1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

  3. Indien door of namens het bevoegde bestuursorgaan is besloten een aanvraag voor een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening af te handelen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien deze wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing nodig is.