1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt, voorzover het betreft een standplaats als bedoeld in artikel 5:18, eerste lid onder b, niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaarde als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in artikel 5:20 gestelde verbod niet.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:10 kan de vergunning worden geweigerd:

    1. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    2. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    3. vanwege strijd met het omgevingsplan, behalve in de door het college aangewezen gebieden waar het maximumstelsel geldt en waar binnen een maximum aantal plekken is aangewezen door het college;

    4. aantoonbare toekomstige ruimtelijke en/of planologische ontwikkelingen.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 gelden voor het aanvragen van een vergunning de volgende termijnen:

    1. voor aanvragen voor een standplaatsvergunning voor de duur van meer dan 3 weken aaneengesloten geldt een aanvraagtermijn van acht weken (continue en seizoenplaatsen);

    2. voor een aanvraag voor een standplaats voor de duur van maximaal drie weken aaneengesloten geldt een aanvraagtermijn van vier weken (incidentele standplaatsen);

    3. voor een aanvraag voor een vrijgekomen plek in een gebied waar het maximumstelsel geldt wordt de termijn voor een aanvraag door de gemeente bekend gemaakt.

  5. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het derde lid of artikel 1:10, tot de dag waarop de beslissing over de omgevingsvergunning is genomen.