Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op horecabedrijven
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het Milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs-, en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het Milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. inrichting: inrichtingen als bedoeld in het Besluit, voorzover deze inrichtingen vallen onder de definitie van het begrip inrichting als bedoeld in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer zoals deze is gepubliceerd in Staatsblad 1998, 322;

  3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  4. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  5. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die verbonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  6. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  7. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit zijn voor een inrichting niet van toepassing op ten hoogste negen nader door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen.

  2. Artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit is niet van toepassing voor een inrichting op door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Bij festiviteiten georganiseerd in het gebied van het Meerschap bedraagt het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting in afwijking van lid 1 niet meer dan 55 dB(A), invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Een toeslag van 10 dB vanwege muziekgeluid wordt niet toegepast. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal drie incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan maximaal drie incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan, wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats dat op het formulier is vermeld.

  5. De houder van een inrichting ontvangt tegen inlevering van het formulier een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering is vermeld.

  6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

  8. Bij festiviteiten georganiseerd in het gebied van het Meerschap bedraagt het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting in afwijking van lid 1 niet meer dan 55 dB(A), invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Een toeslag van 10 dB vanwege muziekgeluid wordt niet toegepast. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  9. In afwijking van lid 1 dient bij festiviteiten in het Meerschapsgebied minimaal vier weken voor aanvang een kennisgeving te worden ingediend.

  10. Tenminste twee weken voor aanvang van een incidentele festiviteit is de houder van een inrichting gehouden om omwonenden schriftelijk te informeren over de datum, aanvang en eindtijd.

Artikel 4:4

Onversterkte muziek

Ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder in een inrichting, veroorzaakt door het ten gehore brengen van onversterkte muziek, is artikel 2.18, eerste lid, onder f. van het Besluit niet van toepassing.

Artikel 4:5

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:5a

Verbod oplaten ballonnen

  1. Het is verboden één of meerdere ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, geluk lampion, Thaise wensballon, papierballon, geluk ballon, c.a.

  3. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.

Artikel 4:6

Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:7

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:8

Begripsomschrijvingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: Een houtachtig, overblijvend gewas. Deze is vergunningplichtig indien de boom een dwarsdoorsnede van de stam heeft van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

    2. hakhout: Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    3. houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een beplantingsvak van bosplantsoen van meer dan >100m² met een natuurlijke groeihoogte van meer dan twee meter;

    4. monumentale houtopstand : De houtopstand die voldoet aan de hierna te noemen basisvoorwaarden en aan tenminste één van de specifieke voorwaarden:

      Basisvoorwaarden:

      • 50 jaar of ouder;

      • Redelijke conditie; minimaal 10 à 15 jaar nog te leven;

    5. Specifieke voorwaarden:

      • onderdeel ecologische infrastructuur;

      • onderdeel karakteristieke boom groep/laanbeplanting;

      • onderdeel zeldzame biotoop;

      • zeldzaam, gedenkboom;

      • bepalend voor de omgeving;

      • herkenningspunt.

    6. bebouwingscontour houtkap: de contour, zoals opgenomen in het omgevingsplan.

  2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan:

    • rooien;

    • verplanten;

    • het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    • het nalaten van handelingen waarvan men weet of behoort te weten dat dit de dood of ernstige beschadiging van de houtopstand ten gevolge kan hebben.

Artikel 4:9

Velverbod

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het verbod geldt niet voor houtopstanden, die op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd, indien het betreft:

    1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

    2. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    4. kweekgoed;

    5. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwingscontour houtkap, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.

  3. Het verbod geldt verder niet voor:

    1. houtopstand, welke moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college (NOODKAP), zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:16 van deze afdeling;

    2. het periodiek vellen van een houtopstand ter uitvoering van het regulier onderhoud.

  4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  5. Het college kan beleidsregels vaststellen ter zake van het opleggen van een herplantplicht en het geheel of gedeeltelijk omzetten van de herplantplicht in een financiële compensatie.

  6. In geval een herplantplicht is opgelegd als bedoeld in het vierde lid, kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn en op welke wijze een niet geslaagde herplanting moet worden overgedaan.

  7. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 4:10

Aanvraag vergunning

  1. Een vergunning moet worden aangevraagd door, namens of met toestemming van de rechthebbende die gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  2. Een aanvraag namens of met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, dient vergezeld te gaan van een schriftelijke machtiging voor het indienen van de aanvraag.

Artikel 4:11

Beslissing op aanvraag

  1. Het bevoegd gezag verleent in beginsel geen velvergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van minimaal één van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”. De aanvrager dient duidelijk te maken waarom naar zijn mening de vergunning noodzakelijk is.

  2. Het college stelt met betrekking tot de in het vorige lid genoemde criteria en de te maken afweging beleidsregels vast.

Artikel 4:12

vervaltermijn vergunning

De vergunning, als bedoeld in artikel 4:11 vervalt, voor zover binnen uiterlijk één jaar na datum van onherroepelijk worden van de vergunning er geen gebruik van is gemaakt.

Artikel 4:13

Bescherming bomen

  1. Het is verboden om houtopstanden die openbaar eigendom zijn:

    • te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    • daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college.

Artikel 4:14

Herplant/instandhoudingsplicht

  1. Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond, waarop de houtopstand bevond, dan wel aan degene, die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting op te leggen tot herbeplant over te gaan. De voorschriften als genoemd in artikel 4:9 vierde, vijfde en zesde zijn hier ook van toepassing.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond, waarop zich de houtopstand bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

Artikel 4:15

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:16

Monumentale houtopstanden

  1. Het college houdt een openbaar register bij bestemd voor de inschrijving van monumentale houtopstanden.

  2. Het register bevat twee categorieën van monumentale houtopstanden, te weten:

    • nationaal geregistreerde houtopstanden; deze voldoen in ieder geval aan de in artikel 4:8, eerste lid onder d opgenomen beschrijving;

    • lokaal geregistreerde houtopstanden; dit zijn houtopstanden die door de gemeente als monumentaal zijn aangemerkt.

  3. De inschrijving van een monumentale houtopstand geschiedt door opneming van voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie.

  4. Monumentale houtopstanden, die na inschrijving in het openbaar register worden geveld, worden door het college uit het register uitgeschreven.

Artikel 4:17

Eigendomsoverdracht en teniet gaan monumentale houtopstand

  1. De eigenaar van een monumentale houtopstand welke is ingeschreven in het openbaar register als bedoeld in artikel 4:16, is verplicht het college schriftelijk mededeling te doen van:

    1. het feit, dat hij geheel of gedeeltelijk heeft opgehouden eigenaar van de houtopstand te zijn;

    2. het feit, dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet is gegaan. Deze mededeling kan achterwege blijven indien de houtopstand is teniet gegaan ter uitvoering van een kapvergunning.

  2. De in het vorige lid bedoelde mededeling dient te geschieden binnen een maand na het teniet gaan van de houtopstand.

Artikel 4:18

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • de houtopstand te vellen;

    • conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid van dit artikel gestelde verbod.

  4. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4:19

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:21 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    4. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:20

Vergunningsplicht handelsreclame

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging, kleur of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  2. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor:

    1. het verbod in het eerste lid niet geldt;

    2. een melding volstaat.

  3. Een vergunning kan worden geweigerd of een melding kan niet worden geaccepteerd:

    1. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    3. indien het de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen;

    4. indien het ernstig hinder voor de omgeving veroorzaakt.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    2. opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;

    3. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    4. voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening;

    5. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b en c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  5. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het in het eerste, tweede en derde lid gestelde.

Artikel 4:21

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:22

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:10 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.

Artikel 4:23

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:22, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:22, vierde lid.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021