1. De door het college vastgestelde of toegekende namen, zoals vervat in artikel 5:30, eerste en tweede lid, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht.

  2. Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan woonplaatsen, wijken, buurten en openbare ruimte toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.

  3. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van openbare ruimte en naamverwijsborden aan een gebouw, muur of andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van de gemeente worden bevestigd, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  4. Indien het college het noodzakelijk acht een naambord, waarop een vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven, dient de rechthebbende dit toe te laten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is verbonden.

  5. De rechthebbende zorgt ervoor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.