstaan:
het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:18.
Artikel 5:16
Ventverbod
-
Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
-
De tijden waarop venten is toegestaan zijn geregeld in de Winkeltijdenwet.
-
Het college kan ter uitvoering van het eerste lid nadere regels stellen.
-
Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
Artikel 5:17
Venten met gedrukte stukken
-
Het verbod als bedoeld in artikel 5:16 eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
-
Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:
op door het college aangewezen openbare plaatsen; of
voor bepaalde dagen en uren.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5:18
Begripsomschrijvingen
-
In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel aanbieden van diensten:
gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;
door anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben.
-
Onder standplaats wordt niet verstaan:
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
plaatsen en tijden die op grond van de Marktverordening voor markten en marktdagen zijn aangewezen;
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:17.
Artikel 5:19
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
-
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt, voorzover het betreft een standplaats als bedoeld in artikel 5:18, eerste lid onder b, niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaarde als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in artikel 5:20 gestelde verbod niet.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:10 kan de vergunning worden geweigerd:
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
vanwege strijd met het omgevingsplan, behalve in de door het college aangewezen gebieden waar het maximumstelsel geldt en waar binnen een maximum aantal plekken is aangewezen door het college;
aantoonbare toekomstige ruimtelijke en/of planologische ontwikkelingen.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 gelden voor het aanvragen van een vergunning de volgende termijnen:
voor aanvragen voor een standplaatsvergunning voor de duur van meer dan 3 weken aaneengesloten geldt een aanvraagtermijn van acht weken (continue en seizoenplaatsen);
voor een aanvraag voor een standplaats voor de duur van maximaal drie weken aaneengesloten geldt een aanvraagtermijn van vier weken (incidentele standplaatsen);
voor een aanvraag voor een vrijgekomen plek in een gebied waar het maximumstelsel geldt wordt de termijn voor een aanvraag door de gemeente bekend gemaakt.
-
Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het derde lid of artikel 1:10, tot de dag waarop de beslissing over de omgevingsvergunning is genomen.
Artikel 5:20
Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:21
Afbakeningsbepalingen
Het verbod van artikel 5:19, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:22
Intrekking standplaatsvergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan het college een vergunning als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, intrekken indien de vergunninghouder:
door of namens het college gegeven aanwijzingen niet opvolgt;
zich schuldig maakt aan wangedrag.
Artikel 5:23
Crossterreinen
-
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een paard, fiets of een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een paard, fiets of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
-
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
-
Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:24
Beperking verkeer in natuurgebieden
-
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
-
Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
in het belang van het voorkomen van overlast;
in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
in het belang van de veiligheid van het publiek.
-
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
-
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
binnen de bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
-
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 5:25
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
-
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
-
Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
vuur voor koken, bakken en braden.
-
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:10 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.
-
Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:26
Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:27
Verboden plaatsen
-
Incidentele asverstrooiing is verboden:
op de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen, tenzij de verordening anders aangeeft;
op stilstaand oppervlakte water of kwetsbare waterstromen;
op plaatsen waar provinciale omgevingsverordeningen dat verbieden;
op verharde delen van de weg, portieken, pleinen, stoepen, bruggen/duikers, wandelpaden;
op kinderspeelplaatsen, ligweiden, speelweiden en openbare sport- en speelterreinen;
op ijsvlakten en bevroren grond;
op sneeuw;
op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingwerken.
-
Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
-
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen, crematoriumterreinen, schoolpleinen en kinderspeelplaatsen.
Artikel 5:28
Hinder of overlast
-
Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt aan derden.
-
Op het daartoe aangewezen terrein dient as uit een asbus verstrooid te worden onder toezicht van een medewerker van het crematorium en moet worden uitgevoerd met behulp van een asverstrooiingsapparaat.
Artikel 5:29
Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
adres: door het college aan een adresseerbaar object toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een woonplaats, de naam van een openbare ruimte en een nummeraanduiding;
adresseerbaar object: een verblijfsobject, ligplaats of standplaats;
college: het college van burgemeester en wethouders;
convenant: het tussen de minister van VROM, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Koninklijke TPG Post BV gesloten Kader Convenant en Nader Convenant inzake postcodes;
ligplaats: een formeel door de gemeente als zodanig aangewezen plaats in het water, al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die is bestemd voor het permanent afmeren van een woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt vaartuig;
nummeraanduiding: door of namens het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit één of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie;
openbare ruimte: door het college als zodanig aangewezen en van een naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen;
pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
rechthebbende: een ieder die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in de verordening is voorgeschreven, alsmede de beheerder;
standplaats: een formeel door de gemeente als zodanig aangewezen terrein of een gedeelte daarvan dat is bestemd voor het permanent plaatsen van een niet direct en duurzaam met de aarde verbonden en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte ruimte;
subbuurt: een afgebakend deel van een buurt, die door de gemeente Groningen wordt gehanteerd ten behoeve van de informatievoorziening en statistiek;
uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen inzake naamgeving en nummering. Deze bepalingen zijn opgenomen in het Handboek Naamgeving en Nummering;
verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is;
wijk- en buurtindeling: een indeling van de gemeente in wijken en buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling verbindt;
woonplaats: door het college als zodanig aangewezen en van een naam voorzien gedeelte van het g grondgebied van de gemeente;
de wet: Wet basisregistratie adressen en gebouwen.
Artikel 5:30
Benoemen van openbare ruimten
-
Het college stelt voor het totale grondgebied van de gemeente tenminste één woonplaats vast en kan een woonplaats in wijken, buurten en subbuurten verdelen, en zo nodig, daaraan namen, letters of nummers toekennen.
-
Het college stelt naamgeving en afbakening van de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen adresseerbare objecten.
-
Het college stelt de geometrische afbakening van woonplaatsen, wijken, buurten, subbuurten en adresseerbare objecten vast.
-
Indien aan een adresseerbaar object meer dan één adres wordt toegekend, worden die adressen onderscheiden in hoofdadres en nevenadres.
-
Onder vaststellen, afbakenen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 5:31
Toekennen en wijzigen van nummers
-
De door het college vastgestelde of toegekende namen, zoals vervat in artikel 5:30, eerste en tweede lid, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht.
-
Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan woonplaatsen, wijken, buurten en openbare ruimte toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.
-
Indien het college het nodig oordeelt dat borden met wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van openbare ruimte en naamverwijsborden aan een gebouw, muur of andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van de gemeente worden bevestigd, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Indien het college het noodzakelijk acht een naambord, waarop een vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven, dient de rechthebbende dit toe te laten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden.
-
De rechthebbende zorgt ervoor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.
Artikel 5:32
Aanbrengen van namen en nummers
-
Aan adresseerbare objecten, zoals bedoeld in artikel 5:31, tweede lid , waarvoor een nummer is vastgesteld, moet dat nummer door de eigenaar of gebruiker op een doeltreffende wijze zijn aangebracht.
-
Het is een ieder verboden aan een adresseerbaar object een nummer toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.
-
De nummers dienen vanaf de openbare ruimte duidelijk zichtbaar te zijn.
Artikel 5:33
Onbevoegde toekenning en plaatsing van naam- en nummerborden
-
Het college kan uitvoeringsvoorschriften vaststellen betreffende het proces en de wijze van:
naamgeving en afbakening van woonplaatsen, wijken, buurten en openbare ruimte;
nummering van adresseerbare objecten;
opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen.
-
Deze uitvoeringsvoorschriften zijn niet strijdig met het convenant inzake postcodes.
-
De uitvoeringsvoorschriften zijn nader beschreven in het handboek naamgeving en nummering.