1. Het college stelt voor het totale grondgebied van de gemeente tenminste één woonplaats vast en kan een woonplaats in wijken, buurten en subbuurten verdelen, en zo nodig, daaraan namen, letters of nummers toekennen.

  2. Het college stelt naamgeving en afbakening van de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen adresseerbare objecten.

  3. Het college stelt de geometrische afbakening van woonplaatsen, wijken, buurten, subbuurten en adresseerbare objecten vast.

  4. Indien aan een adresseerbaar object meer dan één adres wordt toegekend, worden die adressen onderscheiden in hoofdadres en nevenadres.

  5. Onder vaststellen, afbakenen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.