Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare Orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiding van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op horecabedrijven
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Hoofdstuk Regulering prostitutie en seksbranche
Hoofdstuk Bescherming van het Milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs-, en slotbepalingen

Hoofdstuk

Algemene bepalingen

Artikel 1:1

Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;

  2. weg:

    1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

    2. de - al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

    3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

    4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

  3. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  4. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

  5. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  6. voertuigen :alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:

    1. treinen en trams;

    2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;

    3. hoogwerkers en andere voertuigen die ter plaatse als werktuig worden gebruikt;

  7. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  8. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  9. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  10. college: college van burgemeester en wethouders;

  11. bevoegd gezag: het college, tenzij op grond van de Omgevingswet anders is bepaald.

  12. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

Artikel 1:2

Beslistermijn

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:3

Indiening aanvraag

  1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

  3. Indien door of namens het bevoegde bestuursorgaan is besloten een aanvraag voor een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening af te handelen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien deze wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing nodig is.

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5

Samenloop

Het bevoegde bestuursorgaan kan een aanvraag voor een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening afwijzen indien:

  1. tegelijkertijd voor dezelfde plaats reeds een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening is verleend of daarvoor reeds een volledige aanvraag was binnengekomen en;

  2. de verschillende activiteiten of handelingen waarvoor een vergunning of ontheffing is gevraagd of verleend redelijkerwijs niet tegelijkertijd op dezelfde plaats kunnen worden gehouden of uitgevoerd.

Artikel 1:6

Persoonlijk karakter van een vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    1. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    2. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    3. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    4. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    5. indien de houder dit verzoekt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:8

Inzage vergunning of ontheffing

De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van één of meer bepalingen van deze verordening ter inzage af te geven aan deze ambtenaar.

Artikel 1:9

Termijnen

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:10

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu.

  2. Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.

Artikel 1:10a

Relatie Meerschapsverordening

De bepalingen in deze APV gelden van rechtswege niet voor het gebied waarvoor via de in de gemeenschappelijke regeling bepalingen zijn opgenomen bij of krachtens de Meerschapsverordening welke op 15 april 2019 in werking is getreden.

Artikel 1:11

Lex silencio positivo

  1. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:

    1. artikel 2:6 Straatartiesten en straatmuzikanten;

    2. artikel 5:14 Inzameling van geld of goederen;

    3. artikel 5:19 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden.

  2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is gelet op artikel 28 Dienstenwet niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

    1. artikel 2:7, derde lid, vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie van de weg;

    2. artikel 2:15 Vergunning evenement;

    3. artikel 2:26 Exploitatie horecabedrijf;

    4. artikel 2:43 Speelgelegenheden;

    5. artikel 3:3 Vergunningplicht seks- of escortbedrijf;

    6. artikel 4:24 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen;

    7. artikel 5:25, derde lid, verbod om vuur te stoken;

    8. artikel 5:36 Verhuurdersvergunning;

    9. artikel 5:42 Bemiddelaarsvergunning.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021